Wie op zoek is naar een lied, kan hieronder een kijkje nemen
(lijst volgens beginwoorden van de liederen).
Gezien de eigenaardige wijze waarop Windows alfabetisch rangschikt, kijk je best
tweemaal alvorens je zoektocht op te geven.
In mijn liedarchief, dat nu reeds meer dan 11.000 titels omvat, zitten enkel liederen mét notenbeeld.
Waarom eigenlijk deze bladzijden? Wel, ik vind het echt oneerlijk dat sommige
verzamelingen steriel achter slot en grendel weggesloten zitten. Daarom stel
ik mijn liedverzameling graag open voor iedere
belangstellende.
Stuur dus - voor een kopie van een gezocht lied - gewoon een E-briefje aan
triskel@pandora.be,
en ik tracht u zo spoedig mogelijk te helpen.
Niet vergeten: wanneer ik u kon helpen met een lied,
kan ik u ongetwijfeld ook helpen bij het uitzoeken van geschenken in onze
winkel.
Een bezoek loont zich !
Indien u via een zoekmachine op deze bladzijde terecht kwam,kan u onze volledige webstek
bereiken door in de adresbalk van uw browser
"ragnareeks.info" te typen.
Beginzinnen
'k 'n 's 't A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W Y Z
'G waois zo'n goei vier joeër aad,
'k Ben deze nacht in de hel geweest
'k Ben Marianne, proletaren
'k Bracht in deez' herberg een
'k Heb de zon zien zakken in de zee,
'k Heb een euro in mijn hand
'k Heb een rood, rood spiegeltje
'k Heb een rooske, 'k heb 't gevonden
'k Heb een tante in Marokko en die
'k Heb in mijn lievekens hoveken
'k Heb me gesneden een wilgenfluitje
'k heb menig uur bij u gesleten
'k Heb mijn wagen volgeladen, vol met oude wijven
'k Heb onlangs naar de maan een reis
'k Heb twee roosjes in mijn hand, aan
'k Heb van morgen goed gebeden 'k was
'k Hoor de vogels in het riet, tjiep
'k Hoor zo graag ten avondstonde
'k Hore tuitend' hoornen, en de
'k Hou van een klein melodietje, waar
'k Kwam daarnet Cecilia tegen, die
'k Kwam lest over een berg gegaan,
'k Kwam lestmaal door een groene wei
'k Moet dwalen, 'k moet dwalen,
'k Neme uit het glazeke één. Eén is
'k Passeerde voor de vissemerkt,
'k Ving vandaag een grote mug, groter
'k Was nog een knaap
'k Was nog jong en 'k zag een ventje,
'k Was zo lange schipman tot da'k een
'k Weet een plaats om van te dromen
'k Weet er een huizeke waar ik van
'k Wil u eens wat zeggen, blondje
'k Wil u wat verhalen in mijn lied,
'k Wou je danken om de zonneschijn
'k Zat op een zomernacht bij 't Sas
'k Zag sinds maanden voor mijn ogen
'k Zag twee beren broodjes smeren
'k Zat overlaatst te dromen, te
'k Zie de boomen zoevend went'len
'k Zie hem verder ijlen door een land
'k Zit al jaren lang hier op mijnen stoel
'k Zit hier weer vol blijde zorgen
'k Zit op de gele wagen
'k Zoog uit 't glas het laatste nat,
'n Avond, bloemkes, moe van spelen
'n Keer werd Tijl tot galgenaas
's Avonds als ik slapen ga, dan stap
's Avonds als ik slapen ga, veertien englen om mij staan
's Avonds in de keuken bij Dina
's Avonds zie 'k de sterren geren
's Maandags en 's maandags dan ging
's Morgends als de kleine leeuwerk
's Morgens is den riep zo kold, riep
's Morgens klimt de blinde scheper,
's Morgens vroeg om kwart voor negen
's Morgens vroeg, 't was maar eerst
's Nachts rusten meest de dieren, ook
's Zomers is het heerlijk buiten
's Zondags als de zonne schijnt
't Avond gaat ons feeste aan, hé
't Avondt, 't avondt: trage en
't Begijnhofklokske luidt
't Blanke kleed, de witte sluier
't Enige kind van Jaïrus was dood
't En is van U hier nederwaard
't En sterft nog niet, het oude diet
't Gaat schoon vandaag in belgenland,
't Gedrocht van achttiendertig dacht
't Geen het blad te zeggen had, zal
