TURGEIS, DE VIKING
Turgeis was een raar man. De sibbe-oudsten vertelden dat zijn naam verwees naar de dondergod, en dat hij die naam alle eer had aangedaan tijdens een leven, getekend door strijd en verovering. Doch nu zat dezelfde Turgeis mijmerend voor zich uit te staren, met de rug gekeerd naar zijn woning die opgetrokken werd uit steen, omzoomd met taaie duinbegroeiingen. Wie die woning wilde bereiken kon maar best stevig geschoeid zijn, want de vele planten droegen evenzovele doornen.
Turgeis
had zich vele jaren geleden hier gevestigd, en was door de sibbe gastvrij
opgenomen. Hij wist immers alles van strijd, en leverde dan ook een
gewaardeerde bijdrage aan de verdediging van het sibbe-erf. Tegelijk kende hij
de zee als geen ander, en kon hij uit het zeegedrag reeds op voorhand afleiden
welke hoogte de vloed zou aannemen. Zijn waarschuwingen hadden de sibbe dan ook
meermaals voor rampen behoed. Tenslotte kon hij ook schepen bouwen op een
onnavolgbare wijze, en die kunst had hij doorgegeven aan jongere sibbeleden,
waarvoor de ganse sibbe, die ook van visvangst moest leven, hem nog steeds
dankbaar was.
Nee, de oude was geen laaglander. Hij was afkomstig van een gebied dat nog dichter bij de onmetelijke ijsgebieden lag, en waarover de meeste sibbeleden enkel wat afwisten uit de verhalen van Turgeis. Het was het gebied van de Svidan die oostelijk van een gigantische bergrug woonden, en van de bewoners van Noordwegland, die westelijk van dezelfde bergen hun sibben vormden. Het was een land zonder oogsten, zonder vee, en de mensen leefden er van in het wild groeiend graan en van bessen. Ook de jacht was een belangrijk voedingsinstrument.
Drank kenden de bewoners van dat gebied ook, en niet enkel water. Uit honing maakten zij een zeer lekkere drank die mede werd genoemd. De Noordlanders noemde dit een echte godendrank, en misschien dat het daarom was dat Turgeis, wiens naam verbonden werd met de naam van een god, nog steeds veel ontzag opriep wanneer hij vertelde over de hoeveelheden mede die hij ooit dronk.
Voor de streken die door de bergrug geschieden waren lag nog een verlaten gebied dat door de laaglanders “Danimark” werd genoemd. Mark betekende trouwens gewoon grensgebied, en in dat grensgebied woonden de Dani.
Even bedacht Turgeis dat hij misschien toch beter teruggekeerd was naar de streek tussen Danimark en het Noordwegland, waar hij geboren was. Hij had daar mensen ontmoet, zeevaarders, uit onbekende streken. Zij bereikten de kusten van het gebied met schepen die niet enkel roeiers hadden, maar ook grote zeilen uit geweven doek. Zij waren afkomstig uit steden die Turgeis nooit gezien had. Athene was er daar een van, en ook Rome. Eén scheepskapitein uit Athene, die meerdere malen teruggekeerd was, noemde het geboorteland van Turgeis Thule. Pytheas, zo heette de kapitein, vertelde ook dat hij boeken schreef waarin hij deze naam gebruikte. Ach, men kon het de vreemdeling niet kwalijk nemen dat hij het gehele Noordland verwarde met het eiland van de wijzen, het echte Thule, dat daar lag waar de dagen en de nachten telkens vele maanomwentelingen duurden.
Uit Rome kwam een schip, opgetuigd zoals dat van de Athener, dat ook zo’n boekenschrijver aan boord had. Tacitus heette die man. Hij had vooral belangstelling voor de mooie barnsteen die in het mark van de Danen gevonden werd, en waarvoor de handelaars uit het zuiden veel goud en ook zilver over hadden.
Viking.
