DE VORMING VAN THOR
Boven de vlakten bij de zee hingen dreigende wolken. Somber en grijs, zwart bijna, leek het alsof zij de aarde, Midgaard, zouden raken. Een eerste grote druppel plensde op het Thing, waarna vele druppels volgden. De grachten rondom de sibbe leken wel rivieren, zo erg regende het. Ondertussen werd het water nog opgejaagd door een huilende wind. En de sibbebewoners ? Zij waren regen en storm gewoon, en keken rustig vanuit hun beschuttende woningen toe. Straks, wanneer de storm bedaarde, zouden zij de beschadigde dijken van de grachten wel herstellen.
Ondertussen keken vanuit Asgaard de Asen toe. Zij vonden het eigenlijk maar flauw dat regen en storm de aardbewoners niet langer verschrikten. Misschien waren die Laaglanders, die de landen bij de zee bewoonden, toch taaier dan zij dachten, en moesten zij de jongere Goden bij hen om lering zenden. Deze gedachte kwam ook op bij Odin, de Heer der Asen, en zijn vrouw Frigga, ook wel de moeder van alle Asen genoemd. Zij hadden een zoon die door zijn weerbarstigheid en stugheid van aard opviel. Het had een vuurrode haardos en zijn karakter was al even vlammend. Toornig kon hij steeds weer jacht maken op de valse Loki. En alhoewel alle Asen meenden dat Loki af en toe een ranseling verdiende, meenden zij toch dat het beter was Loki gewoon te minachten omwille van zijn valsheid.
Odin en Frigga besloten op die regendag om Thor naar Midgaard te zenden, opdat hij zich eindelijk zou leren te bedwingen. En zo gebeurde.
De jonge Thor kwam na zijn reis terecht in een woud, en bij zijn zoektocht naar enige bewoning, naar mensen, hoorde hij plots kindergejoel. Hij stapte er vlug op af en zag dat twee kinderen, Robrecht en Ragna, een afgebroken deel van een boom gebruikten als schommel. De schommel leek wel een anker zoals het bij de Noordlandse snekken werd gebruikt. Op elk uiteinde zat een van de kinderen, en de middenstang diende om zich aan vast te klampen.
Thor stapte op Robrecht en Ragna toe en vroeg hen waar de sibbe was. Verbaasd om zoveel domheid, maar ook vol ontzag voor de vuurrode haardos van de onbekende jongeling zeiden zij haast als uit een mond dat de sibbe slechts enkele steenworpen verwijderd was. Zei zeiden ook dat de smid nog wel een sterke helper kon gebruiken, en dat de roodharige hen zeker sterk genoeg leek om die arbeid te vervullen.
En inderdaad, Ordwijn de smid, had slechts één sterke helper, Gunnar, en kon een tweede sterke jongeling goed gebruiken. Ordwijn zou het zich niet berouwen, want een krachtiger en ook leergieriger helper dan Thor was nergens te vinden. Hij pompte de blaasbalg dat de vuren hoog oplaaiden, terwijl Ordwijn en Gunnar moeite moesten doen om de overvloedige hitte te gebruiken om hun smeedwerk te doen. Wanneer Ordwijn en Gunnar samen de blaasbalg bedienden, zwaaide Thor op zijn beurt de smidshamer alsof hij nog nooit iets anders had gedaan. Ordwijn en Gunnar leerden Thor spoedig hoe men sterke wapens en goede werktuigen smeed, en hoe men zeer beheerst de hamer moet hanteren. Nu, beheersing was net datgene waarvoor Odin en Frigga hun zoon naar Laagland hadden gezonden. Thor leerde zo spoedig, en werkte zo hard dat gauw veel te veel werktuigen gereed waren, en dat het onmogelijk was om deze nog weg te brengen.