't Geloof in de wiekende Blauwvoet,
't Hermenieke van Bergeijk, de spulde
't Houdt je overeind, het geeft
't Huisje met de suikerdaken lokte
't Is dood nu al; God zelve stierf
't Is geboren het God'lijk kind, komt
't Is goed in 't eigen hart te kijken
't Is het kanalje dat steeds
't Is hier dat, leên vijfhonderd jaar
't Is lang geleden honderd jaren,
't Is leên vijfhonderd jaren
't Is mei in 't land
't Is mijn leste kermis, Jan, nee
't Is nacht ! Staat op ! Wie kander
't Is nacht, de wacht, komt stormend
't Is nieuwe lente in 't Vlaamse land
't Is plicht, dat ied're jongen, aan
't Is Sint Anna die komt aan, hé cour
't Is tegen drieën in de klas
't Is tijd er moet in 't Vlaamse land
't Is vakantie, falderaldera
't Is van de wind dat de molen draait
't Is veertien dagen nu geleên, is 't
't Is weerom de olie van de druiven,
't Is welle welle wel, 't is wel,
't Is wijding van 't water, het reine
't Is Zaterdag, en zij die zwoegen
't Is zo gezellig in Zierikzee, olala
't Is zomer en de zonne schingt
't Kaboutervolk was eens de lust van
't Kan voor alleman, zeg wat dacht
't Knaapje zag een roosje staan
't Laatste schooljaar is begonnen,
't Lag 'ne man te slapen, 't hoofd op
't Leuvens Vlaams studentenvolk heft
't Leven is, waar men 't ook ziet
't Ligt alles weerom wit gesneeuwd
't Meiske met zijn teele melk
't Regent op de brug en ik word niet
't Regent, 't regent, 't dondert
't Regent, 't regent, de pannetjes
't Ros Beiaard doet zijn ronde
't Ros Beiaard maakt zijn ronde
't Schip moet zeilen, 't scheepje
't Spaensche gedrocht met haer
't Staat in de sterren geschreven
't Trilt in de boomen, 't glanst op
't Vaarwel was kort, zij togen vroom
't Verweer dat weet wat 't hebben wil
't Volk wil leven, armoe is dood,
't Was bruiloft te Cana en feestgetij
't Was in de blijde mei, ei, ei,
't Was in december, 't sneeuwde hevig
't Was ochtend; een meisje ging
't Was op eenen Drijkoningenavond
't Was op een Witte Donderdag, dat er
't Was op enen maandag, daarom ben ik
't Was toen het jaar te meie ging
't Wierd gezeid dat Cesar groot was
't Wijl in de nacht, de herders
't Wordt avond en de nevel stijgt
't Wordt donker en donkerder buiten
't Zal regenen, 't zal regenen, 't
't Zelfde doel deed tot elkaar ons
't Zijn droeve dingen die ik moet
't Zijn studenten die bijeen zijn,
't Zijn weiden als wiegende zeeën
't Zomert over bos en velden, koekoek
't Zonn'ke kan zo vroeg niet schijnen
't Zonnetje gaat van ons scheiden,
't Zonnetje schijnt zo heerlijk
A, a, a, valete studia
A B C ...
A B C, de jongens bij de jongens,
A, a, a, 't is feest vandaag, ha, ha,
A, dat is een aapken dat eet uit zijn
Aan 't einde van de dag
Aan d'oever van mijn dierbre Swanee
Aan de hemelpoort staat de maan te
Aan de oever van een snelle vliet,
Aan de stille avondhemel staat een
Aan den oever van de Dijle, daar
Aan Heleentjes blonde vlechten
Aan Kristus trouw, aan Kristus trouw,
Aan u mijn zang, land waar 'k ben
Aan U, o Koning der eeuwen, aan U
Aanbeden heuvel midden Brabants
Aanduur daal alles swyg, stilte heers
Aanhoor de roep om vrede, ban uit elk
Aanschouw de pelgrims
ABC de kat liep in de sneeuw, de kat
Abraham is gestorven, Abraham is
Ach, bitt're winter, gij zijt koud
Ach, de dagen zij worden grauw en
Ach God, hoe zou ik zingen
Ach hoe leeg zijn onze magen, ach we
Ach lief, ik moet u laten, ik dwaal langs
Ach mensch, sta van uw boosheid af
Ach, mijn bietje, gij zingt zo
Ach moeder, gij vraagt mij altijd
Achter de meijers huizeke staat enen
Ach Tjanne, zeide hij, Tjanne, waarom en zingde gij niet?
