OPDAT DE SIBBE LEVE

 

Een genster steeg hoog in de lucht, en leek te verdwijnen tussen de talloze sterren die het uitspansel sierden. 
Eilbert, zoon van Adilbert, moest denken aan een van de vele verhalen.  In dat verhaal werd verteld hoe de Asen belaagd werden door woeste reuzen, en hoe zij de vuurbrokken die de reuzen naar hen gooiden, met onbedekte handen opvingen om deze ver weg te slingeren.  De vuurbrokken werden met zo’n kracht weggeworpen dat zij de schedel van Ymir bereikten, die als een sterk gewelf Midgaard beschermde.  Daar vormden zij de sterren die de nacht zo mooi en ook zo onbegrijpelijk maakten.

De rustige, sonore stem van de sibbevader trok na deze overdenking opnieuw de aandacht van Eilbert.  Hij keek rond zich, en stelde vast dat de kring van sibbegenoten rondom het vuur met aandacht luisterde naar de spreker.  Want in deze wendetijd, op het einde van de tijd waarin al de grassen spontaan opschieten, en wanneer iedereen wacht op de nieuwe bloei van de wilde gewassen, was de sibbe verzameld om te luisteren naar de sibbevader. 

Waarom was het toch zo moeilijk om de aandacht te bewaren voor datgene wat de sibbevader vertelde ?  Misschien liet Eilbert zich wel te veel afleiden door de aanblik van Runa, de dochter van de sibbevader.

“Ach, ik ben maar een verteller”, hoorde Eilbert de rustige stem klinken, “en vele, vele geslachten voor mij bouwden aan deze verhalen, en vele geslachten na mij zullen verder bouwen. Pijnig daarom uw geesten niet, want zij zijn te klein om tijdens één leven te begrijpen en te bevatten wat de goden in vele tijden schiepen.  Het zijn deze goden die doorheen de tijden leven, en die niet gebonden zijn aan onze korte levenstijd, die de verten maakten.  De verten in de tijd, de verten in de ruimte.  Wie dom is ontkent de verten, wie slim is gebruikt zijn verbeeldingsvermogen om zich deze verten voor te stellen”.

Eilbert droomde opnieuw weg, geboeid als hij was door de wijze waarop Runa haar haren schikte, de wijze waarop zij het hoofd lichtjes opzij boog om beter te horen wat de verteller zei, de wijze waarop zij met één arm op de aarde steunde.  Hij wist hoe waardevol de vertelling was, en hij wist ook dat hijzelf deze vertelling mogelijk moest aanvullen met nieuwe ontdekkingen.  Want de sibbe kon getroffen worden door honger waardoor ouden konden sterven, en kon verwikkeld worden in een strijd met degenen die gronden roofden.  En wanneer hierdoor vertellers moesten wegvallen, dan werd hun taak overgenomen door nieuwe strijders, nieuwe jagers, nieuwe vertellers.  Maar al deze overwegingen moesten wijken voor de aanblik van Runa die nu haar kleed zodanig schikte dat Eilberts aandacht getrokken werd op de gordel die zij droeg.  Het was een gordel waarin een steeds doorlopende lijn was verweven die talloze knopen vertoonde maar toch nooit eindigde of door de knopen werd afgebroken.  Zij schudde daarna even met het hoofd, waardoor haar haren, verlicht door het vuur, schijnbaar een eigen vurig leven gingen leiden.

Een luide knal bracht Eilbert met zijn gedachten terug in de kring.  Vele gensters stegen hoog in de nacht, want een houtstuk was gebarsten.  Het vuur laaide nu ook hoger op en onderstreepte bijna de woorden van de sibbevader.

“Ooit zal iemand komen die zegt zendeling te zijn, en het licht en het vuur te beheersen.  Hij zal u ook vertellen dat hij alles weet van de sterren, de wijze waarop de aarde ontstond, de wijze waarop zij zal verdwijnen.  Hij zal u verbieden verder te zoeken, verbieden de verhalen doorheen de geslachten aan te vullen met datgene wat de oudsten hebben gevonden.  Welnu, ik zeg u, hij zal liegen.  Want nooit zal één geschrift alles kunnen verklaren.  Nooit zal één wezen, hetzij een god, hetzij een mens, in één boek kunnen neerschrijven hoe alle sibben moeten leven, hoe zij zich moeten ontplooien, hoe zij voor hun kinderen, voor de volgende geslachten het erfgoed moeten beheren.”

Eilbert dacht aan de ontmoeting die hij had, voor de winter de weg naar de andere sibben onbegaanbaar maakte, waarbij hij hoorde over de baardige vreemdeling die sprak over een openbaring, en die misprijzen vertoonde wanneer de oudsten spraken over de vele wijzen waarop de goden hun invloed uitoefenden op het midgaardse bestaan.  De vreemdeling had ermee gedreigd dat vele vreemde strijders de sibben zouden bezetten en de oudsten verdrijven, wanneer niet iedereen geloofde wat hij zei.