De
slimme Thor echter maakte een wagen uit overblijvende stukken ijzer, en spande
voor die wagen enkele geiten, die in het dorp voor melk en kaas zorgden. Deze
geitenwagen diende dan om de werktuigen te vervoeren, en het geratel van de
ijzeren wielen zorgde ervoor dat de sibbebewoners steeds wisten wanneer Thor
zijn ronde maakte.
Nadat Thor enkele jaren geleerd had hoe te smeden, en de sibbebewoners op zijn beurt had geleerd de werktuigen en wapens met kracht te gebruiken, wandelde hij op een rustige dag opnieuw het woud in, waar hij bij zijn aankomst Robrecht en Ragna ontmoette.
Steeds verder wandelde hij, genietend van de majestatische kracht der hoge eiken, en luisterend naar het gezang van de vele vogels. Het omhoog kijken maakte echter dat hij struikelde over een opening in de grond. Nieuwsgierig keek hij nader toe en bemerkte dat het een ingang leek te zijn van een of ander onderaards verblijf. Thor, die nooit vrees kende en steeds betrouwde op zijn kracht, stapte de opening in.
Zoiets moois had hij nog nooit gezien. Honderden elfjes vlogen af en aan, en het zachte geruis van hun zilverkleurige vleugels vertederde zelfs de harde Thor. Zo mooi had hij zich muziek nooit voorgesteld. Een elfje nestelde zich op zijn schouder, en bekeek de vuurrode haardos met belangstelling. "Nu", zong zij, "met zo'n afschrikkende vuurbal hoeft een man nooit angst te hebben. Maar zou jouw haar ook de dwergen afschrikken ?". Dit was een uitdaging ! Thor bromde zachtjes, omdat zijn gewone stemgeluid zeker het elfje zou verjagen: "En waar zitten die dwergen dan wel ?". Het elfje vloog voor Thor uit, en wenkte met haar armpjes alsof zij doorheen de lucht zwom met sierlijke bewegingen. Thor volgde haar en zo bereikten zij een ruw uitgehouwen ingang in dezelfde grot. "Hier begint het dwergenrijk, Svartalfaheim genaamd. Wees voorzichtig, want dwergen kunnen boosaardig zijn. Dag". Thor deed nog een poging om het elfje na te wuiven, maar zijn armen waren te groot voor de smalle grotgangen. Hij stapte dus maar gauw de dwergengang in.
Reeds na enkele passen voelde hij dat iets zijn benen vast greep. Met een snelle beweging mepte zijn ervaren smidshand naar onderen, en een luide kreun was het resultaat. In zijn hand hield hij een dwerg vast die wanhopig spartelde om weg te komen. De dwerg had een lederen schort voorgebonden, en die leek wel op de smidsschort die Ordwijn, Gunnar en Thor droegen bij de arbeid. Thor bulderde, waardoor stukken aarde in de gang naar beneden vielen: "Hé, klein scharminkel, indien mijn ogen me niet bedriegen ben jij een smid. Zeg me gauw of het zo is, want anders plet ik iedereen tot moes die mij wil doen vallen, en jij bent dan de eerste !". De dwerg piepte: "Ja, ja, mijn naam is Brokk en samen met mijn broer Sindri beheren wij de dwergensmidse". "Die wil ik zien", zei Thor, en hij zette Brokk neer maar hield hem wel stevig bij de arm, zodat deze niets anders kon dan Thor de weg wijzen.
Bulderend
luid lachte Thor de beide smidjes uit toen hij de kleine werkplaats bemerkte:
"Kunnen jullie hier nog iets anders smeden dan naalden en kleine nageltjes ?",
spotte hij. Brokk en Sindri keken verontwaardigd. "Wanneer wij willen kunnen
wij wapens en werktuigen smeden, waar geen mensen noch Asen toe bekwaam zijn".
"O ja", sneerde Thor, "Laat dat dan maar eens zien". En vermits de brede
gestalte van Thor toch de uitgang van de kleine smidse volledig vulde zodat
vluchten onmogelijk was, zetten de dwergen zich aan het werk.
