DE SCHEPPING VAN MUZIEK.

 

Niet gestoord door sluiks blikkende vogels, noch door eekhoorns en verbaasd kijkende konijntjes, wandelden twee verliefden langs een bospaadje.  Zij hadden slechts oog voor elkaar, en lieten zich bedwelmen door de vele geluiden die als muziek de sfeer in het bos verwarmden.

 

Ariald of beschermende adelaar, en Ferun of betoverende vreugde, waren zo verliefd dat zij niet hoorden dat sommige bosgeluiden ook dreigende muziek voortbrachten.  Het kraken van dorre twijgen en het barsten van een doorbliksemde boomstam waren valse klanken, die helemaal niet pasten in de liefelijkheden waarmee zangvogels de hemel en de verliefden toeriepen.

 

Haast ongemerkt bereikten Ariald en Ferun een open plek met een zacht mosbed, midden in het statige woud.  Waar zij zich neerzetten om de wandelmoeheid uit de benen te laten wegtrekken.  Toen zij een tijdlang hadden gerust, merkten ze plots aan de overzijde van de open plek een schim, als de schaduw van een man.  Bij nader toezien bleek dat inderdaad een oude man, met donkere kapmantel, blijkbaar dezelfde zachte mosweide had uitgezocht om te rusten.  Waarbij hen opviel dat de oude man slechts één oog kon gebruiken.  Nog meer werd hun aandacht getrokken door de schijnbare tamheid van twee raven, die door de man werden gevoederd, en die helemaal geen blijk gaven van de schuwheid die andere vogels kenmerkt.
 

De verliefden waren verbaasd over de aanwezigheid, ver weg van alle woningen, van de oude eenogige, en vroegen wat hij wel in het bos deed.  Ach, zelfs verliefden, die zich nochtans aan elkaars nabijheid kunnen bedrinken, hebben af en toe nood aan een gesprek, aan het vergaren van informatie.

 

De oude man bewaarde na de vraag nog een lange stilte, waardoor de aandacht van de vraagstellers stilaan meer ging naar de verschillende bosgeluiden.  Zij schrokken dan ook op toen plots de oude toch het woord nam:  "Ariald en Ferun, adelaar en vreugde, het doet me echt plezier om te zien hoe jullie luisteren naar de muziek die voortgebracht wordt door de instrumenten van het Al.  En omdat jullie toch deze plek wilden benutten om te rusten, kan ik misschien de gelegenheid aangrijpen om te vertellen waar die muziek, waar die geluiden vandaan komen."

 

De twee bekeken elkaar vragend, en knikten dan instemmend, waarop de oude man vertelde: "Toen uit de chaos die volgde op de botsing van vuur en ijs de kringloop der werelden ontstond, heerste stilte.  Het ijs barstte geluidloos, en de reuzen gebruikten enkel hun ogen om te weten waar gevaar vandaan kwam.  Ook in Asgaard was alles stil, en de Asen hadden genoeg aan oogcontacten om te weten wat zij wensten, en om zich verstaanbaar te maken.  Toen echter Odin werd geconfronteerd met de komst van de Nornen werd alles anders.  Urd, Verdandi, en Skuld waren de drie Nornen die kwamen vanuit een ver en afgelegen rijk, en die zich installeerden bij de bron die de wortels van de wereldboom voedsel schenkt.  Na veel nadenken meenden de Asen te mogen veronderstellen dat de drie zorgden voor het Lot, het Zijn en voor de Noodzaak van al wat leeft.  Kortom voor het onderhoud van de levensdraad, waarmee alle bewoners van Midgaard verbonden zijn.

De Asen, waarvan sommigen wel eens tekenen van luiheid vertoonden, uitgenomen Thor die eeuwig zijn gespan voortjaagde en zijn hamer slingerde; sommige Asen dus keken lang naar de activiteiten van de Nornen.  Alsof zij niet begrepen wat er gebeurde.  De oudste van de Nornen, Urd of lot, meende te moeten ingrijpen, en tegelijk het starende kijken van de nieuwsgierige Asen te kunnen verminderen.