Acht uur, zo klinkt door alle landen
Ach ween niet moeder, ik zou
Ach, zwakke geest, gij die met zoveel lijden
Adam en Eva die zaten op een tonnetje
Adams schuld is afgedaan, en
Adewiedewanseltje, wanseltje
Adieu Ekelsbeke, adieu gij schone
Adieu mijn troost, mijn liefste reine
Adieu, rein bloemken rosiere, die mij
Advocaatje ging op reis
Aenhoort, ick sal beghinnen om te
Ah ben je daar, ah ben je daar,
Ain boer wol noar zien noaber tou
Al bijna bovengronds en zonder aarde
Al boven door het vensterken, daar
Al d'eksamens is nou klaar joeghaidie
Al die daer zeidt: de reus die kom'
Al die er zijn kostje aan land niet
Al die willen te kap'ren varen
Al die zegt de reus die komt
Al draagt een aap een gouden ring
Al enige dagen geleden vond ik een
Al heeft een land een klein begin
Al huilen stormen nog zo fel, wij gaan vooruit
Al in een groen, groen knollenland
Al onder de weg van Maldegem
Al op een meiemorgen vroeg ging ik
Al op het plein daar staat een huis
Al spreek ik mensentaal of taal van englen
Al tussen twee hoge bergen, in enen
Al van den drogen haring willen wij
Al wat den mens gejegent, is 't onge
Al wat lewe sing Gods eer, al wat
Al weent dit zoete kind, 't en is
Al wie in januari geboren is, sta op,
Al wie is mens, proeft in zijn leven
Aleer de dag ten einde gaat, o God
Aleer het licht ten avond raakt, o
Allah is groot, Allah is groot, en
Alle bloempjes nijgen hunne kelkjes
Alle die willen naer Island gaen
Alle die willen te kape varen
Alle eendjes zwemmen in het water
Alle klokken groot en klein, zingen
Alle knoppen springen los; alle
Alle mijn gepeis doet mij zo wee
Alle Pieten zijn geschrokken
Alle vissen zwemmen, alle vissen
Alleen nog in het diepste duister
Allelu, allelu, allelu, alleluia
Alleluia, alleluia,
Alleluia, alleluia, amen
Alleluia! Als de kleine kinderen laat
Alleluia! De Geest des Heren kwam
Alleluia! Hemelen breekt van heilige
Alleluja den blijde toon, alleluja,
Alleluja, alleluja, alleluja,
Alleluja, als de kleine kind'ren laat
Alleman van Neêrlands stam voelen
Allerwegen in de landen
Alles heeft een einde, alles heeft
Alles in de wereld schiet, waarom
Alles in de wind
Alles is gewoon anders geworden
Alles is ijdel, Gij echter blijft
Alles wat immermeer 't leven kreeg
Alles wat immermeer 't leven zag van
Alles wissel met die winde volgens
Alles zwijgt nu, nachtegalen lokken
Alles zwijgt thans, nacht rondomme
Alles zwijgt, nachtegalen lokken
Alles zwijgt, nachtegalen lokken met
Alles, wat immermeer 't leven zag van
Als alle hoven bloesemen
Als boeven hebben wij geboet
Als das Christkind ward zur Welt
Als dauw weerkaatst het jonge licht,
Als de akker zijn de rapen
Als de appels bloeien, de schone
Als de aren van 't koren ten grondewaarts knikken
Als de blaren, als de sterren, als de
Als de bloemekens der velden openbloeien
Als de boerkens samen zijn
Als de botten springen
Als de brem bloeit staat de heide,
Als de grote klokke luidt, de klokke
Als de herfst de zomer verjaagt vangt
Als de kat van huis is dansen de
Als de kerels gaan op toer, luide
Als de kerels te gare zijn, doedle, bomle, romdomdom
Als de klok straks twalef slaat
Als de lente weer openbreekt en het
Als de morgen perelt in den dauw
Als de Paaszonne rees aan de kimme
Als de reuzen ommegaan in het land
Als de reuzen, echte grote reuzen
Als de rombom heeft geslagen
Als de tortelduiven luide roeken
Als de vogels 's morgens fluiten en
Als de wind uit 't noorden blaast,
Als de winter vlucht voor de lente
Als de ziele luistert, spreekt
Als de zondag is verschenen en het werken is gedaan
Als de zon is heengegaan
Als de zonne bij avond zich neerlegt
Als de zwaan zingt: loe, loe
Als de zwarte kerels gaan marcheren,
Als een eik die bodemvast
Als een engel in mijn dromen
Als een vogel in zijn vlucht klieft
Als eik in Laagland vast geplant
Als er een kind geboren wordt, in
Als er geen goud, geen goud zou
Als gij broer het vaandel draagt volg