Zo noemde men Turgeis. Het is een naam die verwijst naar het Noordse woord Vig
of slag, en naar Vikja of beweging. De stamgenoten van Turgeis, en Turgeis
zelf, waren inderdaad mensen die zich van huis weg bewogen om elders slag te
leveren. Nog steeds droeg Turgeis niet de mantels van laaglanders maar de oude
Vikingcape die één hand vrijliet. In die ene hand droeg hij dikwijls zijn korte
zwaard, dat herinnerde aan de tijden toen hij nog slag leverde. Groot was hij,
met roodglanzend haar, en ganse delen van zijn lichaam waren beschilderd met
afbeeldingen van bomen en van dieren. Doch alhoewel hij er zeer krijgshaftig
uitzag, wist ook de jeugd van de sibbe dat zij van Turgeis niets te vrezen
hadden. Integendeel, zij luisterden maar wat graag naar zijn reisverhalen, want
zo leerden zij in gedachten te reizen naar andere volkeren.
En reizen, dat had Turgeis gedaan. Reeds onmiddellijk na zijn geboorte had zijn vader een zwaard naast hem op de grond geworpen, zeggend: “Niets zult gij bezitten, dan datgene wat gij met het zwaard verwerft”. Ja, die Vikings waren niet om een krasse uitspraak verlegen. En Turgeis, die later van de vaderlijke opdracht hoorde, nam deze ter harte.
Hij begon met de zee te verkennen op zelf gebouwde bootjes. Aanvankelijk bestonden die nog uit houten steunen, overtrokken met dierenhuiden. Met een handige peddel slaagde Turgeis erin om haast uit het zicht van de kust te varen. Later bouwde hij scheepjes met eiken ribben en dennenhouten verbindingsplanken, die nog steeds enkel met roeiriemen werden voortbewogen. Tenslotte bouwde hij ook zijn eigen zeewaardige schepen. Nog steeds opgebouwd uit eik en den, maar nu ook voorzien van een zeil uit een geweven stof. De hoge voorsteven was versierd met een drakenkop, en op de achtersteven kon de kapitein plaatsnemen. Een eikenhouten roer, bevestigd aan de zijkant van het schip, zorgde voor een verbazingwekkende wendbaarheid.
Met dit schip begon de jongvolwassen Turgeis aan zijn tochten. Hij maakte gebruik van de sterren bij nacht, en van opvallende punten aan de kustlijn bij dag. Bij het oversteken van een zee wist hij zelfs de kleur van het water te interpreteren, hij zag de stromingen en rook de samenstelling van het water.
Steeds weer keerde hij terug met rijke buit. O ja, hij dreef handel en bracht voor zijn handelswaar goud en zilver mee. Maar vele sieraden en gouden voorwerpen roofde hij ook uit kastelen van de Angelen en de Saksen die de grote eilanden bewoonden. Daarvoor stelde hij zijn schip onder het bevel van meerdere hoofdmannen van de Vikings. Zo voer hij naar de grote eilanden onder het bevel van Rorik, en werden de Friezen door hem belaagd toen hij onder de vlaggen van Olaf en Harald uitvoer. Ook het Frankenrijk en de lage landen werden door hem bezocht. Het was trouwens aan de kust van deze lage landen dat hij de sibbe vond waar hij nu nog steeds vertoefde.

Eén van de verhalen waarmee Turgeis de jeugd van de sibbe begeesterde, was ongetwijfeld de beschrijving van de grote godentempel in Uppsala. Hierover klonk het (n.v.d.r.: volgens Adam van Bremen, Duits historicus, 1070): “De tempel lijkt wel volledig omhangen met goud. Zijn schittering begroet reeds van verre de bezoekers, want de tempel ligt in een vlakte, omzoomd door bergen. Drie goden beheersen de tempel. De machtigste, Thor, bezet een troon die in het midden van de tempel staat. Naast hem staan Odin en Freyr. Thor beheerst de luchten, donder, bliksem en storm, regen, zonneschijn en de oogsten. De wapendragende Odin schenkt moed aan de mannen die ten strijde trekken. Freyr geeft het volk vrede, vreugde en liefdesgenot. Aan de goden wordt geofferd. Bij ziekte aan Thor, bij oorlog aan Odin, bij het afleggen van echtgeloften aan Freyr. Bij de negenjaarlijkse plechtigheden brengen koningen, edellieden en sibbehoofden offers naar Uppsala.”
Steeds weer voegde Turgeis aan dit verhaal toe dat hij er zeker van was ooit de regenboogbrug te hebben gezien. Deze brug, die vanaf de aarde toegang geeft tot Asgaard, werd bewaakt door een indrukwekkende hoornblazer, Heimdall. En telkens wanneer de jongeren terugkeerden van een bezoek aan de oude verteller, bouwden zij van takken en bladeren in het smalle woud tussen de duinenrij en het sibbedorp tempels, en speelde een van hen de rol van de sterke Heimdall.
