DE TWAALF OPDRACHTEN VAN HET LEVEN
Gerlach, Vergald, Björn, Freudgar, Berhold. Lijken deze namen u vreemd, luisteraar ? Zij waren nochtans de oude Noordlanders helemaal niet vreemd. Het waren namen met een betekenis, een ziel. Zij droegen de hoop om kracht en geestelijke sterkte die de ouders nastreefden voor hun erven. Want een sibbe kon enkel bewaard blijven indien de kinderen, reeds in hun namen, wisten dat zij ooit het erf moesten behoeden, en dat zij ooit voedsel moesten verzamelen voor, steeds opnieuw, de volgende kinderen.
Van de genoemden was zeker Gerlach de dapperste, en tevens de vrolijkste. Hij riep ook telkens zijn vrienden op om hem te vergezellen in het woud. Alhoewel de ouderen waarschuwden voor verre tochten, toch zagen zij de ontdekkingsdrang van de jongeren instemmend aan. Ook zij hadden immers ooit het ontluikende leven van boom en struik, van bloem en veldgewas, van vogel en loopdier, voor de eerste maal met verwondering mogen bekijken bij verkenningstochten.
Ook
op die dag, een zomerdag waarover ik u wil verhalen, riep Gerlach zijn vrienden
samen om het woud in te trekken. Björn, de weldoorvoede die steeds hongerig
leek, sputterde nog even tegen omdat de pas geplukte appelen nog niet verorberd
waren, doch snel sloot hij zich aan bij de vriendengroep.
Het geluid van Freudgars' zelfgemaakte snaarinstrument klonk met heldere tonen, en maakte de uitbundigheid van de zomers bloeiende bomen nog stralender.
Na enkele uren, waarin het groepje zelfs de bewegingen van zwarte kraaien en kleurrijke spechten had gadegeslagen, stil liggend in een mosbed dat hen haast onzichtbaar had gemaakt, besloot Gerlach tot een rustpauze op een open plaats in het woud. De jongens legden zich neer, en het was allerminst toevallig dat Björn als eerste naar de meegebrachte appelen greep. De luidruchtige kring van eters lette helemaal niet meer op de omgeving, en had enkel aandacht voor de verhalen van eigen heldendaden, en uiteraard voor de voedende vruchten.
Pas nadat een schaduw over hen heen viel keken zij op, en stelden vast dat een man vlak bij hen stond. Het was een grote, rijzige man, gehuld in een rendiervacht, samengehouden met een gordel waaraan een grote gesp prijkte. Aan zijn heup bengelde een vervaarlijk groot zwaard, waarvoor zelfs de sterkste sibbesmid nog ontzag zou betoond hebben.
De jongens, van geen kleintje vervaard, sprongen op en bereidden zich voor op een gevecht. De rustige, ontzag afdwingende stem van de man stelde hen echter gerust. Deze man had niets kwaads in de zin. "Jongens, mag ik me bij jullie zetten" ? De jongens keken even naar Gerlach, die instemmend knikte, waarna Vergald als eerste een uitnodigend gebaar maakte. En allen plaatsten zich opnieuw in een kring, ditmaal echter met alle aandacht gericht op de vreemdeling. Björn had ondertussen ook zijn zelfzekerheid herwonnen, en reikte de man zelfs een der appelen aan.
"Mijn naam is Heimdall", sprak de man, "en jullie gastvrijheid siert de sibbe waarvan gij de erven zijt". De jongens schrokken wel even, want was Heimdall niet de God die de brug naar Asgaard bewaakte ? "Ik zie aan jullie gelaten dat jullie mijn naam kennen. Inderdaad, Noordlandse Goden bezoeken regelmatig de aarde, om te weten of de eerbied voor de wetten nog groot genoeg is. Enkel wanneer jullie de eigen sibbe behoeden, net zoals ik die de brug naar Asgaard bewaak om te waarschuwen bij invallen van Reuzen, enkel dan worden de wetten trouw nageleefd."
In stilte vroeg Björn zich af of ook het eten van appelen en noten tot die bewakingsopdrachten behoorde, waarna zijn maag - als had zij zijn gedachten gehoord - een rommelend geluid voortbracht. Verwijtend keken de jongens even naar Björn, om dan opnieuw alle aandacht aan Heimdall te schenken.
"Het is trouwens geen toeval dat jullie vandaag het woud introkken", sprak Heimdall. "Jongens die reeds twaalf jaaromwentelingen in de sibbe doorbrachten, verdienen het om te worden ingewijd in de twaalf opdrachten van het Noordlandse leven". Na deze woorden werden de jongens pas echt stil. Heimdall zou hen immers een geheim vertellen, waarover zij de ouderen reeds hadden horen praten. Van hen hadden zij vernomen dat de levensopdrachten als de klei waren die de muren van woningen samenbond, zij vormden de gordel rondom de warmende kleding, de denkbeeldige kroon op het hoofd van de sibbevader.