Sindri bediende de blaasbalg en Brokk smeedde. Het eerste werkstuk was een speer, een mooie rechte en glanzende speer, waarvan de dwergen zeiden dat zij steeds haar doel zou treffen. Na dit wapen smeedden de dwergen ook nog een werktuig, een hamer. Deze werd vervaardigd naar de richtlijnen van Thor zelf, die een hamer wilde die er net zo uitzag als de kinderschommel die hij bij zijn aankomst op aarde had gezien. En zo gebeurde, waarna de dwergen zeiden dat de hamer steeds zou weerkeren naar zijn eigenaar wanneer hij maar met voldoende kracht werd weggeslingerd. Brokk en Sindri, doodmoe van het harde werken, legden zich in een hoek van de smidse te slapen. Nu, aan slapende dwergen had Thor ook niets, dus vatte hij de terugtocht maar aan met de speer en de hamer als bewijzen dat hij Svartalfaheim had bezocht. En na zijn gang doorheen het elfenrijk bereikte hij opnieuw het open woud, om daarna ook snel de sibbe terug te vinden.
Zijn verblijf in Midgaard leek hem nu wel lang genoeg te hebben geduurd, en eigenlijk wilde hij ook wel de magische speer en hamer tonen aan de nadere Asen. Hij verklaarde dan maar aan Ordwijn hoe de vork aan de steel zat, en nam afscheid van Gunnar. Beiden meenden echter dat een man niet geleefd heeft wanneer hij geen sporen nalaat. Zij gaven dan ook aan Thor de geitenwagen ten geschenke, opdat deze in Asgaard zich steeds de smid en zijn helper zou herinneren. Want wie in gedachten van anderen voortleeft is nooit dood.
Thor bereikte langs Bifrost, de hemelbrug die enkel voor Asen zichtbaar wordt, Asgaard en schonk de speer aan Odin. Deze was echt gelukkig, want een dergelijk wapen zou in de vele gevechten met de reuzen zeker zijn diensten kunnen bewijzen. De hamer echter, die zozeer herinnerde aan de eerste stappen in Midgaard door de schommelvorm ervan, die behield Thor voor zichzelf.
En toen bij de eerstvolgende storm boven Laagland Thor zijn wilde kracht wilde uitleven door toch met de geitenwagen te rijden, bleek dat de Midgaarders het geratel van de wielen hoorden als was het een gerommel dat de luchten vulde. De stilte van de vroegere stormen was daarmee opeens verdwenen, en de donder was geboren. Wanneer Thor dan ook nog zijn hamer wilde beproeven en deze met kracht wegslingerde, spatten de gensters uit de doorkliefde luchten. Waardoor meteen ook nog lichtstralen werden verwekt, die de Midgaarders bliksem noemden.
Ook Asen kunnen dus sporen nalaten, en ook zij blijven eeuwig voortleven in hun daden. Wie wel wil sterven maar niet doodgaan moet spoorlegger zijn, moet sterke wapens en werktuigen smeden. Midgaarders en Asgaarders zijn allen aan deze wet onderworpen. Wie geen stormen durft te trotseren moet bij het haardvuur blijven. En wie nooit iets waardevols wil bezitten mag geen geheimzinnige elfengrotten instappen. Doch weet, luisteraar, dat een leven slechts eenmalig is. Wie kiest voor de zwakte, de oppervlakkige pret, zal slechts dit ene leven kunnen leven, want niemand zal zich ooit leegte herinneren. Dat leerde Thor van de Laaglanders, en dat vertelde hij dan ook aan de Asen, die meenden dat de lering die Thor had gegeven dubbel was terugbetaald met de lering die hij had ontvangen.
En Odin en Frigga ? Die waren fier op Thor, omdat deze tot het einde der tijden zou blijven voortbestaan in de gedachten der Midgaarders, telkens wanneer onweders over de akkers en over de heiden razen. Zo werd Thor gevormd tot schepper van donder en bliksem.
