DE SAGE VAN BALDER

 

Rond talloze vuren, verspreid over Midgaard, over het ganse Noordland in een uithoekje waarvan nu gij, luisteraars, uw aandacht schenkt aan mij, verteller van ware Godengeschiedenissen, wordt in de wintertijd de sage van Balder verteld.

Balder is de zoon van Odin en van diens vrouw Friga, de koningin der Asen.  Deze zoon van God bezit een eigenschap, die in de lange loop der voorbije eeuwen tot mythe werd.  Hij bezit namelijk de jeugd.  Balder is, niet was, maar is jong, zoals anderen groot, sterk of moedig zijn.   Daarnaast is Balder geestdriftig, omdat de toekomst de jeugd, dus hem, toebehoort.  Tenzij, tenzij de dood zijn lot doorkruist.

Balder bezit alle deugden die wij hoogprijzen, zoals wijsheid, welsprekendheid en gevoeligheid.  Zo Thor al een God is van oorlog, dan is Balder zeker een God van vrede.  Vrede in waarachtige ordening, in onderworpenheid aan de wereldwetten, in trouw ook aan de Goddelijke schepping waarover Balders vader Odin regeert.

Balder is ook een romantische God.  Voor hem bestaat de ganse wereld uit poëzie en uit licht.  Zijn jeugd, zijn leeftijd blijft de leeftijd van illusies, van geestdrift en onstuimigheid.  Balder, Odins zoon, kent geen boosheid, kent evenmin lelijkheid.  Hij houdt van vogels en evenveel van bloemen.  Het seizoen van Balder is dan ook vanzelfsprekend de Lente.

Deze jonge God is zo ontzettend mooi, dat zonnestralen uit zijn gelaat, zijn haren, en uit zijn ganse lichaam schijnen te vlammen.  Hij lijkt niet alleen op de zon, hij wordt zelf zon in al zijn jonge schittering.  Balder is blond van haartooi.  Goudblond.  Beter en duidelijker nog voor jullie luisteraars die niet het vele goud aanschouwden dat uw verteller reeds mocht zien, is de aanwijzing dat Balder blond is als het rijke graan.  Hij draagt in zich inderdaad de belofte van de korenaren, de zekerheid van de zonsopgang, en de oogstvreugde die de Noordlingen kennen.  Hij verlicht met zijn stralende uiterlijk en innerlijk de ganse wereld, en vat ze samen in één gulle glimlach die geen grenzen kent.  Hij is niet zomaar vreugdevol, hij is de vreugde zelf.  Hij is de God van de volle dag, van de onuitgesproken belofte, want de zon is onsterfelijk.

Het behoort zeker tot het onafwendbare lot van de besten onder ons dat zij ten onder zullen gaan.  Dat zij zullen bezwijken onder de slagen van het verraad.  Wat laag is haat immers altijd wat nobel is.  In het verborgene van onze zielen, in de steeds aanwezige maar onzichtbare wereld van Asgaard, het land der Asen, begint deze geschiedenis.

In een tijd, toen goedheid heel wat meer inhield dan enkel maar gespeelde liefdadigheid om anderen te beïndrukken; in die tijd had Balder een vreemde droom.  Hij zag zichzelf als dode.  En toen hij ontwaakte en zich de jonge ogen uitwreef, waren de noodlottige en de bezwarende schimmen nog steeds niet verdwenen.  Hij ging dan ook naar de Asen toe, en vertelde hen wat zijn nachtrust had verstoord.  De Asen begrepen dat de droom van Balder, de nare en geestesbezwarende droom, een voorspelling bevatte.  Zij zeiden tegen elkaar: "Laten wij de beste onder ons beschermen tegen wat hem komt bedreigen". Want Balder was bij hen zeer geliefd.  Zij herkenden in hem immers de volheid van de bovennatuur.  En zij wilden degene respecteren en behoeden die, meer dan iemand anders, verdiende onbekommerd te leven en licht te schenken.  Wie mooi is, rechtvaardig en goed, mag immers niet sterven.  Zo meenden althans de Asen.

Friga, Balders moeder, vroeg en kreeg een antwoord vanwege het Lot.  Lot dat kan voorzien, alles wat in deze en tevens in de andere werelden kan gebeuren.  Lot sprak: "Uw zoon Balder zal worden gespaard door het vuur en door het water, evenals door het ijzer, door stenen, aarde en hout.  Hij zal geen ziektes kennen, die andere wezens kunnen kwellen.  Viervoeters, serpenten en ook al wat vliegt; allen zullen zij hem sparen, op uw vraag".  Friga dan begon een tocht doorheen de werelden, en vroeg aan alle wezens te beloven dat zij Balder zouden sparen.  De eden werden gezworen.  In een wereld waar eden en verbintenissen heilig en dus onaantastbaar zijn, werd aldus plechtig besloten.  Want mensen noch Goden konden een eed teniet doen.  Het gezworen woord overwint steeds elke geschreven wet, en dit gezworen woord luidde: "Balder is onkwetsbaar !".