"Een
allereerste opdracht is: blijf een ganse jaaromwenteling vlam. Blijf vurige
aansporing voor hen die u omringen. Want indien de mannen van een sibbe de
eigen vlam laten doven, blijft niemand over om ze opnieuw aan te wakkeren. De
vlam in uw hart zal degenen die vandaag nog zwakker zijn overtuigen dat zij naar
u moeten opkijken, en dat gij hun vertrouwen waard zijt.
Blijf, tweedens, blijf kring van kameraden. Want enkel indien gij samen blijft werken aan een sterke toekomst, enkel dan zal een sterk volk het Noordse land blijven bewaren en behoeden voor invallen door slavenhalers.De derde opdracht is zo mogelijk nog korter: blijf blij."
Gerlach glimlachte even, want hij wist dat de ouderen van de sibben meermaals zijn uitbundigheid en grappen schijnbaar afkeurden, omdat hun rust werd verstoord. Hij wist echter ook dat deze afkeuring niet gemeend was, en dat de ouderen maar wat graag opnieuw zijn jeugdige overmoed zouden bezitten.
"Blijf blij, zo zegde ik, want de blijheid van jonge harten zal ook volgende generaties kunnen aansporen tot volgehouden inzet. Treurnis roept nooit tot medestrijden, blijheid werft.
Ook fier zult gij moeten blijven. Trots op datgene wat uw voorouders verwierven, op datgene wat zij u leerden. Slechts volkeren die van nature slaafs zijn kunnen zichzelf verloochenen. Gij, echter, Noordlanders, moet uw harde zielen trots bewaren. De sibbe, die gij ook zult moeten leiden en lering geven, ten bate.
Moed zal u sieren. Niet door in zomerse nachten luide te verkondigen dat de winter u geen angst inboezemt, en dat gij alle demonen alleen wel zult verslaan. Wel door in winterse nachten de vacht om te slaan, de jachtwapens te nemen, en voedsel te halen voor degenen die op u rekenen.
Trouw, doorvoelde trouw moet uw kenmerk zijn. Want trouw aan eigen aard, aan eigen waarden ontsierde nooit iemand. O, ik weet dat ontrouw vanwege degenen waarvan gij zulks het minst verwachtte de meest ontgoochelende ervaring is die gij ooit zult opdoen. Maar wie ooit een eed uitsprak, en echt geloofde in de waarde van een nobele eed, zo iemand zal sterker zijn bestaan beleven."
Deze laatste zinnen ontgingen de jongens wel een weinig. Tot nu toe hadden zij immers enkel trouw beloofd aan elkander, en beloofd dat zij de geheime plaatsen in het woud niet zouden verraden aan andere groepjes. Maar Heimdall leek zo ernstig dat zij hun gefronste wenkbrauwen toch maar weer in de gewone plooi trokken, en voor waar aannamen dat sommigen de eden en beloften durfden te verbreken. In stilte namen de jongens zich echter voor dat dergelijke oneer hen nooit zou overkomen.
"Zorg dat gij in elke woonst welkom zijt. Want enkel zo kunt gij de boodschap van de sibbevormende waarden uitdragen. Wie welkom is, zal ook vragen krijgen over het hoe en waarom van leven en zijn. Enkel wie een graaggeziene gast blijft zal de lering kunnen verder zetten, en hem zal zelfs worden gevraagd om lering.
Blijf geloven in de altijddurende kringloop. Indien gij u enkel verlaat op de eigen belevenissen, zonder eerbied voor het erfgoed van degenen die stierven, en zonder voorbereiding voor degenen die u zullen volgen, dan zal de samenstelling van het geheel voor u ondoorgrondelijk blijven. Zon zal aarde aanvullen en voeden, natuur zal bovennatuur ontmoeten, ongrijpbare sterren zullen de grootsheid weerspiegelen die in een eerlijk mens moet leven.
Sta op! Want luie mensen zullen nooit de rendieren vangen die de sibbeleden gedurende de winter moeten voeden. Sta telkens weer op, ook wanneer tegenslag u lijkt gekluisterd te houden, ook wanneer gij u liever zoudt koesteren aan een warmend vuur. Wanneer echter degenen die aan uw hoede worden toevertrouwd op u rekenen, sta dan op en vecht voor hun bestaan."
Deze laatste opdracht leek Freudgar wel vreemd. Wat was er nu gezelliger dan een opflakkerend vuur, terwijl de wintervoorraad werd aangesproken ? Kon het zijn dat weggaan van een vuur om nieuw voedsel te verzamelen ook vreugde schonk ? Dat het aanbrengen van voedsel en warmtebrengende vachten een mannelijke daad was ?
Nu ja, hij nam maar aan dat Heimdall een wetgever was die wist wat hij zegde. Trouwens, de kracht die van Heimdall uitstraalde, en het gezag die hij als vanzelfsprekend droeg, waren sterk genoeg om Freudgar te overtuigen.
