ZONNEWENDEROEP
Haselas

De dag was slechts een flauw afschijnsel van de dagen die Noordland warmden in de zomer. Nu, midden in de winter, was enkel een mistachtig grijs getuige van de dag. Doch zelfs doorheen die blijvende schemering trok een groep jagers over de barre heide. Waarin slechts af en toe enkele bomen voor een onderbreking van de nabije einder zorgden. Als waren zij daar neergepoot door Goden die merktekens wilden plaatsen.
De handen vast rondom de speren en bijlen geklemd, stapten de jagers voort. Geen woord verbrak de stilte. Doch zelfs die stilte vermocht het niet om ook maar een enkel rendier te overtuigen dat de heide veilig was. Waren er eigenlijk nog rendieren ? Of waren zij vertrokken naar warmere oorden, naar groenere weiden en heiden? Toch moesten de jagers buit maken. De wintervoorraden in de kelders van de sibbewoonsten waren immers geslonken, en de laatste appels en noten moesten bijna worden aangesproken.
Diezelfde ochtend was er nog een felle woordenwisseling geweest tussen twee der jagers. Uldrig had tijdens de vorige nacht ontdekt dat Jarl, de eeuwige kankeraar die nooit voorop liep, een stuk rendiervlees van de vorige buit bewaard had, om het gans alleen te verorberen. Uldrig had Jarl er luide op gewezen dat dergelijke zelfzucht onduldbaar was. Waarna Jarl, zeker mede onder de indruk van de dreigende blikken van al de andere leden van de jachtgroep, mopperend gedeeld had met allen. Ach ja, in elke groep zit wel een Lokigeest, en hier was dit Jarl.
Uldrig was nog jong. Hij leefde nog geen zestien jaren, maar zijn jonge kracht en heldere geest maakten toch dat de oudere leden hem gezag toematen. Misschien mocht hij ooit naar Thule, om zich daar waar enkel de besten van de sibben mochten vertoeven, verder te bekwamen. Enkel Jarl, opnieuw Jarl, benijdde Uldrig.
Terwijl enkele leden van de groep in gedachten verzonken waren, bleven de anderen waakzaam. Zij speurden naar elk teken van leven. Enkel een jachtbuit kon immers de kinderen en vrouwen van de sibbe voeden.
Doorheen de schemering glinsterden plots de eerste gletsjers. Heerlijk mooi in hun wilde pracht, maar daar hadden de meeste jagers geen oog voor. Dezelfde gletsjers palmden immers steeds meer grond in naarmate zij naderbij gleden. Enkel de zomerse zon zou opnieuw een einde maken aan de veroveringstocht van het ijs. Enkel de levenschenkende zon zou de doodse ijsmassa's verjagen.
Uldrig echter, nog jong en vatbaar voor echte schoonheid, zag in de gletsjers het schaarse licht van de verborgen zon, dat duizenden malen weerkaatst werd, alsof de ijsmassa's gevormd waren door ontelbaar vele edelstenen. Hij vergat alle voorzichtigheid en stiet een juichkreet uit, die honderdmaal werd teruggeworpen door de ijswanden. Het ijs leek voor Uldrig wel een schepping van Odin, nee van alle Goden, die nogmaals hun kracht wilden bewijzen, samen met hun hartzuiverende waardering voor wat echt mooi is. Juichend liep Uldrig naar een der plaatsen waar een schijnbaar verdwaalde lichtstraal werd weerkaatst. In dat zachte schijnsel, te zacht om licht; en zeker te zacht om zon te worden genoemd, leek de blonde haarkrans van Uldrig wel een kroon te zijn. In de ogen van Uldrig, de reine ogen die nog zuivere vreugde konden weerspiegelen, glansde een triomfantelijk licht. Nee, de natuur was niet dood. Want zelfs in het doodse ijs glansde helderheid en leven.
Jarl, blind voor elke schoonheid, bromde dat die Uldrig wel gek moest zijn om iets te bewonderen dat koude en dood uitstraalde. Doch de helblauwe ogen van de jonge Uldrig keken zo onbegrijpend om zoveel onbegrip, en tegelijk ook zo doordringend naar Jarl, dat deze zich zwijgend omkeerde.