Toen zij dit woord vernamen waren de Asen verheugd.  Zij plaatsten Balder op een hoogte in de volle zon, temidden van het Thing, de plaats waar de vrije mannen evenals de Goden zich verzamelden.  Om zich te vermaken gooiden de Asen met zware stenen naar Balder, en zij schoten scherpe pijlen in zijn richting.  Een onzichtbaar harnas beschermde hem echter, en hij bleef zijn verwarmende glimlach uitzenden.  Hij wist zich immers beschermd door een belofte, een eed, en begreep dat niets hem kon deren.

Loki, ook een bewoner van het Walhalla, was even mooi en even jong als Balder.  Nee, luisteraar, ik moet mezelf verbeteren: Loki was bijna even mooi en bijna even jong als Balder.  Het was nu net dat geringe verschil, verscholen in het woord 'bijna' dat het hart van Loki vervulde met bitterheid en met naijver.  Het spel der Asen, met stenen en pijlen, dat de roem van hem die hij zijn rivaal achtte nog vergrootte; dat spel was hem onverdraaglijk.  Maar wat te doen tegen de belofte van het Lot ?

Loki die sluw was, zocht een weg om toch Balder te kwetsen, en wilde daarvoor alle nodige inlichtingen verzamelen bij Friga, Balders moeder.  Hij veranderde dan zichzelf in een oud vrouwtje, dat er helemaal niet schrikwekkend maar eerbiedwaardig uitzag, en ging zo naar Friga toe.  Hij vroeg haar als terloops: "Men speelt daar een gevaarlijk spel met uw zoon Balder, daar op het Thing.  Maakt u zich daarover niet ongerust ?".  Friga, vertrouwend op de belofte, antwoordde vrijuit: "Niets kan Balder kwetsen, niets kan hem raken, zo werd mij gezworen.  Alle dingen, behalve één, beloofden plechtig om Balder te sparen". In de ogen van de kwaadwillige Loki weerspiegelde een wreedaardig licht, toen hij vernam dat toch één ding de belofte niet had afgelegd. 

Na vele vragen vertelde de nietsvermoedende Friga: "in het Westen van het Walhalla groeit de maretak.  Het is echter een onbeduidend plantje, en het is het enige aan hetwelk ik niet vroeg om mijn zoon geen kwaad te berokkenen".  Loki wist nu genoeg.  Hij begaf zich naar het westen van het Walhalla, zocht en vond daar de maretak.  Na lang zoeken achtte hij een tak ervan geschikt voor zijn plannen.  Hij plukte die tak van de maretak, en sneed deze tot een scherpe pijl.  Daarmee ging ook hij naar het Thing, waar het spel der Asen nog steeds verder ging.

Höder, één der broers van Balder was blind.  Hij hield zich dan ook afzijdig van het gooien naar de onkwetsbare Balder, vrezend dat zijn blindheid ertoe zou leiden dat anderen de projectielen op zich zouden krijgen.  De blindheid van Höder maakte ook dat hij het kwade niet kon zien en enkel de stem van Loki kon horen.  "Doe toch zoals iedereen," zei Loki, "eer de onkwetsbaarheid van Balder door ook op hem een pijl af te schieten.  Heb je geen wapen ? Kom, ik zal u een maretakpijl geven.  En vermits je blind bent, maar ik je toch wil laten deelnemen aan het Asenspel, zal ik ook nog je hand leiden".  De blinde Höder nam de maretakpijl aan, legde deze op een boog, en liet zijn hand door Loki leiden.  En de pijl raakte Balder...

Plotseling bekeek deze alle hem omringende Goden met een intense verbijstering op het gelaat.  De plotse pijn die hem doorvlamde vervormde zijn gezicht.  Hij stortte neer in het midden van het daarnet nog feestelijke Thing.  Zijn lichaam strekte zich uit op het eeuwig-groene grastapijt.  Een zachte bries bewoog zijn golvende graankleurige haar boven het niet meer glimlachende gelaat.  Balder, de jeugd, was dood.

Balders dood was zowat het allerergste wat mensen en Goden kon overkomen.  Ontzet en stilzwijgend stonden zij roerloos rondom hem.  Onbeweeglijk, ongelovend nog, en diep gepijnigd.  Geen enkele durfde het aan om de moordenaar te beschuldigen, want het Thing stond onder de bescherming der wetten.  Loki wist dus dat hij zijn lage en wraakroepende misdaad pleegde op een heilige plaats, waar geen wraak mocht worden genomen.  Trouwens, welke wraak kon groot genoeg zijn om terug leven te schenken aan de zoon van Odin en Friga?  Slechts diepe, intens diepe stilte kon enigszins het onmetelijke lijden der Asen uitdrukken.  Er volgde dus geen klacht, men hoorde geen kreet.  Slechts tranen, overvloedige maar stille tranen werden zichtbaar.  De Noordse Goden lijden zonder klacht.