Als God nu zag dat heel de wereld
Als goede kind'ren slapen zacht, dan
Als grave Jan bestierde 't land, dat
Als grootmoeder trouwde
Als heel de dag de zonne brandt,
Als het hagelt is 't geen goed weer
Als het voorjaar groent en lacht,
Als hoog in de mast onze Blauwvoet
Als ick u vinde, als ick u vinde met
Als iemand je een schop geeft
Als iemand op reis is geweest, dan
Als ik door jouw ogen kijken kon
Als ik eens van Klaas mocht kiezen
Als ik in de spiegel kijk, moeder,
Als ik sluimerde te nacht, zijn er
Als ik van hier moet scheiden, mijn
Als ik wat laat naar huis toe kom
Als ik, de eerste maal in vrijheid
Als in de mei de blijde mei, de merel
Als Jan de trompetter, bij zijn Mieke
Als Jan, Jan Kloek, de muldersknecht,
Als je denkt het gaat niet meer, en
Als je eens een Rus ontmoette
Als je geen liefde hebt voor elkaar
Als je wandelt moet je zingen dat het
Als Jozef hoorde het soet geroetel
Als kajotters te gare zijn, doedle
Als Karel binnentreedt dan kriekt het
Als kind was ik jaren mijn ouders tot
Als men moet verlaten huis en al lijk
Als mensen samenkomen, hun harten
Als met hun Leeuwenvlaggen
Als mijn vader en mijn moeder naar de
Als moeder zong bij 't schuivend wieggeschemel
Als na beroerde dagen van vrees en
Als naast mij de velen marcheren
Als ons de hoogste nood gebiedt
Als ons na bange dagen
Als over 't wijde land de zonne brandt
Als regen voorbij is, als winter
Als regenvlagen droef zijn de dagen
Als rinkgerommel van tamboerijn
Als slaven werden wij verkocht
Als streelend, lief de zonne gloort
Als 't eerste zonnestraaltje ons
Als 't kermis wordt, als 't kermis
Als 't meiluchtje waait door het woud
Als 't u niet al te bestig gaat, in
Als 't vaantje wappert, beiaardier,
Als 't weer lente wordt en uit
Als 't zomert over Vlaanderen, de
Als Uilenspiegel is opgestaan, en
Als uit grijsgrauwe morgen de zonne
Als weer de lauwe windekens gaan
Als we stappen langs de baan
Als wij schrijden dicht gerijd, en ons lied
Als wij soldaten t'saam te velde gaan
Als wij stappen langs de baan, flapt
Als zich uw Geest in God verblijdt,
Als zonneglans de hemel kleurt, en
Als zorgen mijn harte verslinden
Altijd is Kortjakje ziek, midden in
Al uwe boos' aenslagen, verkeerde
Anker, o kanker van 't mensengeslacht
Anna moest eens waken
Anne Marie, waar ga je naartoe, Anne
Annemarieke kom zwaai en draai en
Antwerpen, 't is de zee geketend en
Antwerpse scharen, treden weer aan,
Appelbloeien, half ontloken
April, april, doet wat hij wil, doet
Arge winter, gij zijt koud, vergangen
Ariawawitte, de koewachter hee de schitte
Arie Bombarie waar ga jij naa toe ?
Armen strekken goed uitdrijven
Armoede lief, hemels gerief, geeft
As die eerste sonneglore kus haar
Assekruiske, grauw en kil
Aselia, Aselia, Aselia sta stil, en
Au, au, au, au, dokter komt u gauw
Ave Maria ave Maria, 's morgens taalt
Ave Maria, ave Maria, ave Maria
Ave Maria, o suyver maecht van Israel
Ave Maria, wat zijt ge schoon in
Avondstilte overal, aan de beek de
Avond wordt het weder, stilaan daalt de nacht
Awendstilte, blink is die maan hoog
B al met een A ba, B al met een E be,
B met aa: baa, b met een ee: bee, b
Baas, wij moeten tikken, breng ons
Baaske, tap een pintje bier, 'k zou
Baka, baka kaka
Bamboela was een kleine neger
Bazin tap ons een kanne bier, hebt
Bazuinen schetteren hoog en hel, van
Beekje lief, ik hoor zo garen, als
Beelden uit mijn kinderjaren, uit
Begint dichtbij met emeralden gras
Belotteken, mijn zotteken
Bemin uw ouwe trouwe moedertaal,
Beneden bij den waterval, daar zat
Benedictus, benedictus
Ben je bang voor enge dromen
Benoorden Vlaand'ren's drukke
Berend Botje gong oet voaren mit zien
Bergen gaan wij beklimmen tot op de verste top
Beroemde Skots professor gaan
Beste Prouw en Lis, ge zijt getrouwd gewis
Betreden wij met moed de drempel
Bet was bij dezelfde mensen
Beurt onze vlaggen boven 't hoofd
Beveel gerust Uw wegen, al wat U 't harte deert