Turgeis wist hen ook te boeien met te omschrijven hoe sommige delen van de Noordlanden werden bestuurd. Zo was er een eiland, dat vele namen kreeg. Eerst heette het Gardarsholm, daarna Sneeuwland, en vandaag noemde Turgeis het IJsland omwille van de zeer lange winters die er heersen. Het werd ontdekt door Ingolf Arnason, die landde op een plaats waar de goden elke winter deden vergeten, door stoom en warm water uit de grond te laten spuiten. Ingolf noemde zijn landingsplaats dan ook Reykjavik, wat rookbaai betekent. Het eiland kreeg spoedig vele bewoners, omwille van de rijke voedselbronnen die bestonden uit vissen, zeehonden, walrussen, walvissen en ook omdat schapen voor warme winterkleding zorgden.
Ulfjot, een wijze Noordlander bestuurde IJsland met een rechtsprekende en wetgevende vergadering. Deze bestond uit afgevaardigden van de verschillende Things, open plekken in wouden waarop nederzettingen waren gebouwd. In een gastvrije vallei, Thingvellir, werd jaarlijks in de zomer een vergadering gehouden die Althing werd genoemd. Het werd een feestelijke bedoening - Turgeis dacht telkens aan grote plassen mede wanneer hij aan dit deel van zijn verhaal kwam - waar de afgevaardigden wetten afkondigden, maar ook antwoord kregen op vragen over strijdtechnieken. Er werden behendigheidsspelen uitgevoerd, er werd gedanst, en ook handelaars van de Noordlanden waren aanwezig. Vanzelfsprekend werd ook aan de goden geofferd, waarna de wijze besluiten van de Althing eerst aan de goden werden meegedeeld, om daarna door de afgevaardigden te worden uitgedragen over gans IJsland.
Terwijl Turgeis de gedachten aan zijn vele verhalen koesterde, en wist dat al wat hij aan de sibbe had geleerd waardevol en werkelijk gebeurd was, zakte de zon steeds verder. Zij raakte nu reeds de zee, en de onderzijde van de rode zonnecirkel leek wel te vervlakken alvorens in zee te verdwijnen. Zou de zon misschien in botsing komen met het land dat achter de horizon lag ? Turgeis vermoedde van niet, maar wist toch dat er een groot en vruchtbaar land aan de andere zijde van de zee te vinden was. En hij dacht opnieuw aan de geschiedenis die hij meermaals verteld had, de geschiedenis van Leif de zeevaarder.
Leif had van een andere zeevaarder, Bjarni, gehoord dat voorbij IJsland nog een eiland te vinden was, en daar voorbij een land waar het gras niet verdorde en waar de nachten en de dagen slechts één zonbeweging duurden, en niet vele maanomwentelingen zoals in het hoge noorden. Daarop kocht Leif het schip van Bjarni en voer uit naar dat veelbelovende land. Hij bereikte eerst een gletsjereiland en daarna het vasteland, overweldigend bebost en toch met vele groene grasvelden. Hij voer een baai in die naar dit land leidde en stelde vast dat de rivier die deze baai voedde vissen herbergde, groter dan Leif of zijn metgezellen ooit gezien hadden. Zij noemden deze vissen zalm. Tyrki de Duitser, de vader van Leif’s vrouw, ontdekte dat op het vasteland zelfs wilde druiven groeiden. Waarna de Vikings het land Wijnland noemden, omdat Tyrki zeker was dat hij deze druiven kon kweken tot zij voor wijn konden zorgen.
Toen Leif terugkeerde naar de Noordlanden, leende zijn broer Thorvald het schip, en bereikte daarmee opnieuw Wijnland. Thorvald, die grotere gebieden wilde beheersen, raakte slaags met bewoners van Wijnland die zeer behendig waren met pijl en boog. Bij een van die gevechten werd Thorvald gedood, maar een volgende reiziger, de Viking Thorfinn bouwde op Wijnland een sterke nederzetting uit.
