De sage van het Nevelland (Niebelungenlied)

naverteld door Haselas

Toen dit verhaal verscheen, als brochure in de Ragnareeks, was het bedoeld als geschenk voor twaalfjarige jongens.  De levenswende, van jongen naar jongeman, verdiende een bijzonder verhaal. 
Omwille van de achterliggende boodschap in het verhaal leek het me goed om het nu op de webstek te plaatsen, met de oorspronkelijke inleiding.  Zodat de it-knutselaars het kunnen afdrukken :-)

 

Jonge lezer,

Je bent nu twaalf, en bij deze levenswende horen gelukwensen.  Met daarbij een geschenk: dit boekje.  Toegegeven, het verhaal is niet eenvoudig en vele volwassenen braken zich reeds het hoofd over de achterliggende bedoelingen van de schrijver.  Toch leek het me aangewezen om je nu reeds dit verhaal te schenken, omwille van de kracht ervan.

In dit zeer oude verhaal, waarvan de oorspronkelijke auteur onbekend is, worden vele waarden benadrukt.  De waarde van de trouw en van de dienstbaarheid die recht geeft op leiding, maar ook de onwaarde van verraad en wraakzucht.  Vele figuren dagen op in dit verhaal, en verdwijnen soms even snel.  Het bloed vloeit soms zeer rijkelijk.  De tijdgeest waarin dit verhaal werd geschreven vroeg blijkbaar naar krachtige effecten.
Alleszins is duidelijk dat de tegenstelling tussen eer en oneer sterk in de verf wordt gezet.  En misschien is dat wel het belangrijkste dat de schrijver wilde meegeven aan de luisteraars en de lezers.  Wie eervol leeft zal eervol sterven, en dan doet het er niet toe hoe of waar een leven een einde neemt.  Wie oneervol leeft zal geminacht worden en zelfs geen vrede met zichzelf kunnen sluiten.

Wie van jullie de gelegenheid heeft- maar wacht daar nog maar enkele jaren mee - moet ook Wagners meesterwerk eens gaan bekijken en beluisteren: Der Ring des Nibelungen.  Hij mengt de sage van het Nevelland met de verhalen over de godenwereld van Asgaard in vier grootse delen: Das Rheingold, Die Walküre, Siegfried, Götterdämmerung.  Door zijn muzikale interpretatie wordt de kracht van de boodschap: eer versus oneer, nog sterker.  Zijn werk is dan ook een beklemtoning van het heidense denken dat onze voorouders bezielde.

Waarde ouders, waarde leerkracht,

U kent dit verhaal of zag reeds het werk van Wagner.  Uw begeleiding bij de interpretatie van deze sage is echt belangrijk.  De aandacht van een twaalfjarige voor een verhaal, zwanger van symboliek, kan enkel behouden blijven indien u deze symboliek ook  in zijn woorden vertaalt.  En als opvoeder kent u die woorden, kent u het voorstellingsvermogen van uw kind.
Wanneer, bijvoorbeeld, de stervende Siegfried zegt dat het breken van een gegeven woord de ultieme ontrouw is, dan ligt daarin misschien wel de kern van de ganse sage.  Dergelijke sleutelmomenten in het verhaal vragen evenwel naar uw duiding.
En wanneer u zelf de sage van het Nevelland voor het eerst moest lezen, dan wens ik ook u alvast veel leesgenot. 

Haselas

 

De  boze droom van Kriemhilde

Boergondië is een rijke landstreek in Midden-Europa.  Rijk in de betekenis van vruchtbaar, met wouden waarin wild genoeg te vinden is om de honger van de Boergondiërs te stillen, en met velden waarop een rijke oogst kan gewonnen worden.

In die landstreek ligt ook Worms, een stad aan de Rijn.  Een prachtig kasteel verheft zich aan de oever, en binnen in het slot wonen drie koningszonen: Gunther, Gernot en Giselher.  Gunther, de oudste zoon, erfde de kroon over Boergondië en bestuurt nu het land samen met zijn broers.  Zij beschermen ook hun mooie zuster Kriemhilde.  O ja, er wonen nog vele mensen in het kasteel, en zij allen beloofden Kriemhilde te dienen.  Er zijn onder meer de sluwe Hagen van Tronje en zijn broer Dankwart, evenals Ortwin van Metz, Gere en Eckehart die elk een markgraafschap beheren, Volker de vioolspeler, Hunolt die het gebouw moet onderhouden, en Rumolt de kok.  Toegegeven, deze namenlijst mag moeilijk lijken, doch in de loop van deze sage zullen al deze namen een plaats krijgen. 

Het slot is omringd door een diepe gracht, waarover de verhalen vertellen dat deze driemaal zo diep is als de breedte ervan, waardoor men enkel in de diepte het water ziet glinsteren.  De grote dubbele deur is dan ook enkel bereikbaar over een machtige ophaalbrug.

Op een nacht, bij nieuwe maan, droomt Kriemhilde dat zij een valk bezit.  Zij krijgt met dit trotse dier veel bijval tijdens de jachtpartijen.  Tot twee adelaars vanuit de hoogte neerduiken en haar valk verscheuren.  Zij schrikt wakker, helemaal bezweet, en rent naar de slaapkamer van Ute, haar moeder.  Nog slaapdronken begrijpt Ute niet onmiddellijk wat Kriemhilde vertelt, maar langzaam begint het haar toch te dagen.  Ute, een wijze vrouw die ook dromen kan verklaren, ziet in de droomvalk een edele man die op Kriemhilde verliefd is, en die zal sneuvelen in de strijd met twee vijanden.  De boze droom heeft Kriemhilde aangegrepen.  Zij is zodanig onder de indruk, niet enkel van de droom maar ook van de verklaring die Ute geeft, dat zij een dure eed zweert: nooit zal zij een man liefhebben, want zij wil de verschrikking van het verlies van iemand waar zij om geeft niet meemaken.  Zij vraagt dan ook aan haar drie broers om haar kamers te beschermen, en ervoor te zorgen dat ridders of prinsen die Worms bezoeken haar enkel vanuit de verte zullen kunnen zien.

Jaren verstrijken, en over de schoonheid van Kriemhilde wordt in gans Boergondië en ver daarbuiten, verteld.  De mannen die het kasteel van Worms bezoeken, met de bedoeling de liefde van Kriemhilde te verwerven, moeten echter zonder resultaat terug vertrekken.  Zij kunnen zien hoe mooi Kriemhilde is, hoe blond, zeg maar goudkleurig, haar lange haren schitteren, hoe helder en eerlijk haar ogen, hoe rijzig haar gestalte, maar haar hand krijgen ze niet. 

 

Siegfried, de drakendoder, veroveraar van de schat van de Niebelingdwergen

In de Nedere landen ligt Xanten, een andere stad aan de Rijn.  Daar woont Siegfried, zoon van koning Siegmund en van Sieglinde.  Zijn naam is legendarisch.  Als jongeman verovert hij reeds de schat van het Nevelland op de dwergen.  Hij is tijdens een zwerftocht rondom het ouderlijke kasteel immers getuige van een twist tussen twee dwergen, nadat hij doorheen nevelslierten aan een open plek in het woud komt.  Even plots als de nevel is verschenen, wat Siegfried niet belet om toch verder te rijden, trekt deze ook weer op.  Siegfried merkt dat hij aan de voet van een berg staat, met achter twee ruziënde dwergen een spelonk die wel een ingang lijkt te zijn.  De dwergen kijken op en roepen: “hé riddertje, verdwijn maar gauw.  Wij zijn de zonen van koning Niebeling die gestorven is.  Hij liet ons zijn schatten na, maar we kunnen het niet eens worden over de verdeling”. 

Siegfried, die de schat wel eens wil bekijken, belooft dat hij bij de verdeling zal helpen.  De dwergen zijn daarover zo geestdriftig dat zij aan Siegfried als loon voor zijn hulp het zwaard Balming aanbieden.  Ja, daar heeft Siegfried wel oren naar.  Even later draagt een knecht van de dwergen de schat uit de spelonk.  Armbanden, kronen, drinkbekers, halskettingen en andere sieraden, aan de berg gouden voorwerpen lijkt geen einde te komen.  Siegfried neemt Balming en gebruikt het zwaard om de ganse hoop in twee te delen. 
Het duurt echter te lang naar de zin van de dwergen en zij beginnen opnieuw ruzie te maken.  Nu wordt ook Siegfried erin betrokken, want zij schelden hem voor bedrieger die niet eens een hoop in twee gelijke delen kan verdelen.  Siegfried, niet bekend als een geduldig man, heft Balming hoog en mept de twee dwergen dood.  Opgeruimd staat netjes, denkt hij, en twee ruziemakers zijn het toch niet waard om zo’n schat te beheren.

Benieuwd naar wat er wel in de berg kan zitten, kruipt Siegfried door de spelonk naar binnen.  Een onverwachte zweepslag treft hem echter.  De zweep wordt gehanteerd door Alberik, de dwerg-tovenaar, die de schat moet bewaken.  Hij is echter onzichtbaar omdat hij een tovermantel draagt, en zelfs met Balming kan Siegfried de dwerg-tovenaar niet raken.  Tot Siegfried toch plotseling de onzichtbare baard van Alberik te pakken krijgt, deze stevig vastklemt en zo de kans krijgt om de tovermantel af te rukken.  “O edele ridder”, jammert nu Alberik die niet meer beschermd wordt door onzichtbaarheid, “laat me gaan en ik zal uw wensen vervullen”.  Siegfried moet over die woorden niet lang nadenken en geeft het bevel om de schat, die nog altijd voor de bergingang ligt, naar Xanten te brengen.  En Alberik, geholpen door een gans legertje dwergen brengt alles braafjes naar Siegfrieds kasteel. 

Zelf trekt Siegfried verder, hoog op een paard dat hij ook van Alberik heeft geëist, ditmaal gewapend met Balming en met een tovermantel aan zijn riem.  Hij is gelukkig, want het goud dat de Niebelingdwergen tot sieraden smeedden is nu van hem.  Overmoedig, zoals de meeste jonge mensen zijn, hoopt hij op een gevecht waarbij hij het nieuwe zwaard kan uitproberen. 

Een grote draak wordt gewekt uit zijn slaap door het hoefgetrappel van Siegfrieds paard, en de wens van Siegfried naar een stevig gevecht wordt vervuld.  Lange vuurstralen uit de neusgaten van de draak doen Siegfried eerst terugwijken, maar dan lacht hij luidkeels.  “Zo’n lelijk beest heb ik nog nooit gezien”. De draak, gewoon dat iedereen bang voor hem is, wordt woedend omwille van het lachen en stormt vuurspuwend op Siegfried af.  Deze zwaait Balming en raakt de draak op verschillende plaatsen.  Wat de draak alleen maar kwader maakt.  Hij richt zich hoog op, spuwt vuur, en wil de lastige Siegfried verpletteren.  Maar deze houdt Balming omhoog en zorgt dat het hart van de neerploffende draak doorboord wordt door Balming.  Met een dreun die wel op een kleine aardbeving gelijkt valt de draak dood neer.

Siegfried neemt een bussel gras en begint Balming te reinigen, ondertussen nagenietend van de stevige vechtpartij.  Hij stelt vast dat het drakenbloed dat bij het reinigen van het zwaard op zijn vingers terechtkomt een stevig huidschild lijkt te vormen.  “Da’s veilig”, denkt Siegfried, “een pantser zoals geen andere ridder het heeft”.  Hij kleedt zich poedelnaakt uit en neemt een bad in het bloed.  Een neerdwarrelend lindenblad komt echter op zijn rug terecht, netjes tussen de schouderbladen, en dat plekje blijft dan ook zacht en week, net zoals elke gewone mensenhuid.

Wanneer Siegfried enkele uren later Xanten bereikt, ziet hij een lange sliert dwergen die de goudschat in het kasteel dragen.  Zijn ouders, die plots een rijk koningspaar zijn, organiseren een groots feest, waar alle bewoners van de lage landen welkom zijn.  Tijdens het dagenlange feest spelen de muzikanten, dragen de koks de lekkerste spijzen rond, maar zingen ook de rondreizende skalden.  Zij bejubelen in hun liederen de heldendaden van Siegfried, de veroveraar van de schat van koning Niebeling uit het Nevelland, en van Siegfried de drakendoder.  Maar zij zingen ook van andere dingen die zij op hun reizen meemaakten, zoals over de schoonheid van Kriemhilde, die de liefde weigert aan elke man die naar haar hand dingt.