Bezat ik een lappeken gronds
Bezem uit 't is kermis, knechten,
Bezien wij de wereld, wij vinden, och
Bidt, kinderen, bidt, de dag is ten
Biem, bam, biem, bam, hoor die
Bigi kaiman kaiman
Bij 't dagen in 't Oosten op weg
Bij 't eerste zonegloren gaan wij
Bij 't krieken der dagen, eruit fallera
Bij 't venster spint ze, van rom, rom
Bij 't zingen van dit liedje, zingt
Bij bonte, bontering daar hoort een
Bij de bron op het plein staat een
Bij de rabbi is gestolen, ingebroken
Bij het klinken der bokalen, bij het
Bij ons lied straalt er uit ons ogen
Bijtjes komen vragen
Bim bam bent, spekulazen vent
Bim bam bim bam tingeling, tingeling
Bim bam klokkengelui, zwevende tonen
Bim bam, bim bam, alle klokken
Bim bam, bim bam, hoor de avondklokke
Bim bom, belleke, zo luidt dat aardig
Bimbambom, bimbambom, de klokken van
Bimbambom, de klokkenzelen snokken
Blanke schapenwolkjes in de hemel,
Blauwvoet stijg naar hoge luchten,
Blauwvoetvendels aangetreden, zing
Blij blij meedoen, ja dat willen wij
Blijf, Jozef, bij mij, mijn tijd is
Blijft allen trouw kameraden, 't uur
Bloeit een bloempje in de weide, in
Bloemen zullen weer slapen gaan
Blokt en zweet maar gansche dagen
Blomkens, lieve blomkens zoet
Boeken toe en boeken weg, lustig nu
Boem retteketé, gaat dat zien
Boer boer boer, de benen van de vloer
Boer Jan, mijne man, die heeft een
Boer wat zeg je van mijn kippen, boer
Boerinnetje van buiten en koop je gene vis
Boerinnetje van buiten ha ! Haring, paling
Boertjes en boerinnetjes komen hand
Bomen staan te dromen van de winter
Bommeling ting ting, en ik speel de
Bommelingtingting
Bonjour, lieve vrienden
Borms, gij Vlaanderens klokke, wie
Borreke van Asse met het heilig kruis
Boter op de boterham
Bouwen aan een wereld van
Bouwt gij helden zonnekruisen, op een
Boven 't gewoel van de tijden, boven
Boven de verre, eeuwige sterren,
Boven Gent rijst, eenzaam en grijsd'
Boven op de berg van Bimbambee
Brabant dierbaar Breugelland
Brand in Mokum, brand in Mokum, zie
Brand, kampvuur, brand, kampvuur, kom
Bravo, bravo, bravo bravissimo, bravo
Broeder Jacob, broeder Jacob, slaapt
Broeders, blijft altoos vroom en
Broeders hoort, klaroenen melden
Broeders in schachten en groeven,
Broeders kom en laat ons singe van
Broeders, dampt in wijde kringen
Broeders, laat ons de kazernen slopen
Broeders, weest blij in de Heer, ik
Broed'ren, hoort! Hoort hoe de storm
Broertje en zusje liggen, bij 't
Bruin als het lokkende lied van de aarde
Brussel, gij waart onze stad
Buiten in de biezen, daar lei een
Burchtknaap hoor 't zingend koor van
Chauffeurtje mag ik mee
Chef slager, chef slager, hebt u voor
Chirokameraden de koning ons wacht,
Christus de heer is opgestaan, van de
Christus is opghestanden al van der
Christus is verrezen, naar 't water
Christus' vaandel moet voortaan met
Comt ghespeelkens, bespant uw
Comt verwondert u hier menschen, siet
Const gaet voor cracht, lijc d'ouders
Criste, du biste licht ende dach:
Curaçao, 'k heb jou zo menigmaal
D' avond is gekomen, de nacht is
d' Avond valt, alles zwijgt, zachtjes
d' Avondzon is heengegaan, moe ter
d' Engel boodschapt aan de Maagd Gods
D' Oogst is rijp, het veld is geel
D'r was eens een groen mannetje, dat
Da Jezus in den Garten gieng und er
Daal nu bij het zinken van deze dag,
Daar bloeide ene Lelie met
Daar boven op dat bergsken daar staat
Daar boven op de heuvel, daar staat
Daar boven uit het vensterken, daar
Daar bruist in de branding langs
Daar, daar, daar komt de mei, nu wil ik vrij
Daar dreunen trommels in de straten,
Daar ging een meid om water uit, om
Daar ging een pater langs het land
Daar ging een patertje langs de kant
Daar ging eens een jager jagen op een
Daar gingen door het land, door het
Daar gingen twee gespeelkens goed
Daar ging er een meisje langs den
Daar is 'n plekkie op aarde waar ons
Daar is 'ne man, ene fraaie man
Daar is een kindeken geboren, op 't toppelken