Misschien zal ooit Wijnland opnieuw ontdekt worden door andere zeevaarders, maar het staat vast dat daar, aan de overzijde van de zee, een land ligt dat rijk is aan groene gronden en wildrijke wouden. En Turgeis vergat nooit erbij te vertellen dat Vikings zeker zouden kunnen blijven in Wijnland, indien zij maar de beginselen van het Althing zouden invoeren en met de eerste bewoners een manier afspreken om gemeenschappelijke wetten uit te vaardigen.

Toen enkel nog een smalle rand van de zon boven de zee uitstak, kwamen enkele jongeren het woud uitgewandeld. Grote jongens, grote meisjes, met een haarkleur die naast het roodglanzende haar van Turgeis best als goudkleurig kan worden omschreven. Zij zetten zich in een halve kring rond Turgeis, want zij wisten dat de valavond steeds aanleiding was om te vertellen over de goden.
En Turgeis liet zich niet lang pramen. Hij vertelde over Asgaard, het rijk van de goden, en over het Walhalla. In deze grote hal waarop 640 deuren uitgaven woonde Odin, de oppergod. Van daaruit kon hij ook de aarde zien, omspannen door de wereldslang. Zelfs een blik op Uitgaard, waar de reuzen woonden, was mogelijk vanuit die hal. In Asgard stond ook de kruin van de wereldboom Yggdrasil, waarvan de wortels reikten tot in Uitgaard en Hel, het rijk van de doden. Turgeis vertelde over Ratatosk, de eekhoorn die berichten overbracht van de wortels naar de arend die de kruin bewoonde. Hij vertelde over het achtbenige paard van Odin, Sleipnir, en over zijn twee wolven en zijn twee raven, Hugin en Munin. Ook Balder, Loki, Freya en Heimdall werden uitgebreid beschreven door Turgeis. Doch steeds weer eindigde de avond met het verhaal van de deemstering der goden, Ragnarok.
Het einde der tijden, zo vertelde hij, zal gekenmerkt worden door het instorten van de regenboogbrug waardoor elke verbinding van mensen met de bovennatuur onmogelijk zal worden. De wereldslang, niet langer gecontroleerd door de goden zal de zeeën opzwiepen tot zij het land zullen overspoelen. De reus Surtur zal trachten de goden toch nog met vuur te vernietigen, doch hij zal daarbij de aarde verbranden en daarmee het werk van de vruchtbaarheidsgod Freyr vernietigen. De sterren zullen doven, de zon zal verdwijnen. Maar ooit zal de zon wederkeren, gedragen door Balder, verkondiger van het nieuwe licht.
Al degenen die ooit geluisterd hadden naar Thurgeis’ verhalen wisten dat zij nu stilaan moesten terugkeren naar de eigen sibbewoonst. Want nu kwam het lange zwijgen, alsof Turgeis zelf moest overdenken welke symboliek hij in zijn verhalen had gelegd, en of de jongeren wel zouden weten hoe waar zijn verhalen wel waren.
Zo ging het ook deze avond. De jongeren stonden recht, en wandelden in gedachten terug naar de sibbe, niet na elk op hun beurt Turgeis op de schouder te hebben geklopt in een vriendschappelijk afscheidsgebaar. Zij lieten nooit na Turgeis te groeten, want zij wisten dat deze reeds enkele weken bezig was aan het bouwen van een scheepje. Het was opnieuw een scheepje zoals Turgeis gebouwd had toen hij nog kind was. Dennehouten ribben ditmaal, en een overbrugging van dierenhuiden. In het midden van het scheepje stond slechts één lange tafel, met daarrond houtbussels.
De sibbeleden wisten dat Turgeis op zijn manier afscheid zou nemen van de sibbe die hem zo gastvrij had opgenomen, na zijn vele omzwervingen. Hij op zijn beurt wist dat zij zijn verhalen zouden bewaren en verder vertellen. En zolang dat gebeurde zou hij verder leven en niet echt dood zijn.
Die avond dan, nadat de laatste bezoeker vertrokken was, en in het licht van een wassende maan, sleepte de oude verteller het bootje naar de zee. Hij groette nog eenmaal met een weids gebaar de duinenrij en duwde de steven in noordelijke richting. Met een snelheid die men van Turgeis niet meer zou verwachten sprong hij aan boord en hanteerde de ene peddel om de kust en de zachte branding te verlaten. En toen de sibbeleden de vuurgloed zagen boven de bomen die hun Loo omringden wisten zij dat Turgeis, de sterke Viking, naar Thor was weergekeerd.