Siegfried vraagt daarop - het feest heeft voor hem al lang genoeg geduurd - aan zijn vader of hij naar Worms mag rijden.  Hij wil aan koning Gunther de hand van Kriemhilde vragen.  Koning Siegmund twijfelt, en waarschuwt voor de mogelijke gevolgen van die reis.  “Wanneer Gunther en zijn broers weigeren om jou Kriemhilde te geven, dan kan jouw trots voor een vechtpartij zorgen.  En koning Gunther heeft sterke beschermers, zoals Hagen van Tronje die naar het schijnt onoverwinbaar is.”  “Angst heb ik nooit gekend”, zegt Siegfried, “niet voor de draak, en dus ook niet voor Hagen.  Geef mij twaalf ruiters mee die door hun rijkelijke kledij aantonen dat zij het gevolg zijn van de bezitter van de Niebelingschat, en laat mij naar Worms rijden om Kriemhilde te zien”.  En de koning van Xanten geeft toe.

De stoet die het kasteel van Xanten verlaat, lijkt de helderheid van de zon wel te willen doen verbleken.  Gouden harnassen, gouden helmen, zilveren zwaardgevesten en zilveren sieraden schitteren.  Zelfs de mantels die over de paarden hangen zijn van goudbrokaat.  Siegfried zelf draagt een wijde mantel, afgezet met hermelijn.  Een harnas heeft hij niet nodig, want hij weet zich onkwetsbaar na het bad in het drakenbloed.

 

De vriendschap van Gunther en Siegfried

Na een reis van zeven dagen bereikt de stoet Worms.  Nagekeken door de stadsbewoners rijden de ruiters de indrukwekkende slotbrug over, waar stalknechten komen aangelopen om de bezoekers uit Nederland te helpen.  Zo’n rijkelijke stoet, dat moeten wel hoge gasten zijn, denken de stalknechten, en die moeten onmiddellijk geholpen worden.

De burchtbewoners kijken uit het raam van de grote zaal, en koning Gunther, en zijn broers Gernot en Giselher, de heren van Worms, vragen zich af wie die pronkerige goudvink wel mag zijn.  Hagen brengt raad.  Hij hoorde reeds de verhalen van boodschappers en verklaart: “Ik heb Siegfried uit de Nedere Landen nog nooit gezien, maar geen ander kan zo’n prachtig gevolg bekostigen.  Hij versloeg de draak en temde Alberik de dwerg-tovenaar.  Hij werd geweldig rijk door de schat van koning Niebeling en onkwetsbaar door het bad in drakenbloed.  Eigenlijk draagt hij de kroon van koning van het Nevelland, en het is dus best hem vriendelijk te ontvangen”.

De heren van Worms openen daarop de deuren van de grote zaal en laten Siegfried binnen.  Deze blikt trots rondom zich.  Hij bekijkt al de sterke mannen die het gevolg van koning Gunther vormen doordringend.  Alhoewel hij toch wel onder de indruk is van de kracht die de Boergondiërs uitstralen zegt hij, in zijn jeugdige en vechtlustige overmoed: “Ik heb van de skalden gehoord dat de sterkste ridders van Boergondië in Worms te vinden zijn.  Ik wil met al die helden wel eens een gevecht aangaan.  Boergondië bevalt me wel, tenminste dat deel ervan dat ik zag op weg hierheen, en ik wil het bezitten.  Ik zet dan ook de Nedere Landen in als prijs voor de strijd.  Kom, koning Gunther, bereidt u voor op een tweekamp, en de winnaar zal het andere rijk bij het zijne kunnen voegen”.

De aanwezige Boergondiërs zijn echt boos om de woorden van Siegfried, en grijpen naar hun zwaard.  Maar Gernot neemt het woord: “Siegfried uit Xanten, wij ontvingen ons land als erfgoed van onze dappere vader.  Wij beheren en verdedigen het, en vragen ons af waarom gij het wilt inpalmen.  Wees tevreden met uw eigen rijk en wees als buur en als gast welkom”.  Ortwin van Metz roept echter: “Vrouwenpraat is dat.  Strijd heeft hij gevraagd en die kan hij krijgen.  Grijp uw zwaard Siegfried van Xanten!”.  De trotse Siegfried bekijkt Ortwin en besluit dat deze leenman geen antwoord waard is.  Nog verontwaardigder heft Ortwin zijn zwaard, en enkel Gernot kan hem tegenhouden.  “Geen gevechten in deze zaal.  Siegfried is onze vijand niet.  Wanneer hij zijn krachten met ons wil meten in een steekspel, dan is hij als vriend welkom”.  Giselher sluit zich aan bij de woorden van zijn broer, en zegt: “Ach, waarom zouden wij ons voedsel niet in vrede met u delen?  Waarom strijd en bloed, wanneer wij ook vreedzaam samen kunnen zijn?”.

Siegfried is echt onder de indruk van de woorden van Gernot en Giselher.  Hij dacht onmiddellijk te moeten vechten met hardvochtige Boergondiërs om de hand van Kriemhilde te kunnen veroveren, en stelt nu vast dat de koninklijke broers edelmoedig en vriendelijk zijn.  Hij neemt de hand aan die Giselher uitsteekt, en schudt ook de  handen van Gernot en Gunther.  Tenslotte komt ook Hagen dichterbij en reikt Siegfried de hand.  Als de blikken van de twee mekaar treffen lijkt het echter niet alsof een held een vriendelijke tegenstander ontmoet.  Nee, het lijkt wel alsof de helderheid van de middagzon plots wordt geconfronteerd met de duisternis van de donkerste nacht.  Het is dan ook de enige handdruk die twijfelend is, en niet vast zoals de anderen.

Toch wordt de vriendschap van de Boergondiërs voor Siegfried, de Nederlander met de vranke taal en de harde uitspraken, steeds sterker.  Zij meten hun krachten niet enkel tijdens de dagelijkse steekspelen op de binnenkoer van het kasteel van Worms.  Siegfried wint ook bij het werpen van boomstammen of zware stenen, en wordt kampioen bij het speerslingeren.  Onvergetelijk is de wijze waarop Siegfried met het zwaard omgaat, en alle ridders in Worms erkennen zijn meesterschap.

De jonge held uit Xanten verheugt zich in zijn overwinningen, en zwijgt over het eigenlijke doel van zijn komst.  Hij kijkt tijdens de gevechten wel stiekem in de richting van Kriemhildes vertrekken, doch krijgt haar niet te zien.  Kriemhilde zelf daarentegen ziet de jongeman wel.  Verborgen achter de gordijnen kijkt zij naar de krachtspelen en naar de vechtspelen.  En telkens wanneer zij Siegfried de armen ziet heffen ten teken van een zoveelste overwinning, klopt haar hart sneller.  Zij vergeet dan zelfs de dure eed die zij gezworen heeft na de nachtmerrie, en droomt terwijl zij wakker is van Siegfried de drakendoder en held van het Nevelland.

 

Oorlog! 

Vele maanden gaan voorbij, zonder dat Siegfried een glimp van Kriemhilde te zien krijgt.  Het lekkere eten en drinken begint hem te vervelen, en zelfs de kampspelen boeien hem niet meer.  Op een dag bereikt echter een uitgeputte bode Worms.  Hij komt gans bezweet en bestoft aan en stormt onmiddellijk naar de grote zaal, waar hij koning Gunther een slechte tijding brengt.  De koning van Saksen en de koning van Denemarken zijn Boergondië binnengevallen, en rukken met een machtig leger op naar Worms.

Gernot meent dat men best alle leenmannen oproept om hun soldaten te sturen, zodat men de indringers kan terugslaan.  Hagen weet echter dat de tijd daarvoor te kort is, en geeft Gunther de raad om steun te vragen aan Siegfried met zijn machtig zwaard Balming.  Siegfried zegt dadelijk toe, en samen met de ridders uit Worms: Dankwart, Ortwin, Sindold, Gerwart, Rumolt, Hunolt en Volker de vaandrig, stelt legeraanvoerder Hagen een kamptroep samen.

Drie dagen trekt de troep oostwaarts, en dan zien zij in de verte de rook van de kampvuren van de Saksen en de Denen.  Een tentenkamp wordt opgetrokken om de slag voor te bereiden, maar de ongeduldige Siegfried trekt er alleen op uit om voorzichtig te verkennen, zoals hij zelf zegt.  In de nabijheid van het vijandige kamp botst hij op een groep van een dertigtal Deense verkenners die door een rijkelijk geklede ruiter worden aangevoerd.  Siegfried twijfelt niet, hij zwaait Balming en roept: “wie de draak niet vreest, vreest ook geen tegenstrevers”.  Na een hevig gevecht blijven slechts twee Denen over.  Eén van hen vlucht en de andere, de aanvoerder geeft zich over.  Siegfried roept de vluchter nog na: “zeg aan uw heren dat zij niet ongestraft de vrede met Boergondië kunnen breken”, en stelt dan vast dat zijn gevangene de koning der Denen zelf is.  De tegenstander zal morgen met veel minder geestdrift het gevecht beginnen, menen de heren van Worms die Siegfried als een held ontvangen.

Bij het eerste morgenrood begint de slag.  Balming, gezwaaid door Siegfried, slaat brede wonden in het leger van Denen en Saksen.  De Boergondiërs volgen hem, en brengen de tegenstander aan het wankelen.  De rijen openen zich, en de weg naar de aanvoerder, koning der Saksen, ligt nu open.  Siegfried stormt opnieuw vooruit en daagt de Saks uit.  Maar deze herkent plots het wapenschild van Xanten op de kledij en het schild van Siegfried.  Hij legt zijn wapens op de grond, en roept de Saksische vaandrig toe dat deze het vaandel moet laten buigen voor het vaandel van Worms.  Iedereen weet dat een vaandel enkel kan buigen voor een vaandel van een hogere of sterkere macht, en alle Saksen en Denen die dit teken begrijpen leggen dan ook de wapens op de grond.  De koning der Saksen roept zijn mannen toe dat Siegfried, zoon van koning Siegmund, onoverwinnelijk is, en dat het geen oneer is om tegen zo’n held het onderspit te moeten delven.

De Deense en Saksische soldaten worden naar huis gestuurd, maar hun twee koningen worden als gevangenen meegevoerd in de triomfantelijke stoet van Boergondiërs die naar Worms trekt.  Snelle boodschappers rijden de troep vooruit, en melden de overwinning reeds in het kasteel.  Eén van de boden wordt bij Kriemhilde geroepen en moet daar het relaas doen van de slag.  Zij luistert aandachtig wanneer de bode vertelt dat Gernot niet gekwetst is, dat Hagen en Dankwart en al de andere ridders heelhuids op weg zijn naar huis, en dat de held van Xanten eigenlijk de slag gewonnen heeft voor de Boergondische troep. 

Kriemhilde, die de meeste aandacht heeft voor het laatste deel van het relaas van de bode wordt gans rood in het gezicht, omdat zij zo blij is met de melding van Siegfrieds heldendaden, doch het niet durft te tonen aan de bode.  Zij stuurt hem dan maar weg met een rijke beloning en voert dan een rondedans van louter vreugde uit, alleen in haar kamer.

 

Het overwinningsfeest

Wanneer de troep Worms bereikt om een overwinningsfeest te vieren is het tegelijk de tijd van het lentefeest, wanneer de aarde opnieuw vruchtbaar wordt.  Deze dubbele feestreden zorgt ervoor dat alle inwoners van het kasteel, samen met alle buitenboeren, worden uitgenodigd.  Rondom het kasteel staan de versierde tenten van de troep, en ook de soldaten worden aan de tafels in het slot gevraagd.

Rumolt de kok heeft het druk, want hij bakte grote honigkoeken, en ziet erop toe dat iedereen die erom vraagt een deel krijgt.  Tegelijk vullen zijn bedienden ook de wijnglazen van alle bezoekers tot hun dorst gelest is.