 
Zij raadpleegde Verdandi en Skuld, en samen zochten zij een mooi stukje van een der wortels van de wereldboom.  Het stukje leek eigenlijk wel op het instrument dat wij nu kennen als een luit.  Urd nam daarop als eerste een van haar eigen hoofdharen, en spande dit op het worteldeel.  Wanneer zij dit hoofdhaar betokkelde klonk een geluid als van een alomvattende zomerwind die doorheen de takken waait.  De Asen, die meteen het gehoor ontdekten keken niet enkel meer, zij luisterden nu ook verbaasd toe. 

Verdandi, die zich niet onbetuigd wilde laten, nam eveneens een hoofdhaar, dat een geluid voortbracht als van lichte voetstappen die de kracht droegen om zich eeuwig voort te bewegen. 

Het mengen van de twee geluiden maakte dat nu ook de andere Asen naderbij kwamen om het wonder van geluid, de schoonheid van muziek mee te ontdekken.

Tenslotte nam Skuld een hoofdhaar en spande het naast de twee andere op het snaarinstrument.  Dit laatste Nornenhaar klonk als galmende klokken die feestvreugde, maar ook doodsverdriet kunnen uiten.


En het samenspel der drie snaren, in éénklinkende akkoorden, klonk doorheen Asgaard, tot in Midgaard en Uitgaard.  Overal luisterden vanaf toen de wezens naar de geluiden die de natuur voort scheen te brengen, doch die eigenlijk afkomstig waren van het snaarinstrument der Nornen."

 

Ariald en Ferun keken vol ontzag naar de eenogige die zo boeiend wist te vertellen.  Zij hadden steeds het gehoor en de geluiden die zij opvingen als de gewoonste zaak beschouwd, doch wisten nu dat ook de klanken een gave van de Goden waren.  Zij keken even naar elkaar, met de oceaandiepe blik die verliefden eigen is, en besloten om nog even bij de oude man te blijven, alvorens hun wandeling verder te zetten.

 
Vooral Ferun, van nature nieuwsgieriger dan Ariald, had nog wel een vraag.  "Zeg me, oude verteller, wanneer de hoofdharen der Nornen, als welluidende snaren, de wereldgeluiden besturen en voorzingen, hoe komt het dan toch dat ook onaangename geluiden bestaan ?"

 

De eenogige wierp nog enkele broodkruimels naar de twee raven, die deze gretig oppikten, om zich daarna opnieuw naast hem te vleien.  Alsof ook zij luisterden naar het verhaal, en alsof zij wachtten op het antwoord van de oude.  "Ja, dat is een raar verschijnsel, die lelijke geluiden.  Maar jullie mogen niet vergeten dat in Asgaard alle eigenschappen die ook de bewoners van Midgaard kenmerken, aanwezig waren.


Bij de toegestroomde Asen, die genoten van de nieuwgeboren muziek, was trouwens ook Freya.   Zij had, door een beweging van Urd in haar richting, het scherpste gehoor meegekregen, althans wanneer het ging om het beluisteren van heldere tonen.  Het was dan ook Freya die meende een toon te moeten toevoegen aan de eerste akkoorden.  Ook zij nam een hoofdhaar, dat in tegenstelling tot de nornenharen glanzend en goudblond was, en bevestigde dit op het instrument.  Het bespelen liet nu plots ook vreugdetonen horen, alsof talloze nachtegalen zongen over jeugd, blijheid, liefde en kindervreugde. 

De Asen waren verrukt.  Een voor een wilden zij nu het instrument bespelen, om het de tonen en de akkoorden te ontlokken die de hemels voor de eeuwigheid zouden vervullen.  Zij herinnerden zich zelfs de stilte niet meer, omdat de klanken mooi en zuiver waren, en nooit iemand konden verstoren.  Een nevenverschijnsel van dit doorgeven van het instrument doorheen talrijke handen, was wel dat het wortelhout langzaam werd gepolijst, om een edel en glanzend instrument te worden.


Helaas, en nu komt jouw vraag aan bod, lieve Ferun die betoverende vreugde uitstraalt, tussen de samengelopen Asen bevond zich ook Loki.  Hij, nochtans de bloedsbroeder van Odin, was als de glibberige en giftige slang van leugen en sluwheid, die elk paradijs kan bederven.  Zonder dat de andere Asen iets merkten voegde ook hij een hoofdhaar toe aan de snarenbundel.  Het was ditmaal een stug, weerbarstig en vaalkleurig dik haar.  Zonder deze laatste snaar aan te slaan, gaf hij het instrument terug aan de Nornen, die het meenamen naar de wereldbron, van waar zij verder waakten over het zijn van de wezens in de Gaarden.  En toen zij het instrument wilden bespelen bleek het onmogelijk om enkel de eerste vier snaren te laten klinken.  Steeds klonk ook de sombere snaar, het dreigende geluid van onheil en vrees mee. 