En plots, opgeschrikt door een nieuwe heldere juichkreet van Uldrig, maakte een rendier een sprong vanuit een der laatste bomengroepjes voor de gletsjers. Wat de stilte niet vermocht, deed de kreet van Uldrig: het wild werd aangeboden aan de jagers. Onmiddellijk vlogen enkele welgemikte speren doorheen de ijle lucht, waarna de strijdbijlen een lied van voedselwerving zongen. Met scherpe jagersmessen werd dan de huid van het rendier gestroopt, die onmiddellijk werd opgerold. Deze zou een warmend deken vormen voor meerdere sibbekinderen die thuis reeds naar de terugkomst van de jachtgroep uitkeken.
Terwijl de ganse groep ingespannen werkte, om het wild klaar te maken voor overbrenging naar de sibbe, juichte Uldrig alweer. En ditmaal wees hij met ver uitgestrekte arm naar een punt in de verte. Het was een punt dat hij nog alleen kon ontwaren van op de hoogte waar hij stond.
Enkele leden van de groep haasten zich naar Uldrig, benieuwd om te weten waar deze zo juichend naar wees. En toen zagen ook zij het verre schijnsel van een vuur. Schuchter nog en klein, doch duidelijk aangewakkerd en snel uitgroeiend tot een signaalvuur. Een vuur dat een boodschap bracht, waarnaar alle sibbeleden, niet enkel de jagers, elk jaar weer naar uitkeken. Het was het teken dat de wijzen van Thule van op hun hoogste bergtoppen, met de punten van hun speren de eerste zonnestralen hadden gevangen.
Waarna
eerst in Thule brandende wielen naar de valleien werden gerold, om ook daar het
wenden van de zon te melden. En dadelijk daarna werden ook op andere
heuveltoppen vuren ontstoken, tot in gans Noordland de jubelende mare rondging:
Zonnewende!
De juichkreet van Uldrig werd nu begrepen door degenen die aan de voet van de heuvel aan het werk waren: "Zonnewende, zonnewende"! Waarop de aanvoerder van de jagers het bevel gaf om hout te halen, takken en zelfs ganse sparren. Snel werd daarvan een houtmijt gevormd, waarvan een fakkel een vreugdevuur maakte. De nietige fakkelvlam groeide uit tot een hoog oplaaiend vuur, van waaruit gloeiend rode gensters naar de hemel stegen in knetterend geweld. De mannen verzamelden zich rondom dit vuur, terwijl Uldrig terug naar hen toe kwam.
Hij had op zijn korte weg toch reeds enkele oude eikentakken die nog enkele bladeren droegen verzameld, en had er een krans van gevlochten. Uldrigs' vader, want hij was het die de groep leidde, sprak eerbiedig en met sonore stem de namen uit van de sibbeleden die in de strijd voor het erf waren gevallen. Waarna Uldrig met een wijds gebaar de krans aan de vlammen toevertrouwde. Hij wist dat de rook zou opstijgen tot bij de gevallenen, en dat deze groet, dit eerbetoon hen welgevallig zou zijn.
Nadat alle jagers hun gedachten hadden laten uitgaan naar de gestorven vrienden, werd ook nog de vuursprong gewaagd. Alle jagers sprongen met luide zegeroep doorheen de vlammendans, waarbij hun beden en verwachtingen opstegen naar de hemel, waar enkele sterren toch het mistige licht hadden doorbroken. Alsof ook zij getuigen wilden zijn van de vreugde der Noordlanders.
Enkele delen van de net verworven jachtbuit werden aangesproken, en het zegenende vuur maakte er eetbaar voedsel van. De jagers aten vol eerbied, want zij wisten dat enkel eerbied gepast was wanneer de Goden de aarde vruchtbaar maakten, en haar toelieten voedsel te schenken.
Na het maal werden de laatste houtblokken op het vuur gegooid, die zorgden voor een vreugdevol oplaaien van de vlammen. Een steeds feller wordende gloed verwarmde de jagers, terwijl de wetenschap van zonnewende hun harten verwarmde. En toen tenslotte Jarl zich neerzette in de kring, aan de zijde van Uldrich, toen was de vreugde in de groep volledig. Het wonder van zonnewende, het wonder van de vrede en de ontdooiing van elk hart, hoe kil het ook moge lijken, had opnieuw gezegevierd.

Hohe Nacht
der klaren Sterne, die wie helle zeichen steh'n
Über einer weiten Ferne d'rüber uns're Herzen geh'n.
Hohe nacht
mit grossen Feuern die auf allen Bergen sind,
Heut' muss sich die Erd' erneuern wie ein junggeboren Kind!
Mütter, euch
sind alle Feuer, alle Sterne aufgestellt;
Mütter, tief in euren Herzen schlägt das Herz der weiten Welt!