Op de binnenplaats staan, tussen de lange tafels, de vaandels van het verslagen leger, en daaromheen vertonen Gallische acrobaten hun kunsten.  Ondertussen is de marktplaats van de stad ingenomen door kinderen die een reidans uitvoeren.

De ridders en de heren van Worms hebben zich teruggetrokken in de grote zaal van het slot, waar zij door Rumolt de kok verwend worden.  Onder leiding van Volker zorgt een groep muzikanten, die men spelemannen noemt, voor muziek.  En zoals het in sommige liedjes klinkt, gaat het ook hier, want “dat gaat zo de hele dag lang”.  Niet enkel de dag, maar ook de daaropvolgende nacht duurt het feest verder.

Wanneer opnieuw een dag aanbreekt buigt een van de ridders, Ortwin van Metz, zich naar de koning en zegt met een mistroostig gezicht: “Eigenlijk is dit feest zoals een taart zonder kers erop, een lentedag zonder zon.  Wij komen terug van een zegerijke veldtocht, en we moeten de vriendelijke gezichten en het lachen van meisjes missen.  De enige lach die we horen is de bulderende mannenlach, die soms enkel het gevolg is van een ietsje te overmatig wijngebruik”.

Koning Gunther meent dat Ortwin gelijk heeft, roept zijn broers Gernot en Giselher, en gaat samen met hen naar Ute, hun moeder.  “Moeder, het krijgsgeweld dat voorbij is verdient dat het uit de gedachten wordt verdreven door de lach van meisjes”, zegt hij.  De broers knikken instemmend, en Gernot vraagt dat ook zijn zus Kriemhilde aan de feesttafel zou verschijnen.  Giselher op zijn beurt nodigt de koningin-moeder uit om het gezelschap te vervolledigen.  Aan die drievoudige vraag kan Ute niet weerstaan, en zij trekt naar de vertrekken van Kriemhilde.  Zij kan haar overhalen om, samen met haar kameniersters en dienstmeisjes, mee de overwinning te vieren.

Wanneer de groep rond Kriemhilde een tijd later de grote zaal binnenkomt verstommen alle gesprekken.  De ridders staan op en buigen, onder de indruk van de schoonheid van de groep.  Enkel Hagen blijft zitten, hij is ongevoelig voor vrouwelijke schoonheid.  Al de anderen zien echter een stralende Kriemhilde, met een schitterende diadeem op het hoofd, heldere ogen, haarvlechten die voorwaarts over haar schouder vallen en tot bijna aan haar knieën reiken, en als bekroning een warmtegevende blos op haar wangen.

Siegfried, de onbesuisde en wilde jonge held, lijkt plots een marmerpilaar geworden.  Hij kan slechts kijken naar Kriemhilde als ziet hij een geest verschijnen.  In zijn gedachten, meestal enkel vervuld van hunkering naar een goed gevecht of kasteelspel, groeien zelfs gedichten.  Zoals de zonne komt na lange wintermaand, en helle maan de sterren overstraalt, zo schittert Kriemhilds hart vanuit haar ogen.  Met een korte ruk van zijn hoofd verjaagt hij de gedachten aan versjes, en besluit dat Kriemhilde zijn vrouw moet worden.  Nog liever lig ik dood in het land van de Saksen dan dat ik zonder Kriemhilde moet verder leven, besluit hij in gedachten.  En die laatste gedachte past veel meer bij Siegfried dan het maken van rijmpjes.

Gernot ziet de verwarring bij Siegfried, en stelt aan Gunther voor om Siegfried voor de duur van het ganse feest tot ridder van Kriemhilde te maken.  Het is immers de gewoonte dat elke edelvrouw een ridder tot beschermer en verdediger krijgt, die ook tijdens de spelen voor haar kleuren mag kampen.  Gunther brengt Siegfried tot bij zijn zuster, en deze geeft haar een kus, alvorens hij haar hand neemt en naast haar gaat zitten.  “Hé,” denkt Siegfried nu, “al mijn moeite was niet voor niets.  De reis naar Worms, de vele gevechten, de slag tegen Saksen en Denen, al die gebeurtenissen waren een aanloop naar dit ogenblik: het gevoel van zaligheid bij het vasthouden van de hand van Kriemhilde.”

Dagenlang duren de feesten en Siegfried wint haast alle toernooien.  Waarna hij telkens de prijs voor de overwinning ontvangt uit de handen van Kriemhilde.  Want zo is de regel: wie wint, krijgt zijn prijs van de dame van wie hij de kleuren mag verdedigen.

Alle schone liedjes kennen echter een einde, en het feest loopt op zijn einde samen met het einde van de lentemaand.  Sommige herbergen lopen al leeg, en tenten worden stilaan afgebroken wanneer de soldaten naar huis trekken.  Ook in het slot komen kamers leeg, want de gasten keren terug naar hun eigen burchten.  Siegfried meent dat hij de gastvrijheid van de Boergondiërs zou misbruiken door te blijven wanneer iedereen vertrekt, en ook hij maakt zich klaar.

Zelfs de koningen van Denemarken en Saksen mogen vertrekken.  Gunther wil eerst nog een behoorlijke geldsom vragen, maar Siegfried zegt hem dat wie onder dwang geld of goud moet afstaan, het ooit ook weer wil terughalen.  De beide koningen mogen dan ook vertrekken, nadat zij met handslag beloven nooit meer Boergondië te zullen bedreigen.  “Moge Thor ons neerhameren, wanneer wij deze eed breken”, zeggen de twee, en Gunther neemt de eed aan, en laat hen vertrekken.

Helemaal niet vrolijk gestemd geeft Siegfried zijn twaalf ruiters de opdracht zich klaar te maken voor de terugtocht.  Hij gaat nog eenmaal de grote zaal binnen om afscheid te nemen van de koning en zijn broers.  Giselher echter, de lievelingsbroer van Kriemhilde, begrijpt wat er omgaat in Siegfried.  Hij was degene die, bij aankomst van Siegfried, de juiste woorden vond om een vechtpartij af te wenden, en ook nu neemt hij het woord.  “Waarom zo’n haast?” vraagt hij.  “Uw optreden tijdens de kasteelspelen zullen wij te zeer missen.  Blijf toch nog wat.  Niet enkel de ridders die u graag als sterke tegenstrever hebben, maar ook de vrouwen uit het slot zouden uw vertrek betreuren.  Trouwens, ook Kriemhilde is een van die vrouwen”. 
Siegfried hoeft niet na te denken.  Met het stemgeluid dat de slotbewoners van hem gewoon zijn, roept hij zijn ruiters toe: “Afzadelen en de paarden terug naar de stal brengen.  En rap, want wij blijven!”

 

Brunhilde, koningin van IJsland

Aan de overzijde van de Noordzee, in een land van ijs, hete geisers en brandende lava die uit actieve vulkanen stroomt, heerst Brunhilde.  Zij is een sterke vrouw, die deelneemt aan de toernooien en alle ridders verslaat.  Zij is zo trots op haar kracht dat zij gezworen heeft enkel te huwen wanneer een man haar kan verslaan bij het speerwerpen en het steenslingeren.  Wie echter haar hand vraagt en de wedstrijden verliest, wordt gedood.

In de burcht wonen maar liefst zevenhonderd ridders met hun gevolg.  De burcht, gebouwd uit groene marmerstenen, is dan ook zo groot dat er zesentachtig torens omheen staan.  Al de ridders, al de dienaars, buigen telkens Brunhilde voorbijkomt.  Koningin Brunhilde geniet van die onderdanigheid, en meent dat nooit iemand haar zal kunnen verslaan.

Net zoals ooit met de skalden het bericht van Kriemhildes schoonheid Xanten bereikte, zo bereiken ook de verhalen over de ongenaakbaarheid van Brunhilde Worms.  Ditmaal zingen de skalden over haar kracht en over de uitdaging om haar te verslaan.  Gunther wordt getroffen door die liederen, en wil naar IJsland varen om Brunhilde te winnen als koningin.  Lang beraadslagen de ridders over het risico van dergelijke tocht, maar eindelijk beslist Hagen dat koning Gunther zijn zin moet krijgen.  “Maar”, zo voegt de sluwe Hagen eraan toe, “enkel wanneer Siegfried ons mag vergezellen, want zijn kracht kan ons helpen”.  Siegfried twijfelt, maar Gunther belooft dat hij hem als dank voor zijn mogelijke hulp de hand van Kriemhilde zal schenken.  Alle twijfel is nu weggeruimd, en Siegfried stemt toe.

Een prachtig opgetuigd schip met in top de koningsbanier van Boergondië vaart de Rijn af.  Naast de bemanning zijn slechts vier ridders aan boord: koning Gunther, Siegfried, Hagen en Dankwart.  Na een zeevaart van twaalf dagen bereikt het schip de kusten van IJsland.  Hagen bedient zelf het stuurwiel en meert tussen de rotsen aan in een ruwe inham.  Hoog boven de inham prijkt de groene burcht van IJsland, waarnaar de stoet van ridders en helpers nu opstapt. 

Vanuit de tientallen ramen die op de inham uitzien kijken IJslandse ridders toe, en ook al de jonkvrouwen die koningin Brunhilde gezelschap houden bewonderen de koninklijke optocht.  Tussen de jonkvrouwen bemerken de aankomers onmiddellijk de koningin.  Kaarsrecht staat zij, en haar ravenzwarte haardos valt op tussen het hoogblond van de jonkvrouwen.  Haar ogen zijn zo donker als een meer, daar waar het meer het diepste is.  Gunther knikt goedkeurend, en stelt voor zichzelf vast dat zo’n verschijning zeker het gevecht waard is, en dat Brunhilde een waardige koningin van Boergondië zal zijn.

Brunhilde komt nu de slotpoort uit om de bezoekers te begroeten, en richt zich tot Siegfried.  ”Welkom heer” zegt zij, “op dit eiland van ijs en vuur.  Mijn skalden bezongen uw roem al, en ik zal u met genoegen in de strijd ontmoeten”.  Siegfried is even verbluft, maar begrijpt dan dat zijn gouden gewaad voor de begroeting zorgt.  “Uw eerste groet moet naar koning Gunther gaan, heer van Worms aan de Rijn, waarvan ik slechts de leenman ben.  Het is ook Gunther die uw hand wil veroveren bij de kampspelen”.  Brunhilde lijkt even ontgoocheld, maar zegt dan dat zij de uitdaging aanneemt, en dat zij met koning Gunther zal kampen.

De knechten van Brunhilde dragen een reusachtig schild aan, een monsterachtig grote speer, en een werpsteen met een omvang die de Boergondiërs nog nooit gezien hebben.  Gunther kijkt nu echt bedenkelijk maar Siegfried fluistert hem in het oor: “Geen probleem Gunther, binnen enkele minuten is Brunhilde uw vrouw, want ik zal u helpen”.  De ridders van IJsland maken nu een grote kring, afgezoomd door hun schilden, waardoor het wel een ijzeren arena lijkt waarbinnen Brunhilde en Gunther zich moeten opstellen.  Ondertussen loopt Siegfried naar het schip, haalt de tovermantel van Alberik uit zijn reisgoed, en wordt onmiddellijk onzichtbaar wanneer hij deze aantrekt.  Niemand ziet het dan ook dat hij zich in de kring naast Gunther opstelt.

Wanneer Siegfried terugkomt heeft hij nog net de tijd om de arm van Gunther te ondersteunen, want de speer van Brunhilde is al geworpen en suist door de lucht.  Zij treft het schild met zo’n kracht dat Gunther omvergeworpen zou zijn, moest Siegfried hem niet tegengehouden hebben.  Haast in dezelfde beweging grijpt Siegfried de speer van Gunther en ook Gunthers hand.  Met hun dubbele kracht werpen zij de speer, evenwel met de stompe zijde vooraan.  Brunhilde, gewoon dat al haar tegenstanders gevloerd zijn na haar eerste speerworp, let niet genoeg op.  De speer van Gunther raakt haar schild met volle kracht, doch kan het niet doorboren omdat de stompe zijde eerst komt.  De slag gooit Brunhilde omver, waardoor zij de eerste proef verliest.