Daar is een kindje geboren op 't
Daar is een lied, een lied dat uit de
Daar is een schone klucht geschied,
Daar is een zucht die gloeit in ieder
Daar is maar één land, dat mijn land kan zijn
Daar is maar één schoon dochterke zoet
Daar klingelt een klokje met zilveren
Daar klonk een kreet, het Vlaamse
Daar klonk een liedeken langs de baan
Daar komen langs de harde baan, Sint
Daar komen onz' huzaartjes, van rappe
Daar komt een donk're wolk voorbij
Daar komt Jaap de groenboer aan
Daar kwam een boer gereden
Daar kwam een boer van Zwitserland
Daar kwam een muis gelopen, een muis
Daar kwam laatst een meisje van
Daar kwam lestmaal een kwezelken die
Daar kwamen drie koningen met ene ster
Daar kwamen preutse ridders met
Daar kwam laatst nen boer in de donkere nacht
Daar kwam nen boer in den donkeren
Daar kwam ne pater in den donkere nacht
Daar lacht de lieve maneschijn, al
Daar lag een wiedsterken op het land
Daar lag in zijn wieg op sterven, een
Daar leefde ne keer een kwezelken
Daar liep een oude vrouw op straat,
Daar ligt een dode krekel op een
Daar ligt in de kribbe lief Jezuke zoet
Daar loopt door 't gehucht een
Daar loopt een vogel spierewiet door
Daar, mijne lieve dochter, spin voor u
Daar moet veel strijds gestreden zijn
Daar nu het feest van Pasen is
Daar reed nen boer naar Leuven
Daar roert iet in het Kempenland
Daar spraken op nen morgen, twee haantjes
Daar staat een klooster in oosten
Daar staat een slot in Oostenrijk
Daar stak op nen morgend een jong maseurken
Daar stappen twaalf soldaatjes,
Daar stapt een stoet van kerels
Daar sukkelt kortbeen in de rij
Daar vaart een man op zee
Daar waar de vrije belgen wonen
Daar waar Kortrijks korenvelden
Daar waar Kortrijks vruchtb're velden
Daar wandelde op een zomerdag
Daar waren drie tamboers, die van de oorlog kwamen
Daar waren twee boerenkind'ren
Daar was e wuf die spon
Daar was een kwezeltje, die 't al wil verstaan
Daar was een kwezeltje, wilt mij
Daar was een meisje in de Kempen
Daar was een meisken zo jonk
Daar was een sneeuwwit vogeltje
Daar was een wuf die spon
Daar was eens een advocaat, tiereliereliere
Daar was eens een groen mannetje
Daar was eens een koepaard uit
Daar was eens ene kwezel, wil mij wel
Daar was ene man, ene fraaie man, ene
Daar was er een veld dat vol ridders
Daar was er eens een oude uil, die
Daar was er laatst een mooi maagdetje
Daar was ereis een blonde knaap
Daar was ereis een herderin
Daar was ereis een meisken, een
Daar was ereis een vrouw die koeken
Daar was laatst een advocaat, tiere
Daar was laatst een meisje loos, die
Daar was laatstmaal een kwezel, wil
Daar was lestmaal een kwezelke
Daar wemelt iet aan Maas- en
Daar werd een krans gestrengeld, van
Daar wierp een visscher zijn
Daar wordt aan de deur geklopt, hard geklopt
Daar wou nen boer ter paardenmarkt gaan
Daar zat een klein kaboutertje
Daar zat een muis in de schapraai
Daar zat een sneeuwwit vogeltje
Daar zat een stokoud moederkijn te
Daar zat nen uil en spon, spon, spon,
Daar zaten op een twijgje wel zeven musschen
Daar zaten zeven kikkertjes al in een
Daar zit ik, daar kruip ik
Daar zou een meisje gaan halen wijn,
Daar steekt van wal een vlugge boot
Daer kwamen dry koningen met een
Daer staet een bloemken in ghenen
Daer staet een clooster in Oosterrijck
Dag dag dag, tot de volgende keer
Dag lief hartjies
Dag meneer de sneeuwman, waar kom je
Dag meneer, dag mevrouw, kijk
Dag Rozemarijntje, dag m'n
Dag Sinterklaasje, dag, dag, dag, dag
Dag vrouw, dag man, dag altegaar
Dag wereld, dag mensen, dag
Dames en heren hooggeëerd publiek
Dan mocht de beiaard spelen, van al uw torentransen
Dank u wel, dank u wel, dank u wel
Danket, danket dem Herrn, denn er ist
Dans als de regen in 't zomergras
Dans, dans, de dans brengt nieuwe
Dans in een lange rij, spring naar
Dans, vlinderke, dans ! Dans in de
Dat de goedheid Gods geweten zij alom
Dat du min leevsten büst dat du wull weest.