En zo zal het zijn tot aan Ragnarok, de schemering der Asen, het einde van de werelden.  Dan zal het geluid van de brommende Lokisnaar voor een korte tijd de overhand behalen, en zullen de lieflijke klanken van de Freyasnaar, en de Lots- Zijns- en Noodlotsklanken worden overstemd. 

 

Waarna echter, en dat kan zeker iedereen hoopvol stemmen, een nieuw begin, een nieuwe kringloop de kans zal bieden om enkel liefelijke geluiden aan de wezens der Gaarden te geven. Tot zolang echter zullen de vijf klanken samen de wereldgeluiden vormen.  En hoezeer de bewoners van Midgaard ook pogingen zullen ondernemen om vijfsnarige instrumenten te vervaardigen, die enkel heldere tonen kunnen voortbrengen, steeds zal toch een der snaren, de duisterklinkende Loki-snaar, aanwezig zijn."

 

Ariald en Ferun zwegen nu een lange tijd.  En ook de verteller bewaarde een stilte.  Alhoewel, stilte?  Doorheen het bos weerklonken de vele geluiden die nu eenmaal de natuur kenmerken.  Alsof zij er steeds geweest zijn, en alsof alle wezens zich spiegelen en spiegelden aan de hemelklanken die vloeien uit het instrument gemaakt uit de wortels van de wereldboom, om muziek te schenken aan wie horen wil.

 

De twee namen afscheid van de oude, omdat de zon gejaagd werd door de maan, en stilaan achter de hoge bomen scheen te willen verdwijnen.  Zij bewaarden nu ook al wandelend de stilte, niet enkel om de woorden van de oude man te laten bezinken, doch ook omdat verliefden nu eenmaal weinig woorden nodig hebben om zich verstaanbaar te maken.  Zij kunnen zich nog beperken tot het aanslaan van de Freya-snaar alleen.  Echte liefde uit zich niet in lange gekunstelde volzinnen.  Want hoe langer de zinnen zijn, hoe meer de kans bestaat dat ook Lokiklanken zich opdringen.  Echte, warme en deugddoende liefde uit zich in de daden voor elkaar, in het ongevraagde helpen, in het steunen en stutten van degene die men mint, zonder bevelende dwang als wanklank.

 

Pas toen zij vanuit het statige en hoge woud opnieuw de open velden bereikten, begonnen zij zich af te vragen waarom zij toch de oude verteller onmiddellijk geloofden.  Misschien wel omdat hij, met zijn brede kapmantel, met zijn scherpziende ene oog, en met de begeleidende raven, geleek op de Alvader waarover de sibbe-oudsten reeds meermaals vertelden.

 

Dat Odin, Alvader zelf hen het verhaal vertelde konden zij nauwelijks geloven.  Tenslotte waren zij toch maar twee gewone mensen die het woud opzochten om te genieten van de rijkdom die de natuur bood.

 

Ach, de twee dachten lang na.  Om in gedachten te ontdekken dat de verteller eigenlijk had aangetoond dat mensen de muziek kunnen laten horen, en ook innerlijk kunnen aanvoelen, die zij zelf verkiezen. 

Mensen hebben dus een vrije keuze gekregen van de Asen om mooie gevoelens te koesteren of kwade gedachten.  Om jeugd en liefde te laten overheersen, of ontrouw en slangenhaat.  Deze laatste bedenking stemde de verliefden wel droef.  Alhoewel, in de laatste zinnen van de oude weerklonk toch de hoop.  Niet enkel de hoop, maar zelfs de zekerheid dat doorheen de eeuwige kringloop, ooit een wederkeer enkel zuivere klanken zal laten bestaan. 

 

Alsof de oude wilde aantonen dat zelfs na het leven enkel de klank van de trouw zal blijven voortklinken.

 

 

Terug naar top van blad          Terug naar startbladzijde