Zij gaat nu op de werpsteen af, tilt hem hoog boven haar hoofd, en slingert hem wel twaalf paarden ver.  Begeesterd slaan de ridders in de kring hun zwaarden op de schilden, waardoor een bewonderend geroffel te horen is.  Gunther stapt nu op de steen af en, met de hulp van de onzichtbare Siegfried, heft hij deze nog hoger.  Het geluid verstomt en de ridders kijken ademloos toe.  Gunther werpt, en de steen vliegt zover dat de ridders aan het andere einde van de kring hun cirkel moeten openen om niet geraakt te worden.  Er moeten zelfs geen speren op de grond gelegd worden om de afstand te meten.  Het is overduidelijk dat Gunthers worp de verste is.

De IJslandse ridders bewegen zich niet, maar kijken naar Brunhilde.  Hoe zal zij deze meesterworp opvatten.  De koningin staat even stomverbaasd te staren naar de plaats waar de steen is neergekomen, en erkent dan de overwinning van Gunther.  “Hulde aan Gunther”, zegt zij, “want hij is voortaan uw leenheer en ik word zijn vrouw”.  De ridders buigen hun knie, leggen hun zwaard op de grond, en beloven dat zij trouwe vazallen van Gunther zullen zijn.

 

Terug naar Worms, terug naar Xanten

Nadat Brunhilde afscheid heeft genomen van haar familie en van de ridders die op IJsland blijven, varen de Boergondiërs terug af.  Na een voorspoedige vaart bereiken zij de monding van de Rijn.  Siegfried, die al lang verlangt naar vaste grond, wordt daar aan land gezet en rijdt naar Worms, terwijl het schip de Rijn opvaart.

Eens in Worms aangekomen haast Siegfried zich naar het kasteel, om te melden dat de koning op komst is, met Brunhilde.  Kriemhilde luistert echter maar met een half oor, want zij is veel te gelukkig dat Siegfried heelhuids terug is van het verre IJsland.

Enkele dagen later schetteren trompetten vanop de kasteeltoren boven de ingangspoort, om te melden dat het schip van koning Gunther in zicht is.  Het duurt niet lang meer eer de stoet onder de poort rijdt.  De burchtbewoners kijken met ontzag naar de mooie en vooral krachtige Brunhilde, maar sommigen merken toch op dat zij er niet uitziet als een gelukkige bruid.  Op haar gezicht is eerder af te lezen dat zij zich gevangen voelt.  Ja, liever was zij verslagen door Siegfried, om diens vrouw te kunnen worden, maar het is nu eenmaal Gunther, denkt zij.  Zij weet immers niet dat in werkelijkheid enkel de kracht van de onzichtbare Siegfried haar heeft overwonnen.

Ute, Kriemhilde, Gernot, Giselher, zij allen begroeten de nieuwe koningin hartelijk.  Waarna Rumolt een hoorn laat klinken, ten teken dat de ontvangsttafel gedekt is.  Ondertussen neemt Siegfried Gunther even opzij, en vraagt hem of hij zich de belofte nog herinnert, die afgelegd werd voor het vertrek naar IJsland.  Gunther denkt kort na, en roept dan om stilte.  Verwonderd kijken alle aanwezigen op, en Gunther zegt: “Ik kan u met heel veel vreugde melden dat wij vandaag een dubbel feest zullen vieren.  Niet enkel zal Brunhilde met mij de kroon van Boergondië dragen, maar ook de held uit Xanten, Siegfried, zal een bruid vinden.  Hem schenk ik de hand van mijn zuster Kriemhilde”. 

Terwijl iedereen juicht, kijkt Brunhilde somber voor zich uit.  Gunther vraagt wat er scheelt, en Brunhilde zegt dat zij niet begrijpt hoe een koning zijn zuster als bruid kan schenken aan een leenman.  “Zwijg vrouw” zegt Gunther, “Siegfried is een koning net als ik, zelfs wanneer hij zegt mijn leenman te zijn”.  Brunhilde, de jaloerse Brunhilde, zwijgt nu wel, maar blijft wrokkig.  Zij voelt aan dat er iets geheim gehouden wordt, want geen koning behandelt een leenman zoals Gunther dat doet met Siegfried.  De ridders in de feestzaal, die haar boze blikken bemerken, voelen zich helemaal niet gerust.  Zij vrezen dat haar boosheid Boergondië zou kunnen schaden.

Die avond barst reeds een eerste bommetje.  Zodra Gunther de deur van de slaapkamer achter zich sluit, duwt de sterke Brunhilde hem brutaal weg.  “Eerst zeggen waarom Siegfried zich leenman noemt, en toch door iedereen – ook door jou – als koning wordt beschouwd”.  Gunther zwijgt echter, wat Brunhilde nog veel bozer maakt.  Zij grijpt de koning vast, bindt hem aan handen en voeten en laat hem zo de ganse nacht liggen.  “Je komt pas los, wanneer je de waarheid vertelt.”, zegt zij.  En hoe Gunther ook afwisselend smeekt en dreigt, niets helpt.

Beschaamd vertelt Gunther de volgende ochtend aan Siegfried wat hem overkwam.  Siegfried besluit om nogmaals een handje toe te steken, en Brunhilde een lesje te leren.

De dag gaat snel voorbij, want de kroningsplechtigheid laat geen tijd om aan iets anders te denken.  Wanneer Gunther de kroon op het hoofd van Brunhilde plaatst, en – bij Wodan – zweert dat hun beider kronen teken zijn van de eenheid en de kracht van Boergondië, dan juichen alle ridders, waarna opnieuw een feest wordt ingericht waarbij geen spijzen of dranken gespaard worden.  Ja, die Boergondiërs weten wel hoe zij moeten feesten…

Opnieuw trekt Gunther die avond de slaapkamerdeur achter zich dicht.  Hij blaast echter onmiddellijk de kaars uit, want Brunhilde strekt reeds haar krachtige armen uit om hem opnieuw vast te binden.  De kamer is plots stikdonker.  Op dat ogenblik grijpt Siegfried, verborgen onder de mantel van Alberik, in.  Stomverbaasd voelt Brunhilde hoe zij tegen de muur wordt geduwd.  Een gevecht ontstaat, waarbij haast alle meubelstukken rondvliegen door het geweld waarmee Brunhilde zich verdedigt.  Na een tijd moet zij echter opgeven.  Zij valt op de grond neer, totaal uitgeput en roept om genade.  Terwijl de sterke armen van Siegfried haar tegen de grond gedrukt houden, vraagt de stem van Gunther haar of zij een goede vrouw en koningin wil zijn.  Brunhilde, menend dat Gunther veel te sterk is voor haar, geeft die belofte.

Nadat het koninklijke paar in slaap gevallen is, opent Siegfried voorzichtig de deur en sluipt buiten.  Hij is gelukkig dat hij de broer van zijn geliefde nogmaals heeft kunnen helpen.  Wanneer hij in zijn kamer aankomt voelt hij pas dat tijdens de vechtpartij een armband van Brunhilde in zijn zak is terechtgekomen.  Nu ja, Brunhilde heeft meer dan gouden armbanden genoeg, zij zal die ene niet missen, denkt Siegfried en gaat slapen.

Na het feest, dat een ganse week duurt, maakt Siegfried zich klaar om naar Xanten te vertrekken.  Hij neemt afscheid van de ontelbare vrienden die hij in Worms maakte, en omarmt Gunther die hij zeer veel kracht toewenst om het rijk te besturen.  En de kille handdruk van Brunhilde kan zijn vreugde om het winnen van Kriemhilde niet overschaduwen.  Zijn begeleiders maken zich klaar, de paarden worden gezadeld, de wagens worden ingeladen met al de bezittingen van Kriemhilde, en Siegfried begint met haar aan de thuisreis.

Siegmund en Sieglinde ontvangen het jonge paar allerhartelijkst.  Zij schenken aan Siegfried en Kriemhilde de kroon van Nederland, en al de bewoners van het gebied aan de benedenrijn bewonderen de schoonheid van hun nieuwe koningin.  En wanneer op de binnenplaats van het slot zuivere knapenstemmen een trouwlied zingen, weten al de slotbewoners en alle omwonenden dat een sterke eed gezworen is.  De stemmen klinken:

De zonne reikt naar Hoge Tijd,
neem Freyas ring en wees bereid,
een leven vraagt naar trouwe daad.

De zonne reikt naar Hoge Tijd,
Een hart dat kampt sneeft nooit in strijd,
Bewaar uw eed voor laf verraad.

De zonne reikt naar Hoge Tijd,
Mijn stap zal gaan naar waar gij zijt,
Gegrift in eik onz' rune staat.

Siegfried heerst als een vredesvorst.  Hij is wijs en rechtvaardig, en voert geen veroveringstochten uit.  De schat van de Niebelingdwergen zorgt er immers voor dat de onderdanen geen enkel gebrek moeten lijden.

Wanneer Siegfried enkele dagen na de kroning de armband van Brunhilde in een van zijn zakken vindt, dan schenkt hij die meteen aan zijn vrouw.  En vermits hij een gloeiende hekel heeft aan leugens, hoe klein ook, vertelt hij hoe de armband in zijn zak is terechtgekomen.  Meteen vertelt hij ook maar dat hij het eigenlijk is die Brunhilde op de binnenplaats van de groene burcht in IJsland heeft overwonnen.  Getroffen door die openhartigheid legt Kriemhilde haar hoofd tegen de schouder van Siegfried, waarna beiden wegdromen in de zalige droom van man en vrouw die mekaar trouw beloven.

 

Moordplannen

Tien jaar reeds besturen Siegfried en Kriemhilde het gebied aan de benedenrijn, Nederland.  Zij hebben ook een zoon gekregen die zij Gunther noemden, ter ere van Kriemhildes broer, de Boergondische koning.  Slechts een droevig moment doorkruist het geluk.  Sieglinde, de koningin-moeder sterft en de oude koning Siegmund wordt enkel getroost door de helle lach van de kleine Gunther.  Het levenswiel draait immers onverstoorbaar verder.

Ook koning Gunther en Brunhilde hebben vrede gesloten en besturen nu samen.  Het enige dat Brunhilde nog steeds blijft dwarszitten, is de onzekerheid over de positie van Siegfried.  Op een dag vraagt zij dan ook aan Gunther om de koningen van Xanten naar Worms uit te nodigen.  Heimelijk hoopt zij hen te kunnen uithoren, om zo meer te weten te komen.  Gunther vindt zo’n uitnodiging eerst maar niets, maar wanneer Brunhilde blijft aandringen stuurt hij toch een bode naar Xanten.  De bode wordt gastvrij ontvangen, en Kriemhilde vraagt honderduit.  Hoe gaat het met Ute, de koningin?  En met mijn broers?  En met Brunhilde?  De bode meent dat die antwoorden best door de betrokkenen zelf gegeven worden, en nodigt de heren van Xanten uit om de reis naar Worms te maken.  Binnen enkele weken, zo zegt de bode, wordt ook daar de zomerzonnewende gevierd, en dat zou een uitstekende gelegenheid zijn om de familie terug te zien.  Siegfried en Kriemhilde aanvaarden, en reizen af, samen met de bode.

Wanneer de Nederlanders de slotpoort van Worms doorrijden komt Brunhilde hen al tegemoet.  Zij omarmt Kriemhilde en begroet Siegfried.  Om onmiddellijk opnieuw achterdochtig te worden.  De jonge Siegfried is immers van jonge kerel uitgegroeid tot een echte man, met koninklijke allures.  Zo’n man, zo’n vorst kan toch geen leenman zijn, denkt Brunhilde, en neemt zich voor om het zonnewendefeest te gebruiken voor een rondje vraagstellingen.

’s Anderdaags beginnen reeds de kampspelen op de binnenplaats.  Kriemhilde en Brunhilde zijn samen een eindje gaan wandelen, en bereiken een groene grasvlakte op de heuvelhelling naast de Rijn, vanwaar zij toch nog een uitzicht hebben op de kampspelen.  En alhoewel de begroeting bij aankomst hartelijk was, en de uitnodiging van Brunhilde om met zijn beiden rustig te wandelen misschien even goed bedoeld, toch kibbelen de vrouwen zeer spoedig.  Kriemhilde ziet hoe haar man de ene kamp na de andere wint, en vraagt zich luidop af of Siegfried ook de kroon van Boergondië niet waard zou zijn.  Waarop Brunhilde snibbig zegt dat een leenman steeds moet buigen voor zijn leenheer, en dat haar man, de heer van Worms nog steeds de baas is.  De vriendelijkheid is zeer ver te zoeken wanneer Kriemhilde antwoordt dat haar man nog nooit leengeld betaalde en dat hij als koning van Nederland, heer van Xanten, voogd van de benedenrijn, niemand als zijn baas moet erkennen.  Trouwens, zo voegt zij er nog aan toe, ook in de strijd is Siegfried niet te verslaan. “Kijk maar naar de kampspelen die nu bezig zijn, en kijk maar wie keer op keer wint”.