Dat handhaaft de vorke
Dat is van ons, dit lieve land
Dat liefde vreugde brengt
Dat u God beware, bid Hem elke dag,
Dat wil ik belijden voor iedereen dat
Dat's de eerste maal: de trompetten
Datgeen wat ik in mijn leven verlang
Dauwt Heem'len dauwt van uit den
David en Daniël, spits nu jullie oren
De avond doet ons luisteren naar 't
De avond valt, 't zonnetje rust
De avondwolke' omvangen nu de glorie
De bange nacht is weeral om, wij
De beiaard speelt zoo schoon hij kan
De beiaard zingt zo schoon hij kan,
De Belgica, de Belgica, haar togen
De bezem, de bezem, wat doe j'er mee
De blanke vlag waait open, Kajotsters
De blauwe Dragonders die rijden, met
De blije mei lokt bloemen in de wei
De bloemekens nijgen het kopken
De bloemen beed'len om je blik, de
De bloemen verwelken, het licht gaat
De bloempjes gaan al slapen
De bloempjes gingen slapen, zij waren
De boer die zendt den Dokus uit, hij
De boer die zwoer hem blau, hij zou
De boer had maar enen schoen
De boerkens smelten van vreugd en
De bomen strooien weêr den weg met
De bonte bloemen slapen in zilv'ren
De boom met brank en blad
De boom stond in de aarde en bloeide
De Burchtknaap zingt zijn hoogste lied
De dagen afgeteld van een tot zeven
De dageraad klaart aan de kim, en
De dag heeft weer zijn taak volbracht
De dag verdrijft de donkre nacht
De dag was bont en blij en zorgen
De dag was zo stil te Nazareth
De dennen roepen ons, de lente lokt
De dennenbossen zijn heel stil, het
De deur uit, de deur uit, de bakker
De dijkgraaf van Cadzand was geestig
De donkere nacht is nu weer voorbij,
De droefheid kwam, ik wil een lied
De duinen zijn als logge reuzen,
De eed door de Geuzen gezworen,
De eerste koning die 't sterreke zag,
De eerste vreugd die ik gewan, doet mij tot treuren
De engel boodschapt aan de Maagd Gods
De engelen kwamen al zingend beneden
De engel Gods omgordde Uw' lenden
De fanfare van Sint-Jan schettert wat
De felle zon omgloort de heide en
De fiere helden van 't verleden,
De fiets van Piet Paaltjes komt juist
De Fransen waren meester, ons rijkdom
De gedachten zijn vrij, wie raadt ze daarbinnen
De Geuzen zijn in Bomlerwaard
De Geuzen sijn in Bomlerweerd
De geuzenvendels rukken aan
De gilde viert, de gilde juicht
De grachten lagen lichtjes toegevroren
De grond is wit, de nevel wit
De grote banaan uit Afrika
De grote klok, de grote klok
De grote Sachem heeft gesproken en
De grote Schepper aller dingen
De handen zeg'nend opgeheven
De harmonie van Bergijk die speelt er
De Heiland hing aan het kruis
De hem'len zingen de Schepper ter ere
De hemel door klonk strijdrumoer
De hemel hangt vol windgeweld,
De herderkens hadden nog laat in de
De herdertjes lagen bij nachte
De heren van Havere zijn geen Heren
De herfst begint, een koude wind
De heuvelen stonden te gloren, in 't
De Hollandsche weiden zijn er zoo
De hopman gaat ons voren, waarheen
De jonge lente in 't verschiet, de
De jongens zeggen 't aan de meisjes
De kabels los, de zeilen op, dat gaat
De keizer van Hongkong die had
De kerkeklokken luiden luiden luiden,
De kerremis is daar, sa jongens
De kikkertjes, de kikkertjes, zijn
De kleine klok, de grote klok, de
De kleremakers op hun feest, die
De klokken op de toren klinken ding
De klokken van de toren
De klokken van Haarlem die klinken
De koe die heeft een snuitje, wat
De koe die heeft twee ogen, wat doet
De koei die heeft een bakkes, wat
De koekoek in de mei die hoorde de nachtegaal
De koekoek op de toren zat, de
De koekoek roept, de merel fluit, de
De koffie, de koffie is klaar, de
De komende komt! Effent heuvels en
De koning van Siam die had het zo
De kouter ligt tussen de zwarte torens
De krepelaar ging wand'len, en hij
De krokodil ligt in het water
De kwakkel slaat in 't groene veld,
De laatste dagen en de laatste vragen
De laatste keer dat Pierlala uit 't
De laatste sterren worden al klein
De landsknechttrommen dreunen, zij
De lange dag is weer passé, o
De Leie loopt er langs', met spiegelingen
De lente drentelt door het land en
De lente fluit de winter uit, de zon
De lente komt gesprongen
De lente komt, de lente komt, al
De lente komt, ik hoor de vogels
De lente lacht en rinkelt
De lente loopt nu te fluiten en danst
De lente naakt, de lente naakt
De lente rolt de winter op, schoon
De lentewinden waaien weer lauwe
De lepelaar, de lepelaar heeft rooie
De lied'ren weerklinken van merels en
De liefde baart dikwijls verdriet
De Liefde won zijn dartel hart, dat
De lucht is blauw, de hemel hel, wij
De lucht is blauw en groen het dal
De maaier zingt een zomerliedje
De machtigste koning van storm en van
De mei die ons de groente geeft doet
De mei is daar, de lieve mei. Wij
De mei is daar, de milde mei, Maria,
De mei is gekomen, nu tooit zich bos en gaard
De mei plezant willen wij planten
De mei, de mei, de zonnige mei