“Ik ben slechts als een kleine ijsbrok”, vertelde ondertussen de sibbevader verder, “waarin de vele gedachten van wie mij voorgingen samenkomen.  Deze ijsbrok verzamelt de gedachten die als lichtstralen zijn die op het einde van de nacht doorheen de eiken de dag aankondigen.  Vanuit deze ijsbrok vertrekken opnieuw lichtstralen, nieuwgevormd, met andere kleuren, in alle windrichtingen.  Zij zullen andere vertellers bereiken, die op hun beurt de stralen zullen bundelen, aanvullen met datgene wat zij zagen en voelden, om deze te vervolledigen en verder te zenden.   Weet dat dit aanvullen de enige mogelijkheid is om doorheen de geslachten de verten te doen begrijpen.  Weet ook dat niemand, niet ik, niet gij, en ook niet de vreemdeling die komend is, het Al zal kunnen omvatten.”

Eilbert stond op om de benen te strekken.  Ook om zichzelf te dwingen opnieuw aandacht te schenken aan de verteller.  Want al te veel gingen zijn gedachten naar Runa.  Ach, luisteraar, Eilbert was jong en bouwde nog aan de eigen gedachten, aan het eigen lichaam ook.  En het zou helemaal niet lang meer duren eer hij de levenskringloop moest verder zetten, en niet enkel bouwen aan zichzelf maar ook aan de sibbe.  In eenklank met een meisje zou nieuw leven ontstaan, zou nieuw kindergelach de luchten vervullen. 

Onbewust wandelde Eilbert in de richting van Runa.  En Runa, die de wandelende Eilbert wel degelijk zag, schudde nogmaals haar haren en deed pogingen om de indruk te wekken dat enkel de verteller haar boeide.  Ook in haar groeide de gedachte aan een leven met Eilbert, beschut door hem, bereidend wat hij had gejaagd, zorgend voor kinderen, wetend dat enkel twee even-sterken, elk met eigen onvervangbare taak, de toekomst van de sibbe konden borgen.  Want een sibbe sterft nooit, wanneer sterke geslachten haar hoeden en bewaren doorheen de wentelingen van het levenswiel.

Het leek wel alsof de sibbevader de gedachten van Eilbert en Runa opving, want zijn verhaal sloot wonderwel aan bij die gedachten. 

“Alles draait en keert.  De nacht wordt gejaagd door de dag.  De ouderen worden gevolgd door jongeren, zoals de zonnetijd volgt op de koude.  Niet enkel vandaag, in de tijd die wij nu beleven, maar ook in vorige tijden wentelde en draaide alles.  Wie de spreuken van de vorige geslachten ontkent, en niet weet dat het eigen weten zal worden aangevuld door nieuwe gedachten, begrijpt het wentelen niet.  Uit de oude verhalen leren wij dat ooit de ijsvlakten de aarde beheersten, waarna vruchtbare tijden volgden.  Ook tijden waarin de wouden veranderen in zandvlakten, zullen ooit weerkeren.  Om dit te vatten zijn de gebundelde gedachten van vele geslachten nodig.  Want alles wat nog moet komen is ooit reeds gebeurd.”

Ondertussen had Eilbert de overzijde van de kring bereikt, en zette hij zich neer naast Runa.  Ja, zij keek verbaasd, alsof zij helemaal niet had opgemerkt dat de jonge, sterke Eilbert zich in haar richting bewoog.  Maar die gespeelde verbazing zal wel een der eigenaardigheden zijn die meisjes kenmerken.  Dat haar verbazing allerminst een afwijzing vormde bleek wel toen zij het hoofd, getooid met de aandacht vragende haren die zo prachtig opgelicht werden door de vlammen, langzaam naar de schouder van Eilbert bewoog.  Waarna Eilbert een beschuttende arm om haar heen sloeg, hiermee tegelijk uitdrukkend dat beiden één krachtbron vormden, één levensbron, één sterke adem die de sibbe kon verwarmen, één gedachte van vrijheid om te bouwen aan datgene wat leven levenswaard maakt: nieuw leven.

De vader van Runa, de vertellende sibbevader, zag dat niet enkel Eilbert en Runa, maar ook nog andere jongeren van zijn sibbe de weg naar elkaar hadden gevonden.  Hij wist dat wat wentelde, wat eeuwig weerkeerde, ook de sibbe zou doen verder leven.  Hij wist dat vele van zijn woorden niet gehoord waren door de jongeren die meer aandacht hadden voor elkaar dan voor hem, doch wist evengoed dat zijn mare, zijn boodschap, wel was begrepen.  Want jongeren hebben het recht op dromen nog niet verloren.  Omdat hun grootse dromen en hun dromen van liefde, het leven steeds zinvol zullen maken.

“Ja, leden van deze kring,” zo ging hij verder na een korte pauze, “gras zal weer groeien, kruiden zullen bloeien, kinderen zullen spelen.  Wat dood gaat zal ons gidsen naar wat komen moet.  Wat sterft zal leven in wat nieuw en jong is.  In deze wendetijd, verheugd als wij zijn omdat wij opnieuw zullen kunnen werken, bouwen en jagen.  Wij zullen nieuwe gezinnen vormen in onze sibbe, zullen water halen om kinderen te wassen.  En enkel wie het eervolle trouwgegeven minacht zal zichzelve buiten de sterke kring plaatsen.  Opdat de sibbe leve !”

Opnieuw knalde een houtstuk uiteen, en opnieuw stegen gensters naar het uitspansel.  Zij stegen hoog, zo hoog dat niemand kon zien of zij doofden of sterren vormden. 

 

 Terug naar top van blad          Terug naar startbladzijde