Brunhilde, rood van woede, zwijgt nu.  Zij neemt zich voor Kriemhilde te kleineren tijdens de zonnewendeviering.  In volledige stilte dalen de vrouwen terug af van de heuvel, en trekken zich terug in hun kamers.

Wanneer de zon zakt achter de bergen, en de vuren hoger oplaaien, wordt een grote kring gevormd.  De gewoonte wil dat de hoogstgeplaatste vrouw als eerste de kring betreedt.  Nog helemaal in het ruziesfeertje van daarstraks besluit Kriemhilde dat zij als eerste zal gaan.  Brunhilde die dat ziet, roept echter: “Nee, de vrouw van de leenman zal steeds de vrouw van de leenheer volgen!  Gunther versloeg mij in het kampspel op IJsland, en Siegfried stelde zich daar voor als leenman.  Uw man moet mijn man onderdanig zijn”.  Dat laat Kriemhilde zich niet zeggen, en even luid, zodat alle omstanders de discussie kunnen volgen, roept zij terug: “Ach, mevrouwtje, Gunther heeft u helemaal niet overwonnen.  Het was Siegfried, onzichtbaar door de mantel van de dwerg-tovenaar van de Niebelingen, die de speer en de steen wierp.  Het was ook Siegfried die u bedwong tijdens de eerste huwelijksnacht, en het was Siegfried die u als eerste kuste, beschermd door de mantel van Alberik”.  Dat laatste was helemaal niet waar, maar in de hitte van de ruzie doet Kriemhilde dat gemene schepje er nog maar bovenop.  “Bewijzen, bewijzen”, roept Brunhilde.  Kriemhilde toont daarop de armband die Siegfried gevonden heeft, en Brunhilde weet dat zij die armband mist sinds de bewuste vechtnacht.

Gealarmeerd door al de heibel komen de ridders naderbij, en ook Gunther en Siegfried naderen.  “Dat mens van uw leenman”, buldert Brunhilde “draagt mijn armband, en bewijst daarmee dat niet gij maar Siegfried mij als eerste kuste”.  Nog voor Gunther iets kan zeggen neemt Siegfried het woord.  Hij begrijpt de situatie, en begrijpt ook dat het domme gekijf voor een ruzie kan zorgen tussen hemzelf en Gunther die hij als een vriend beschouwt.  “Bij Wodan wil ik zweren dat ik Brunhilde nooit kuste”, zegt hij.  Waarbij hij denkt handig genoeg te zijn door het kampspel op de groene burcht, noch het gevecht tijdens de eerste nacht te vermelden.  Gunther gelooft Siegfried zonder ook maar een ogenblik te twijfelen, reikt hem de hand, en de twee laten de vrouwen met open mond achter.  Zij hebben misschien gehoopt op een strijd op leven of dood, maar de rede wint het.  De heren van Worms en Xanten worden bewonderend nagekeken door de mannen, want wie zo’n twist zo groots kan beëindigen is het waard koning te zijn.

Slechts één man mokt: Hagen van Tronje.  Ook Brunhilde ziet dat, en zij laat Hagen ontbieden in haar kamer om zich bij hem te beklagen.  Ze weet dat Hagen veel invloed heeft op de koning.  “De eed van Siegfried was misschien juist, maar minstens ontweek hij de waarheid.  Hij sprak immers niet over het kampspel in IJsland, noch over de vernederende nacht toen ik in de koninklijke slaapkamer getemd werd”.  Wenend vervolgt zij: “Zolang reeds zoek ik naar de oplossing van het raadsel en nu komt alles uit.  Niet Gunther heeft me bedwongen, maar Siegfried.  En nu mag Kriemhilde zijn gunsten ontvangen en met hem slapen.  Wat een vernedering.”  Na een poosje denken besluit zij: “Ik zal Gunther geen liefde meer schenken, zolang deze vernedering, deze smaad niet uitgewist is.”  Hagen, die zich nooit veel heeft aangetrokken van vrouwenverdriet, maar die wel denkt aan de Niebelingenschat van Siegfried, luistert enkel, en verdwijnt dan stilletjes. 

Hij stapt naar de vertrekken van de koning, en vindt daar ook de broers Gernot en Giselher, samen met Ortwin van Metz.  Hagen opent onmiddellijk het gesprek: “Siegfried moet sterven”.  Enkel Ortwin knikt, maar de broers twijfelen.  “Siegfried moet sterven, want hij beledigde de koningin.  Trouwens, wanneer Siegfried in Boergondië sterft, dan komt de kroon van Nederland toe aan de koning van Boergondië, evenals de fabelachtig grote schat van de Niebelingdwergen”.  Na deze woorden heeft hij de volle aandacht van alle vier, en hij ontvouwt zijn plannen.

De volgende ochtend bereikt een schijnbaar uitgeputte bode het slot van Worms.  Hij brengt de tijding dat de koningen van Saksen en van Denemarken hun eed gebroken hebben, en dat zij opnieuw Boergondië bedreigen.  De eerlijke Siegfried denkt er zelfs niet aan dat de bode mogelijk liegt, en biedt onmiddellijk aan om opnieuw Gunther te vergezellen in de veldslag.  Hagen lacht in zijn vuistje, want de bode is een van zijn mannen die enkel de valse aanvalsmelding brengt om Siegfried weg te lokken van het slot, en om moordenaars een kans te geven in de uitgestrekte wouden.

De troep maakt zich klaar, en Siegfried verbaast zich er wel over dat zo weinig soldaten worden opgeroepen.  Hij wijt dat echter aan zijn eigen kracht en de kracht van Balming, en meent dat de gelegenheidsaanvoerder Hagen ook rekent op die kracht, en geen goud wil verspillen aan teveel soldaten.  De avond voor Gunther, Gernot, Giselher, Ortwin, Dankwart en de andere ridders willen vertrekken, roept Kriemhilde nog eenmaal Hagen bij zich.

“Ik vrees voor het leven van Siegfried”, zegt zij, “wilt gij hem persoonlijk beschermen?”.  Hagen kijkt haar met gespeelde verwondering aan: “Hoezo, is Siegfried niet onkwetsbaar na het bad in drakenbloed?”.  Kriemhilde zucht, en zegt dan stilletjes: “Niet helemaal.  Een lindenblad dwarrelde naar beneden tijdens het bad, en op die plaats tussen de schouderbladen is Siegfried even kwetsbaar als iedereen.  Ik weet dat het een echt toeval zou zijn moest een speer of een pijl hem daar treffen, maar ik ken de onstuimigheid van Siegfried.  Een beschermer bij hem zou me geruststellen”.  De huichelachtige Hagen stemt toe, en vraagt enkel nog dat Kriemhilde een kruis in zijdelint op het hemd van Siegfried naait, net op de kwetsbare plaats.  Hij zal dan beter weten waar hij Siegfried juist moet beschermen.  En Kriemhilde, geen listen en leugens gewoon, gelooft Hagen en doet wat hij vraagt.

 

De moord op Siegfried

De troep is reeds enkele dagen onderweg, wanneer opnieuw de bode opduikt.  Hij vertelt dat zijn verkenningstocht leerde dat de koningen van Saksen en Denemarken hoorden dat Siegfried opnieuw bij de Boergondische troep is.  Daarop hebben zij rechtsomkeer gemaakt.

Siegfried meent dat de troep toch achter de koningen moet aangaan, want: “wie zijn eed breekt, moet er maar voor boeten”.  Hagen weet de onstuimige Siegfried echter in te tomen, en belooft in plaats van een strijd tegen indringers, een jachtpartij in het Odenwoud op de andere Rijnoever.  Beter dat dan niets, denkt Siegfried, en hij stemt in met het voorstel, zonder te weten dat dit alles past in de plannen van Hagen.

Een loper vanuit Worms brengt Siegfried een brief van Kriemhilde.  Dit is zo ongewoon dat Siegfried zich onmiddellijk in zijn tent terugtrekt om het bericht te lezen.  Kriemhilde schrijft dat zij een droom had waarin Siegfried achtervolgd werd door twee everzwijnen.  Zij dreven hem in een duistere spelonk, waarna de aarde beefde, de rotsen afbrokkelden, en de heide rood van het bloed werd.  Op de rand van de spelonk zag zij een grijnzende Hagen.  Zij begreep plots dat zij een grote fout maakte door Siegfrieds kwetsbare plek aan te duiden.  In haar brief waarschuwt zij Siegfried dan ook voor Hagen, zonder iets te durven vertellen over het zijdelint op zijn hemd, dat zijn kwetsbare plek kan verraden.  Siegfried schrijft terug dat hij het volste vertrouwen heeft in Hagen, en dat de heldere ogen van Kriemhilde geen duistere beelden mogen zien.  “Na de jacht”, schrijft Siegfried nog, “zal ik u opnieuw in mijn armen sluiten en die mooie ogen kussen, want onze liefde is eeuwig en kan niet verstoord worden door een nachtmerrie”.

De jachtstoet rijdt het Odenwoud in, zonder Gernot en Giselher.  Zij voelen zich slecht bij de plannen van Hagen, en verkiezen naar Worms terug te keren. 
Siegfried krijgt enkele drijvers mee, en het lukt hem om meerdere dieren als jachtbuit te doden.  Wanneer hij meent genoeg voedsel te hebben voor de troep, stopt hij de jacht, want het plezier van doden om te doden is hem vreemd.  Liever geniet hij van de wonderbare stilte van het woud, enkel doorbroken door het gezang van vogels of het ruisen van een beek.

Bij aankomst in het kamp waar alle jagers zich verzamelen, blijkt dat geen wijn is meegebracht, waardoor alle ridders dorstig moeten blijven.  Ook dit paste in het plan van Hagen, want hij nam bewust geen wijn mee op de jachttocht.  “Ik weet een bron met helder drinkbaar water”, zegt Hagen, “en ik stel een loopwedstrijd naar die bron voor”.  Siegfried is onmiddellijk gewonnen voor dat idee, en even later staat hij samen met koning Gunther aan de startlijn.  De lopers vertrekken, en Siegfried wint de wedstrijd.  Samen met Gunther laaft hij zich overvloedig aan het lekkere water.  De loopwedstrijd heeft hen wel bezweet, waardoor zij hun mantels naast zich neerleggen en enkel nog in hemd gekleed zijn.  Het zijdenkruis op Siegfrieds hemd is nu duidelijk zichtbaar.

De andere ridders naderen nu ook de bron, maar Hagen is hen enkele minuten voor.  Vanuit het struikgewas rondom de bron heft hij een speer en plant deze met al zijn kracht in de rug van Siegfried, net in het midden van het zijdenkruis.  Siegfried valt neer, grijpt nog naar Balming om zijn moordenaar te treffen, maar de krachten schieten hem te kort.  Zijn verwijtende blikken treffen Gunther die de handen voor de ogen slaat, beseffend dat hij een groot man heeft laten doden.  Hagen komt nu ook uit het struikgewas en spot met Gunther: “Wees toch blij, droeve koning.  De enige die sterker was dan de Boergondiërs is dood, en tegelijk kunnen wij zijn schat inpalmen”.

Nog eenmaal opent Siegfried de ogen en richt zich tot Gunther met een stem waarin de komende dood reeds doorklinkt.  “Hagen is een lafaard, maar jou vertrouwde ik.  Dit is het grootste bedrog dat mensen kunnen begaan: de woordbreuk, het schenden van vertrouwen”.  “Groet uw zuster Kriemhilde, mijn vader Siegmund, en vraag hen mijn zoon in Xanten te zeggen dat ik van hem houd”.  Het hoofd van Siegfried valt opzij.  Een held is dood.