Odin nu was de meest verscheurde van alle.  Met Balder verloor hij immers zijn meest geliefde zoon.  Met Balder stierf de jeugd, de jonge blijheid, het jonge licht.  Loki had Höders arm misbruikt teneinde de hoop te doden.

Het dode lichaam van Balder op de schouders gedragen, zo trok een droeve stoet van Asen naar de oever van de zee.  Waar in eeuwige regelmaat de golven af en aan bleven rollen.  Tussen de vele boten lag ook Hringhorni, Balders boot.  Op het grote zeil prijkte nog het teken van de zon, het zonnerad.  De Asen brachten Balders lichaam aan boord van zijn eigen boot, en legden het, naar aloud Noords gebruik, op een brandstapel. 

Een volgend drama speelde zich af op de boot, toen Nanna, de vrouw van de jonge God die deelgenomen had aan de tocht, plots stierf van mateloos verdriet.  Enkel totale droefheid vervulde nog haar hart en liet geen plaats meer voor leven.  Ook zij werd dan naar dezelfde brandstapel gedragen en naast haar man, Balder, gelegd.  Zij waren waarlijk één in leven en in dood.

Vlammen laaiden hoog op.  Een sombere zwarte rookwolk rukte hemelwaarts, terwijl gensters rondvlogen, en een intense verschroeiende hitte zich verspreidde.  Enkel Thor, de geharde, enkel hij naderde de brandstapel.  Hij zegende de beide lijken samen met het allesverterende vuur, door één groots zegenend gebaar te maken met zijn hamer Mjöllnir.

Achter hem stonden alle Noordse Goden.  Terwijl rondom hem de Walkuren hadden plaats genomen, die lansen en schilden meedroegen versierd met vele runetekens.  Njörd, de zeegod nam deel aan de dodenhulde, evenals Frey, God van de vruchtbaarheid en Freya, Godin van de liefde.  Dit alles terwijl Heimdall zijn paard Gulltopp besteeg, en op de gouden hoorn een tragisch afscheidslied uitvoerde.  Tenslotte werd ook Balders paard, gezadeld en getoomd met het feestelijkste getuig, naar de brandstapel geleid, om zo zijn meester in de dood te kunnen volgen.

Vlammen verteerden reeds reling en roeibanken, wanneer de Asen eindelijk besloten het schip af te duwen van de oever.  De fjord weerspiegelde de vlammen, en de grote brandstapel, die nu zijn hoogste kracht bereikte, leek het ganse Walhalla wel te verlichten.  Opgeslokt door de zee en door de nacht verdween het vuur uiteindelijk toch aan de einder.  De God van de jeugd, de jeugd zelf, was aangekomen in het dodenrijk, in Hel.

 

Heeft dit verhaal u stil doen worden, luisteraars in de kring ?  Zaagt gij in de vlammen alsof zij u verplaatsten naar de brandende boot van Balder ?  Voeldet gij de droefheid van de nacht die ons omringt, alsof deze meetreurde om de dood van jeugd ?  Weet dan dat Lente niet kan sterven. Niet echt kan worden doodgemaakt.
Want opnieuw zal volle en brandende zomerzon de aarde verschroeien.  Waarna woeste herfstwinden de bomen, die nu in rust rondom u staan, zal ranselen, schudden en van hun bladerdak zal ontdoen.  Onbarmhartige wintervorst zal opnieuw de beken doen stollen.  Het land zal dood lijken, zoals ook Balder dood lijkt. 

Dan, wanneer alles onder wintervacht bedolven is; dan zal de Lente weerkeren.  Dan zal opnieuw de zon, de eeuwig stralende, haar loop herbeginnen naar de hoge tijd van haar beweging.  Zoals dus de seizoenen elkaar zullen opvolgen, zo ook zullen de dode Goden herleven.  De zoon van de God is niet dood maar zal verrijzen. 

Balder slaapt enkel in het meest verborgene hoekje van Hel.  Van hem was in een droom voorzegd dat hij dood zou gaan, en Hel moest doorworstelen.  Maar eens zal hij, stralend en zegevierend, vreugdegevend en jeugdschenkend als nooit tevoren, aan de hand van Odin, zijn vader, terug onder ons verschijnen. 

Het zij zo.

 

Terug naar top van blad          Terug naar startbladzijde