"Blijf vertrouwen. Vandaag zijt gij ervan overtuigd dat allen in deze kleine kring de levenswetten, de levensopdrachten, zullen vervullen. Weet echter dat ook sommigen onder u zullen kiezen voor het nietsdoen, en voor het teren op de inspanningen en op de trouw van anderen. Wanneer gij echter vertrouwen blijft hebben in de levenskrachten van uw sibbe, dan zal steeds sterkte u blijven leiden. Want zoals elke nacht door een dag wordt gevolgd, zo zal ook elke zwakkere door een sterkere worden opgevolgd.
Blijf sibbe. Blijf groep van gezinnen, mannen vrouwen en kinderen. Want nooit werd slechts één deel van een sibbe, één deel van het Noordlandse volk uitgedaagd door de natuurelementen. Steeds moesten allen, schouder aan schouder, elk met de eigen verantwoordelijkheden, de harde kamp aangaan. En elk deel van de kamp is evenwaardig aan alle anderen. Enkel dit te weten maakt een sibbe zo hecht, zo onwrikbaar, zo levenswaard.
Blijf eerlijk. Want misschien begrijpen sommigen onder jullie nog niet welke grootse opdrachten de sibben meedragen. Weet echter dat gij dragers zijt van erfkracht. Van een erfgoed dat waarden nooit waardeloos zal achten. Dragers van een opdracht der voorouders die voorleefden dat eerlijkheid de sibben samen blijft smeden. Terwijl leugen en verraad steeds tot laffe vlucht zullen leiden."
De
jongens bleven stil. Zij hadden helemaal niet geteld hoeveel opdrachten
Heimdall reeds had opgesomd. Daarvoor waren zij te veel doordrongen van de
dwingende kracht die van Heimdalls' stem uitging, en die geen ruimte liet voor
het koele tellen. Het was dan ook pas wanneer Heimdall verder sprak dat zij
zich ervan bewust werden dat hen reeds twaalf opdrachten waren meegedeeld.
"Dit waren de twaalf opdrachten die een leven zin geven. En elke opdracht is zinnebeeldig voor een der twaalf levensjaren die gij reeds achter u hebt. Tegelijk ook zinnebeeld van elk van de twaalf maanomwentelingen die een jaar rijk is. Maar toch, na die twaalf omwentelingen blijven nog twaalf nachten over om een gans jaar van vier seizoenen vol te maken.
En ook voor die twaalf nachten bestaat er een opdracht, een levenstaak. Die twaalf nachten zult gij wijden aan vrede, aan verzoening. Gij zult die nachten benutten om na te denken over datgene wat komen moet, en om hen te eren die stierven in het voorbije jaar. Gij zult deze twaalf nachten aan de Goden wijden, en uit die wijding nieuwe dadendrang putten".
Heimdall leek vermoeid na deze lange uiteenzetting, en bewaarde een stilte. De jongens keken rondom zich en stelden met verbazing vast dat de bomen rondom de oude plek veranderd leken in sterke stuttende kasteelmuren. Terwijl in het midden van de plek een brug leek aan te vangen die hoog tot in de wolken reikte. Vol ontzag voor de kracht die van de muren en van de brug leek uit te gaan bewaarden ook zij de stilte.
"Gij zijt nu voorbereid op het Noordse sibbeleven, en kunt als mannen naar uw sibbe terugkeren", sprak Heimdall plotseling veel zachter als voorheen. Alsof hij de jongens als zijn gelijken, als mannen beschouwde, nu zij de levensopdrachten hadden aanhoord. Met kracht rechtte Heimdall zijn rug, en stond op. Met een cirkelend handgebaar groette hij de kring en stapte naar de brug. Nadat hij de eerste stappen had gezet en hij zich leek te verheffen boven het Loo, zoals een open plaats in de wouden van Noordland ook wel werd genoemd, verdwenen langzaam de muren en ook de brug.
De groep twijfelde niet aan de echtheid van de gebeurtenis. Nee, dit was geen droom geweest. Daarvoor was het gevoel van trotse kracht dat hen nu doorstroomde te sterk aanwezig. Zij stonden eveneens op, en gingen, veel stiller dan zij voorheen gewoon waren, in de richting van het Thing, de plaats voor de sibbewoningen waar recht werd gesproken. Daar legden zij de handen in mekaar, en beloofden dat de levensopdrachten door hen zouden vervuld worden. Dat zij waardige erfdragers van een groots geslacht zouden zijn.
En toen zij een tijd later in het zicht kwamen van de ouderen, zagen deze - al was het maar aan Björn die niet liep te eten - dat opnieuw een groep mannen de sibbe zou behoeden, beschermen en voeden. De ouderen wisten nu dat kortelings de jongens zouden worden opgenomen in de groep van ingewijden. Diezelfde avond nog werden de vuren hoger opgestookt, en werd de kring van mannen rond de vuren groter gemaakt. De sibbe zou leven !