De ridders die nu de bron bereiken staan verstomd.  Maar zij keren zich niet tegen hun vorst, noch tegen Hagen.  Nee, zij overleggen enkel hoe zij de moord kunnen toeschrijven aan rovers of bandieten.  Maar Hagen denkt er anders over.  Hij wil zelf het lijk van Siegfried bij Kriemhilde brengen, want: “haar wenen kan mij niet deren, want zij beledigde mijn koningin”.  Dit zegt hij luidop, terwijl hij denkt: “en de schat van de Niebelung-dwergen is voor mijn koning, dus ook voor mij, zijn vertrouwensman”.

Vier ridders dragen het schild van Siegfried waarop zijn lichaam ligt.  De treurige stoet bereikt na enkele dagen Worms, waar een ontroostbare Kriemhilde op de binnenplaats wacht.  Een bode heeft het slechte bericht al vooruitgedragen.  Siegmund steunt haar zonder woorden, want pralerige woorden zijn te ijdel en te vluchtig.  Enkel het knapenkoor, dat meestal voor verstrooiing moet zorgen, laat heldere stemmen klinken in een treurlied.

 

Geen ijd’le traan past’ ooit de man,
Slechts ’t oeverloze leed,
om ’t eeuw’ge afscheid uit de kring,
Een echte traan verklaren kan.
O ween van spijt, o ween van spijt,
een vriend ging van ons heen.

Slechts echte droefheid tooit de vrouw,
En vult een diep gemoed.
Vaarwel mijn trouwe, trouwe vriend,
mijn hart berust in stille rouw.
O ween van spijt, o ween van spijt,
een vriend ging van ons heen.

Op de binnenplaats wordt een dodenschrijn geplaatst, vervaardigd uit goud en zilver, waarin de dragers nu het lijk van Siegfried leggen.  Aan de voet van het schrijn wordt het schild van de dode geplaatst, terwijl rondom een erehaag zich opstelt.  Het zijn de Nederlandse ridders onder leiding van markgraaf Eckewart die deze droeve plicht vervullen.

De ganse nacht blijft de treurwacht staan, en bij het morgengloren treden alle ridders uit Worms aan om de dode te eren.  Wanneer het de beurt is aan Hagen, en deze schijnheilig het schrijn nadert, breekt plots de wonde van Siegfried open, en vers bloed stroomt over zijn hemd.  Hagen verbleekt, en Kriemhilde roept: “Moordenaar!  Brunhilde heeft u aangespoord, Gunther heeft u niet tegengehouden, en gij hebt Siegfried laf neergestoken”.  Hagen geeft echter geen antwoord.

Wanneer enkele uren later het schrijn wordt gesloten en neergelaten in een graf vlakbij de slotmuur, is Hagen nergens te bespeuren.  Hij vreest de blikken van Kriemhilde en de wraak van Siegmund.  Wat iedereen vergeten is, is Balming.  Het zwaard van Siegfried werd opgeraapt door Hagen op de moordplaats en hij heeft het in zijn kamers verborgen.

Ute, Gernot en Giselher, treuren oprecht gemeend om Siegfried.  Zij bieden Kriemhilde aan om in Worms te blijven, waar zij haar kunnen helpen om het verlies te verwerken.  Kriemhilde, zelf Boergondische, vraagt raad aan Siegmund.  Deze begrijpt dat Kriemhilde in deze dagen van leed nog niet klaar is om terug tussen de Nederlanders te gaan leven, en dat zij beter opgevangen kan worden in haar ouderlijke kasteel.  Hij vertrouwt Eckehart voldoende om hem op te dragen Kriemhilde te beschermen tegen de lafheid die eeuwig door Worms zal waren.

Zo verlaten de Nederlanders Worms, aangevoerd door de oude koning Siegmund, die door de moord op zijn zoon plots nog ouder geworden lijkt.  Hij neemt geen afscheid van Gunther en Brunhilde, noch van de andere ridders, en zonder nog eenmaal om te zien rijdt hij naar Xanten.

 

Hagen steelt de schat

Kriemhilde woont nu in een ruime woning, net buiten de wallen van het slot van Worms.  Van daaruit gaat zij dagelijks naar Siegfrieds graf, en voert in gedachten lange gesprekken met hem.  Het ontbreekt haar aan niets, want Eckehart neemt zijn beschermingstaak zeer ernstig op.  Zijzelf sluit zich steeds meer op, en na drie jaar spreekt zij nog enkel met Eckehart en Giselher.  Gunther noch Gernot noch Ute krijgen haar nog te zien of te horen.  Om van Hagen maar te zwijgen, want zij heeft gezworen nooit met die moordenaar nog in één kamer te zijn. 

Dezelfde Hagen blijft echter stoken.  “Als dat zo verder gaat”, zegt hij aan Gunther, “dan komt de Niebelingenschat nooit naar Worms.  Hoe kunt gij dan de winsten putten uit het bezit van die goudberg?”.  “Waarom verzoent gij u niet met Kriemhilde, waarna wij de schat uit Xanten kunnen halen, samen met al datgene wat de dwergen ondertussen reeds als nieuwe schat opstapelden in het Nevelland?”.

Gunther vraagt Giselher om te bemiddelen tussen hem en Kriemhilde, en zij luistert met aandacht naar haar lievelingsbroer.  Na lang twijfelen besluit zij zich te verzoenen met haar familie op voorwaarde dat koning Gunther beloofd haar nooit meer schade te zullen toebrengen.  Hagen, zo stelt zij duidelijk, blijft voor haar een laffe sluipmoordenaar waarmee zij niets te maken wil hebben.  Zo vertrekken de twee broers Gernot en Giselher naar Xanten en naar het Nevelland.  Zij treffen Alberik, die weet dat Kriemhilde de rechtmatige erfgename van de schat is, en die alle wagens van de reizigers laat volladen met gouden en zilveren voorwerpen.  Waarna de groep naar Xanten trekt, om ook daar de eerste schat op te halen.  Bij terugkomst worden de kelders van Worms gevuld met de Niebelingenschat en Kriemhilde krijgt de sleutel.

Vanaf de eerste dag echter begint zij de schat weg te geven.  Waar zij zich vroeger terugtrok in de buitenwoning, ontvangt zij nu alle bezoekers, die elk een rijke gift meekrijgen.  Edelen of bedelaars, zij maakt geen onderscheid.  Opnieuw mort Hagen bij Gunther.  “Zij koopt zich vrienden, zij koopt zich misschien wel een leger!  Eerstdaags is zij meer geliefd dan jij, de koning.  We moeten haar de sleutel tot de schatkelder afnemen, en zelf de schat beheren.  Trouwens, welke vrouw kan nu zoveel waardevolle dingen hebben”.  Gunther bekijkt Hagen misprijzend: “Ik heb gezworen haar nooit meer te schaden, en ik ben niet van plan die eed te breken”. 

Enkele maanden later vertrekt Gunther voor een controlereis doorheen Boergondië, en Kriemhilde gaat voor de duur van die reis terug naar haar buitenwoning.  Als haar broers niet aanwezig zijn, kan zij enkel geërgerd worden door af en toe Hagen te zien, en dat wil zij vermijden.  Hagen maakt gebruik van Gunthers reis en Kriemhildes afwezigheid om de sloten van de kelders open te breken.  Daar laadt hij de schat op zijn schild – het kost hem wel veertig reizen – en draagt die gevulde schilden één na één naar de oever van de Rijn.  Vlakbij een merkpunt dat hij alleen kent, laat hij de gouden en zilveren ringen, armbanden, halskettingen, kronen, diademen, maar ook bekers in edelmetaal, in de stroom vallen.  Enkele vissen schrikken op van het blinkende goud dat aan hen voorbijkomt, en misschien is er wel een waternimf die zich tooit met de sieraden die een berg vormen op de bodem van de Rijn.

Wanneer de reizigers terugkomen en ook Kriemhilde opnieuw haar intrek neemt in het slot, ontdekken zij spoedig de roof van Hagen.  Kriemhilde eist dat Hagen bestraft wordt, maar de drie broers durven niet.  Gunther herinnert zich de dreiging tot het kopen van een leger door Kriemhilde, waardoor zij wraak zou kunnen nemen op Boergondië, voor de moord op Siegfried.  Hij bepraat zijn broers, in het bijzonder Giselher, om de schat verdwenen te laten.  En zo kan Hagen triomferen.  Eerst nam hij haar man, nu haar middelen om van te leven.  En de vorsten besluiten enkel dat de duistere Hagen vele schulden op zijn schouders neemt, doch straffen hem daarvoor niet.

Deze opeenstapeling van onrecht doet Kriemhilde besluiten zich helemaal in haar buitenwoning terug te trekken.  Niemand geeft zij nog de kans om haar te bezoeken.  Zelfs Ute, haar moeder, mag de buitenwoning niet betreden.  De trotse weduwe van Siegfried trekt zich terug in eenzaamheid, met enkel de herinnering aan Siegfried en haar wraakgedachten als metgezellen.

 

Etzel, koning der Hunnen

Jaren reeds woont Kriemhilde in de buitenwoning.  De verhalen over haar schoonheid maar ook over haar droevig lot worden door vele skalden rondgezongen in alle kastelen.  Zo bereikt de geschiedenis ook het land van de Hunnen.  Daar is koning Etzel weduwnaar geworden, nadat zijn vrouw Helga stierf.  Markgraaf Rudiger, trouwe vazal van Etzel, wordt naar Worms gestuurd om daar de hand te vragen van Kriemhilde.

Het is echter pas na lang aandringen door Gunther en vooral door Giselher, dat Rudiger ontvangen wordt in de buitenwoning.  Hagen heeft nog tegengesputterd, want hij ziet het gevaar.  Hij vreest dat Kriemhilde, eens gehuwd met een machtig legeraanvoerder, wel eens op wraak belust zou kunnen zijn.  Gunther wijst Hagen echter af.  Hij meent dat zijn zuster Kriemhilde, die reeds genoeg tegenslagen te verwerken kreeg, het recht op vrije keuze moet hebben.

Kriemhilde ontvangt Rudiger in haar zwarte weduwenkleed en wil de bede van Etzel eerst afwijzen.  Tot zij, tijdens een lang gesprek, van Rudiger de verzekering krijgt dat deze haar zal wreken, wanneer haar ook maar het geringste leed wordt of zelfs werd aangedaan.  Kriemhilde zegt nu ja, en maakt zich klaar voor de afreis uit Worms.

De Hunnen, onder leiding van Rudiger, rijden samen met de trouwe Eckehart die Kriemhilde niet alleen naar het verre land wil laten gaan.  Nog even is er een aanvaring met Hagen, vlak voor het vertrek.  Kriemhilde wil enkele sieraden die in de kelder gebleven waren, meenemen, doch Hagen weigert elke gift.  Rudiger wijst erop dat Etzel de kroon voert van dertig landen, en dat de enkele gouden voorwerpen verwaarloosbaar zijn, in het licht van de rijkdom die Etzel haar kan bieden.  Maar Kriemhilde geeft eigenlijk niet om de waarde van de stukken, zij wil enkel een herinnering meenemen aan Siegfried die de Niebelingenschat had veroverd.  Hagen blijft echter hardvochtig, en Kriemhilde vertrekt zonder sieraden.

De reis is lang en moeilijk.  De troep volgt de rivier Main door Oostfrankenland, en doorkruist dan Beieren langsheen de Donau.  Hoge bergen, die Kriemhilde noch in Xanten, noch in Worms ooit gezien heeft, schijnen de reizenden wel te begroeten.  Onderweg, steeds verder oostwaarts trekkend, rusten zij in het slot van Rudiger, Daar vindt Kriemhilde een echte vriendin in Rudigers vrouw Goedele.  Ach, misschien zou de wraaklust van Kriemhilde wel verminderen, indien zij langer bij deze vriendelijke mensen bleef, maar de reis moet verdergaan. 

Op een dag zien de reizigers een grote stofwolk in de verte.  Wanneer zij dichter komen stellen zij vast dat het de troep is van koning Etzel die zijn bruid tegemoet komt.    De omvang van de troep verklaart de geweldige stofwolk.  Niet minder dan drieduizend Hunnen begeleiden Etzel.  Zijn gevolg wordt ook nog gevormd door vierentwintig vazallen, allen vorsten die door Etzel onderworpen zijn.  Kriemhilde ziet mensen die zij nog nooit zag.  Russen, Grieken, Polen, maar ook Mongolen.  Allen begroeten Kriemhilde met een handkus, en enkel Etzel kust Kriemhilde echt.  Zij bekijkt al de vazallen met slechts één gedachte in het achterhoofd: zijn zij bereid de dood van Siegfried te wreken, en hun leven daarvoor te wagen?

Het huwelijk wordt voltrokken in Wenen.  De goden worden aangeroepen, en hen wordt gevraagd de trouwgelofte van de beiden met een hamerslag te bezegelen.  En alhoewel het een stralende zonnedag is, nemen alle aanwezigen toch aan dat de dondergod zijn zegen geeft.  Na dit huwelijk reist de ganse groep met talrijke feestelijk versierde boten verder langs de Donau tot in Etzelburcht. 

Na zeven jaar krijgt Kriemhilde een zoon, Ortlieb.  En alhoewel zijn vrolijkheid haar een beetje opmontert, toch kan zij niet gelukkig zijn.  Hoezeer Etzel haar ook mint, zij blijft steeds aan Siegfried denken, en aan haar wraak op Hagen.  Soms droomt zij van Worms, en wanneer Giselher in haar droom verschijnt dan glimlacht zij.  Doch zogauw de schim van Hagen opduikt wordt de droom een nachtmerrie, waarbij zij telkens weer met een gil wakker wordt. 

 

De reis naar Etzelburcht

Nog enkele jaren gaan voorbij, en op een dag besluit Kriemhilde dat het tijd wordt om haar verwanten terug te zien.  Zij vraagt Etzel of hij de vorsten van Worms wil uitnodigen voor het zomerwendefeest in Etzelburcht.  Waarop boden naar Worms gezonden worden, die de boodschap moeten overbrengen.  Daar is Gunther echt gelukkig met de uitnodiging, en samen met Gernot en Giselher wordt de reis voorbereid.  Gunther eist dat ook Hagen meegaat, want deze heeft reeds vroeger gereisd in het Oosten en kan dus een goede gids zijn.  Hagen sputtert lang tegen, want hij vreest Kriemhildes wraak.  Maar Gunther duldt geen tegenspraak, en de groep vertrekt met Hagen.  Alle slotridders doen de reizigers uitgeleide, en enkel Ute is treurig.  Zij droomde de vorige nacht dat alle vogels uit de hemel dood neervielen.  Haar verklaring voor die droom is dat zij haar zonen niet levend zal terugzien.

De boden van de Hunnen rijden terug naar Etzelburcht, en bereiken de burcht lang voor de groep.  Daar melden zij Kriemhilde en Etzel dat de uitnodiging is aangenomen en dat de koninklijke reizigers al onderweg zijn.  “Is Hagen bij hen?”, vraagt Kriemhilde.  En wanneer de beide boden samen ja zeggen, kan zij voor de eerste maal sinds lange tijd opnieuw lachen.  Haar wraak komt dichterbij.

De reizigers volgen dezelfde weg die Kriemhilde eerder ging, doch wanneer zij na twaalf dagen de Donau bereiken blijkt deze overstroomd te zijn.  Heinde en ver is geen schip te bekennen, en de stroom is veel te diep en te breed geworden om een doorwaadbare plaats te zoeken.  Hagen besluit alleen op zoek te gaan naar een veerman, en de anderen nemen rust.

Wanneer hij na enkele uren vrouwenstemmen hoort tussen de struiken in het overstroomde gebied, sluipt hij stil dichterbij, hopend dat zij een boot hebben.  Drie vrouwen baden zich, en op een kleine droge plaats liggen hun kleren die eigenlijk vedermantels zijn.  Hij neemt de mantels op en wil deze pas teruggeven wanneer de vrouwen hem zeggen hoe hij de stroom kan oversteken.  “Beter nog”, zegt een van de vrouwen, “wij kunnen uw toekomst in het Hunnenland voorspellen”.  Hagen heeft daar wel oren naar en geeft de mantels terug maar houdt toch nog één van de vrouwen bij de arm stevig vast.  Terwijl de eerste vrouw de mantel aantrekt en onmiddellijk in een mooie zwaan verandert, zegt zij: “Roem en eer en goud.  Dat alles, en een zegevolle terugkeer.  Dat wacht u in het Hunnenland”.  Hagen is tevreden en laat de vrouw los, doch wanneer de drie vrouwen wegzwemmen, alle drie prachtige zwanen geworden, en ver genoeg van hem verwijderd zijn, roept een van hen: “Hagen, we logen om onze mantels terug te krijgen.  Geen van u zal ooit Worms terugzien.  Het Hunnenland wordt uw dood.  Enkel uw speleman zal de terugreis kunnen aanvatten”.  Hagen is woedend doch kan niets meer uitrichten tegen de zwaanvrouwen.  Hij trekt dan ook verder op zoek naar een veerboot, maar zijn stemming is helemaal niet opgewekt.

Een eind verder merkt hij aan de overzijde van de stroom een oude man met een boot.  Luid roept hij om overgezet te worden.  Hij toont de man een gouden mantelspeld die hij in de zon laat schitteren.  Doch wanneer de man Hagen bereikt, weigert deze de mantelspeld.  “Jouw gedachten zijn slecht”, zegt de man, “had ik dat eerder gezien, dan was ik zelfs niet overgevaren.  Ik vervoer geen slechte mensen, hoeveel goud zij ook mogen bieden”.  Hagen, nog steeds kort aangebonden na de ontmoeting met de zwaanvrouwen grijpt zijn zwaard en hakt het hoofd van de oude man af.  Met de boot vaart hij terug naar de rustplaats, en begint de reizigers over te zetten.  Gunther vraagt nog wel naar de reden van het bloed in de boot, maar Hagen vertelt dat hij de boot zo aantrof. 

In de laatste groep die hij overzet, bevindt zich ook de speleman van Gunther.  Hagen gooit hem overboord en duwt de spartelende man zelfs weg met zijn roeispaan.  Deze zwemt met veel moeite terug naar de oever waar zij vertrokken en klautert drijfnat aan land.  Zijn reis is voorbij en hij kan de terugtocht aanvatten.

Boos vraagt Gunther wat Hagen bezielde, want de reis zal zonder speleman veel somberder zijn.  Dan vertelt Hagen van de voorspelling van de zwaanvrouwen.  Hij wilde de voorspelling uittesten, en het overleven van de speleman die hij zo ver van de oever in het water duwde, toont aan dat de zwaanvrouwen gelijk hadden.  Geen van hen zal Worms terugzien, maar de speleman moest blijven leven.  Even blijft het stil, want de broers moeten dit slechte bericht verwerken.  Dan heft Volker het vaandel van Worms en begint te zingen.  “Zelfs zonder speleman zal ons lied klinken”, zegt hij opgeruimd.  “En voorspellingen van mooie meisjes die zich in zwanen veranderen in plaats van zich te laten kussen, geloof ik niet”.  Iedereen lacht, behalve Hagen, en de reis gaat verder.

Wanneer zij het slot van Rudiger bereiken worden zij gastvrij ontvangen door Goedele.  Ook de dochter van beiden begroet de groep, en weet onmiddellijk het hart van Giselher te stelen.  Zij begroet iedereen met een spontane jongemeisjeskus, die enkel door Hagen geweigerd wordt.  Gunther bemerkt wel dat zijn broer een boontje heeft voor het meisje en spreekt lang met Rudiger en Goedele.  Na dit gesprek vraagt hij aan Giselher of deze de kroon van Worms wil delen met het meisje.  Ondertussen vragen haar ouders haar of zij zich wil verloven met Giselher.  De beiden stemmen in, en niemand denkt nog aan de voorspelling van de zwaanvrouwen, wanneer een verlovingskring rond het paar wordt gevormd.  Zij spreken af dat zij zullen huwen bij hun terugkeer uit het Hunnenland, omdat zij toch opnieuw voorbij de burcht van Rudiger moeten.

Afscheid wordt genomen van de burchtbewoners en, nu met Rudiger als gids, trekken zij verder Oostwaarts.  Om tenslotte, op de vooravond van het zomerwendefeest, de Etzelburcht te bereiken.

 

Zonnewende in bloed

 Wanneer de troep een tentenkamp opslaat, in de schaduw van de Etzelburcht, worden de ridders begroet door een vazal van Etzel, Diederik die een Goot is.  Zijn gelaat straalt edelmoedigheid en eerlijke kracht uit.  Samen met zijn wapenmeester Hildebrand werd hij uitgestuurd.  Diederik waarschuwt Gunther voor de wraakzucht van Kriemhilde, die zelfs de wetten van de gastvrijheid zou kunnen doen opzij schuiven, waarna de ridders besluiten om steeds hun wapenrusting te blijven dragen.

Enkele uren later reeds rijden zij de slotbrug over, en worden door Etzel welkom geheten.  Kriemhilde reikt Giselher de hand, en negeert alle anderen.  Wanneer daarover gemompeld wordt, zegt zij luidop dat zij onmogelijk Hagen kan begroeten, de dief van haar bezittingen.  “Trouwens”, zo voegt zij er aan toe, “hij bekende het nooit, maar ik weet dat hij Siegfried laffelijk heeft neergestoken”.  Hagen, die zich beschermd weet door de vele ridders rondom hem, roept “Ja, ja!  Laat nu eindelijk de twijfel verdwijnen.  Ik en niemand anders heb de naam van mijn koningin gewroken door Siegfried te doden”.  De vazallen van Etzel en de vele Hunnenridders grijpen naar hun zwaarden, want de moordenaar van de man van hun koningin mag niet onbestraft blijven.  Wanneer ook de ridders uit Worms hun wapens nemen om Hagen te verdedigen – zij vinden het plots een goed voorgevoel dat maakte dat zij hun wapenrusting aanhielden – grijpt Etzel in.  Hij wijst erop dat de Rijnlanders gasten zijn, en dat het niet past met hen een moordende slag aan te gaan.  Beter is het hen uit te dagen tijdens de kampspelen, waardoor ook kan duidelijk worden wie de sterkste en de behendigste is.  Met zichtbare tegenzin worden de zwaarden langs beide zijden weer opgeborgen.  Zonder nog een woord te spreken, trekt Kriemhilde zich terug in haar kamers.

De kampspelen verlopen sportief, tot Volker, de beste vriend van Hagen, meent de Hunnen extra te moeten uitdagen.  Hij gaat een tweegevecht aan met een Hunnenridder en maakt van een onbewaakt ogenblik gebruik om zijn zwaard in het hart van de tegenstrever te planten.  Opnieuw verschijnen overal de wapens, en opnieuw is het Etzel die olie op de golven giet.  Hij nodigt iedereen uit aan tafel, waar een zonnewendemaal zal opgediend worden.  Die uitnodiging zorgt ervoor dat de hongerigsten de zwaarden wegbergen, waarna stilaan de anderen volgen.  Even nog is de vrede bewaard, en de gastvrijheid geëerbiedigd.  Maar voor hoelang?

De arrogante Hagen voelt zich beschermd door de ridders van Gunthers troep, en legt het ingrijpen van Etzel uit als zwakheid.  Wanneer aan tafel Ortlieb, de zoon van Etzel en Kriemhilde de gasten één voor één begroet, durft hij dan ook luidop spotten: “Zo’n mager ventje kan toch nooit een man worden.  Hij zal zeker niet lang genoeg leven om de koningskroon over te nemen”.  Overmoedig door het misprijzende stilzwijgen van de Hunnenridders, die vrezen dat Etzel het niet zou aanvaarden dat zij deze grove belediging met wapens wreken, wordt Hagen nog brutaler.  “Ik zal bewijzen dat mijn voorspellingen uitkomen” roept hij, en hij haalt Balming tevoorschijn en slaat met één hauw het hoofd van Ortlieb af.  Dit is teveel voor de Hunnen en ook voor Etzel.  Seconden later slaan reeds zwaarden op schilden en vloeit reeds bloed.  Enkel Diederik, de Goot, neemt zijn wapens niet om de Rijnlanders te bekampen maar om zijn koning en koningin te beschermen.  Hij krijgt daarbij onmiddellijk de hulp van Rudiger.  Ondertussen zorgt Balming in de handen van Hagen er reeds voor dat vele Hunnen dood op de grond liggen, terwijl Volker de deur bewaakt en allen die willen ontkomen eveneens doodslaat.  Tot hijzelf valt onder de zwaarden van Etzel, Diederik en Rudiger, die Kriemhilde in veiligheid willen brengen.

Het gevecht eindigt in een Boergondische overwinning.  Alle Hunnen zijn dood, en de winnaars willen nu de zaal verlaten.  Op de trappen naar de binnenplaats wachten echter reeds andere Hunnen die op het geluid van de slachtpartij zijn afgekomen.  Gunther wil een einde maken aan het bloedvergieten en roept Etzel, toe: “Laat ons vrede sluiten”.  Maar Etzel wil daar niet van horen: “Wie mijn zoon vermoordt, zal niet levend dit slot verlaten.  Indien gij Hagen niet uitlevert aan ons moeten wij verderstrijden”.  Hagen, wetend dat Gunther nooit een van zijn ridders zal uitleveren, hoont Etzel: “Hé, koninkske, waarom liept gij zo haastig de zaal uit?  Angst voor het gevecht?  Ligt gij liever bij Kriemhilde in bed dan de dood van uw zoon met het zwaard te wreken?”.  De dichterbij gekomen Hunnen worden nu woedend en vallen de Boergondiërs aan.  Opnieuw volgt een bloedbad, waarbij enkel Balming zegeviert.  De trappen liggen nu even vol met lijken als de bodem in de zaal.

Etzel en Kriemhilde eisen nu van Rudiger dat deze al zijn mannen zal inzetten om de strijd met de Boergondiërs aan te gaan.  Rudiger weigert eerst want: ”Ik heb de Boergondiërs hierheen gevoerd, en het zou een trouwbreuk zijn wanneer ik hen nu ga bestrijden”.  Kriemhilde herinnert hem echter aan de voorwaarde die zij stelde om hem lang geleden te vergezellen naar Etzel.  Hij beloofde toen om Kriemhilde te verdedigen telkens wanneer haar onrecht zou worden aangedaan.  De dood van haar zoon, gestorven door dezelfde moordenaarshand die Siegfried ombracht, is wel het grootste onrecht dat bestaat.  Rudiger moet dit toegeven, en ook hij trekt nu op tegen Gunther en zijn ridders.  Vergezeld van Diederik en Hildebrand, begint nu reeds voor de derde maal een strijd op leven en dood.  Weer sneuvelen ridders van Gunther, weer sneuvelen Hunnen.  Als Rudiger de bovenste trap bereikt staat hij tegenover Gernot.  Deze begrijpt dat Rudiger enkel kampt omdat hij daar door een eed aan Etzel en Kriemhilde toe gehouden is, en slaat niet met al zijn kracht.  Rudiger merkt die terughoudendheid niet op en klieft de helm van Gernot doormidden.  Doch met een laatste uithaal van zijn zwaard raakt Gernot de hals van Rudiger.  Weer sterven twee helden.  Ook Giselher, kind van Ut, sterft in dit gevecht, net als vele anderen.  En wanneer het stof in de zaal eindelijk gaat liggen staan nog slechts vier ridders overeind.  Gunther en Hagen, Diederik en Hildebrand.

Opnieuw heft Diederik het zwaard, want de slag is niet gestreden zolang Hagen niet verslagen is.  Ditmaal klinken slechts twee zwaarden.  Het zwaard van Diederik die enkel in het laatste gevecht aantrad, en Balming, gedragen door een vermoeide Hagen.  En alhoewel het zwaard van Siegfried nooit zijn doel mist, verminderen de krachten van Hagen zodanig dat hij uiteindelijk Balming niet meer kan opheffen.  Diederik bindt de handen van Hagen, en brengt hem naar Kriemhilde.  Hij wijst erop dat men een geboeide man niet kan doden, en Kriemhilde laat Hagen in de kerkers van Etzelburcht opsluiten.  Maar Diederik rest nog een taak.  Hij moet ook Gunther overwinnen, die nog steeds in bedwang gehouden wordt door Hildebrand.  Ook dit laatste gevecht wint Diederik, en opnieuw brengt hij een geboeide man bij Kriemhilde.  In haar ontembare wraaklust vergeet zij dat Gunther haar broer is, en zij laat ook hem in een afzonderlijke kerker opsluiten.

Kriemhilde is nu alle rede vergeten, en alhoewel zij Diederik beloofde genade te laten gelden voor de gevangenen, toch gaat zij wraaklustig Hagens kerker binnen.  Zij eist van hem dat hij vergiffenis zou vragen voor zijn vele wandaden.  Hagen zegt dat hij heeft gezworen nooit vergiffenis te vragen zolang één van zijn vorsten leeft, want zij zouden zo’n houding als onderdanigheid aan een ander kunnen verklaren.

Kriemhilde neemt van de geboeide man het zwaard Balming af, en gaat daarmee naar de kerker van Gunther.  Met één krachtige zwaardbeweging slaat zij het hoofd van haar broer af.  Met het hoofd in haar handen gaat zij terug naar Hagen: “Kijk wat uw wandaden teweegbrachten.  Zelfs mijn eigen broer heb ik doodgeslagen in mijn woede.  Enkel mijn wraaklust dreef me, en deed me al mijn zinnen verliezen”.  Hagen blijft de arrogante spotter die hij altijd was: “Vrouw, nooit zult gij u kunnen beheersen.  Net zoals gij nooit de schat van de Niebelingen zou kunnen beheren.  Het was terecht dat ik de schat nam, uw man vermoordde, en nu ook Ortlieb doodsloeg.  Geen vrouw is het waard zoveel goeds te bezitten”.  Deze laatste woorden zijn er voor Kriemhilde teveel aan.  Zij slaat toe, en het bloed van de dode Hagen kleurt de kerkervloer.

Etzel, Diederik en Hildebrand, verwittigd door een kamenierster dat Kriemhilde naar de kerkers is, komen nu aangelopen.  Zij kunnen enkel vaststellen dat de gevangenen dood zijn.  Het is de oude Hildebrand, wapenmeester van Diederik, die weet dat dergelijke moord op weerlozen enkel met de dood kan uitgeboet worden.  Hij treft Kriemhildes hals, en zonder nog één woord te kunnen zeggen sterft ook zij.

Al de ridders, al de vrouwen, al de vorsten, die door het verkrijgen van de schat van de Niebelingdwergen zelf Niebelingen geworden zijn, zijn nu gestorven.

 

Naar Asgaard

Het is nu stil in de Etzelburcht, doodstil.  Ook buiten het slot klinkt geen geluid van reizigers en soldaten meer.  Enkel het krassen van raven en af en toe het huilen van een korte windstoot.  Zelfs de wolken die langzaam over het landschap drijven lijken te treuren.

Rondom de burcht worden talloze graven gedolven, waarin de Hunnen met hun wapens worden begraven.  Ondertussen legt men de Boergondiërs in kisten, en deze worden op vele wagens gezet.  Etzel neemt afscheid van Diederik en Hildebrand, die met de wagenstoet vertrekken.

Wanneer de dodenwagens in het kasteel van Rudiger aankomen spelen zich dramatische taferelen af.  Goedele betreurt haar man, en de dochter weent om Giselher.  Na enkele uren reeds krijgen de knechten de opdracht om de andere dode ridders naar Worms te brengen, terwijl Diederik en Hildebrand zuidwaarts rijden.  Zo bereiken zij het land van Diederik, waar deze zijn intrek neemt in de Romaburcht en tot keizer van het Avondland wordt gekroond.

Hildebrand kan nu ook naar huis keren, en rijdt naar het noorden tot hij het land herkent.  Hij heeft dit reeds vele jaren geleden verlaten en daardoor zelfs nog nooit zijn eigen zoon gezien.  Hij weet dan ook niet wie de ridder is die hem doet stoppen wanneer hij over de slotbrug van zijn eigen kasteel wil rijden.  “Mijn naam is Hildebrand”, zegt hij, “en ik vraag vrije doorgang naar het slot waarin mijn vrouw en zoon wonen”.  De ridder lacht luidkeels: “Hildebrand is dood!  gesneuveld in het land van de Hunnen, zo hebben de skalden gezongen.  Verdedig u, bedrieger”.  Maar het gevecht tussen de jonge ridder en de oude Hildebrand blijft onbeslist.  Het had nog lang kunnen doorgaan, wanneer Uta, Hildebrands vrouw niet was tussengekomen.  Zij herkent plots in de oude wapenmeester haar man, en beëindigt daarmee het gevecht.  Hadubrand, zo heet de zoon, is beschaamd omdat hij zijn vader tot het gevecht heeft uitgedaagd.  Hildebrand stelt hem echter gerust: “Uw onstuimigheid is mijn vreugde.  Aan uw zwaardslagen herkende ik mijn eigen jeugd”.  Nu kan ook in Hildebrands slot de rust weerkeren, en hij kan zijn laatste levensjaren in vrede thuis doorbrengen.

Diederik, stilaan de enige overlevende van de ganse groep waarmee de Niebelingengeschiedenis begon bewaart de vrede in zijn rijk.  Nog eenmaal worden de grenzen overschreden door een veroveraar, Aspilian de reus, maar Diederik weet zelfs deze te verslaan.  Hij moet nu niet meer strijden, en neemt zich enkel nog het aanbrengen van jachtwild tot taak.

Zo kan het gebeuren dat hij zijn helpers een ogenblik rust gunt tijdens zo’n jachttocht, en zichzelf gaat baden in een snelstromend riviertje.  Plots hoort hij in de struiken het gekraak van hertenhoeven.  Onmiddellijk springt hij in zijn kleren en roept zijn paard om de jacht in te zetten.  Doch in plaats van zijn eigen paard verschijnt een achtbenige hengst die ongeduldig met zijn vele hoeven trappelt.  Diederik geeft er niet om dat dit niet zijn eigen paard is, maar bestijgt het en geeft het de sporen om het hert na te jagen.  Vanuit de hoogte verschijnt echter een prachtige regenboog, en het paard gebruikt die regenboog om de weg te verlaten en naar de hoogte te stijgen.

De helpers die dit zien gebeuren roepen hem nog na: “Waarheen, waarheen?”, maar zij horen nog slechts een deel van het antwoord: “Ik kom terug, wanneer mijn tijd….”  Dan wordt de stem van Diederik overstemd door een lied dat vanuit de hoogte lijkt te komen.  Een van de helpers vertelt later aan een skald dat de stemmen zongen:

Zwaai nu de hamer, het ijzer is rood.
Smeed ploeg voor de arbeid, en zwaard voor de dood.
IJzer zijn beiden, zo zijn zij gelijk,
Zo zullen zij vormen dit avondland’s Rijk.

 

Zo verliet heer Diederik, de edelste vorst die ooit een kroon droeg, deze aarde.

 

Bijvoegsel: betekenis van de voornamen

Alberik elfenrijk, maar ook regeerder.
Brunhilde de gepansterde strijdster.
Dankwart sterke denker.
Diederik machtige onder het volk (het diet) of vorst.
Eckehart moedige met het zwaard.
Etzel de grote oude, of de vader.
Gere speerstrijder.
Gernot heersend met de speer.
Gerwart bewaker met de speer.
Giselher aanvoerder van het leger der edelen.
Goedele de goede beschermster.
Gunther krijgsheer.
Hagen beschutter.
Helga heil de gelukkige.  Waarschijnlijk ook: de strijdbare.
Hildebrand de beroemde held, maar ook: strijder met het zwaard.
Hunolt de geduchte, de geweldige.
Kriemhilde de gehelmde strijdster.
Ortlieb hij die het zwaard bemint.
Ortwin vriend van het zwaard.
Rudiger roemrijke speerdrager.
Rumolt roemrijke heerser.
Sieglinde verdedigend schild dat zege brengt.
Siegmund zegerijke beschermer.
Sindold krijgsvorst.
Ute de nuttige.
Volker dappere onder het volk.

 

Terug naar top van blad          Terug naar startbladzijde