De meimaand is de bloemenmaand, de
De meimaand is in 't land lief kind
De meivis is gekomen, de Schelde
De mens bestaat, bezit de eerste handen
De mensen doen soms toch zo raar
De minne die in mijn hartje leit, die
De minnezanger ter grenzen ging, waar
De moeder zat bij 't wiegje geknield,
De mol groef mijnen, kris en kras, of
De mooie tijd is weerom daar
De morgen breekt aan, de morgen
De morgenster is opgerezen
De morgen zit vol zomerzon, het trekkersvolk
De muziek drijft de zorgen uit ons
De muzikanten spelen van tiereliere
Den aangenamen lentetijd komt ons weder
De nachtegaal die zank een lied, dat leerde ik
De nachtegaal die zong een lied
De nacht hing als een woud zo dicht
De nacht is uit, de merel fluit en de
De nacht is zwart als een andere nacht
De nacht ligt op de baren, de storm
De nacht verruist in lover
De navond komt zo stil, zo stil, zo
De nevel ligt over het veld, de oogst
De nevels drijven door het dal, het
De nieuwe lente lacht ons tegen, door
De noorderwind blaast, 't gaat
De Noordzee bruist de Noordzee stormt
De Noordzee bruist een lied dat
De ommegang loopt door de pinkstertijd
De orgelman, de orgelman
De orgelman, de orgelman, die loopt
De oude kleerkast open de blauwe kiel
De paashaas, de paashaas, die is weer
De paden op, de lanen in, vooruit
De pauw de danser in gemeten pas
De priester Gods is een alter Kristus
De schaduwen bevangen mij
De schoentjes gaan er met paren, en
De school is uit, de deur is toe
De sneeuw verzwindt, de mei begint,
De speelman komt voorbij en hij
De spin wiedewin, de spin
De starretjes blinken zo helder
De ster, de ster moet ommegaan, wij
De ster, de ster moet rondomme gaan,
De sterren verschijnen eerst één voor
De stoet komt aan, de stoet komt aan,
De stoker en de machinist, die hebben
De stokoude wereld voorbij, fallera,
De straten zij dreunen bij 't
De student is vrolijk man, juchheidi,
De studenten, blijde venten, gaan
De tijd spoedt heen en bakent reeds
De tijd van God, het grote eschaton
De trommel roept, wij treden aan
De trommel slaat, de fluite gaat
De trommeljongen gaat ons voren,
De trommeljongen moet weer heen, de
De uil die op de peerboom zat
De vastenavond die komt an, wij
De vastenavondzot, die geeft niet om
De vedel aan de zijde, het lied in ziel en mond
De vendels staan strak in de morgen,
De vendels staan trots en verbeten,
De visles in het water, de koeien in
De visser moet naar IJsland, en 't is
De Vlaamsche zonen zingen vrij
De Vlaamse Maagd voelt 't harte
De vlaggen van Groeninge staan in ons hart
De vlammen wiegen zacht in zilv'ren
De vlokkige sneeuw viel blank en koud
De vogels konden vrolijke en blij de
De vogels zijn heen en de velden zijn
De vreemd'ling heeft gezworen, nog
De vriezeman kwam van den nacht
De vrijheidszwaarden vroom gewijd,
De waggelmannetjes lopen nooit netjes
De weelderigste korenaar hangt naar
De weg ten eind, ligt in de laatste stad
De wereld heeft de vreugd gedood
De wereld is een toverbal, geen mens
De wijzen, de wijzen, die gingen
De wind ruist door de bomen van mijn
De wind waait door de bomen, de
De winter is verdwenen, april is
De winter is vergangen en gaandeweg voorbij
De winter is verghangen, ick sie des meien schijn
De winter is verre geslonken, de
De winter is weg en de lente
De winters als het regent dan zijn de
De witte vlokken zweven door een in
De zak op de rug en de stok in de
De zang die is voor alles goed, dus
De zee is diep, de zee is wijd, doch
De zee is stil gelijk een graf,
De zeeman van de oude tijd, met mast
De zoete tijd komt aan, laat ons gaan
De zoete tyden van het meysaizoen
De zomer is voorbijgegaan tot later'
De zomer, de zomer, de zomer is
De zon alreed' is opgestaan, de Here
De zon beschijnt mijn lieveken, het
De zon ging moe ter ruste in 't
De zon is opgestaan en de dauw
De zonne alrede is opgestaan
De zonne koestert de bloemekens
De zonne lacht, het klokje luidt, sa
De zonne reikt naar hoge tijd, neem
De zonne schijnt zo hel en klaar, de
De zon staat op den weiderand in
Den avond daalt in schemerblauw op 't
Den dag en wil niet verborgen zijn,
Den mei die is geplant in 't land, in
Den uyl die op den pereboom zat
Den Vlaming zit de roerigheid
Den zondag staat op
Des avonds in den reine rein, des
Des avonds zingt het windje aan al
Des hemels spiegel, mild en fris
Des morgens als de jachthoorn schalt
Des morgens als de zonne het nevel
Des morgens als de zonnestralen, al
Des morgens ligt nog alles te dromen
Des morgens vroeg als mij de klok
Des winters, als het regent, dan zijn de paadjes diep
Des zondags als de klokken 't begin
Deze aarde is schoon, deze aarde is
Deze vuist op deze vuist
Di vierkleur van ons dierbaar land,
Didele didele dom, beslag in de kom
Die aandklokke lui in die verte, in
Die berge, blomme, bome, die
Die edele heer van Brunenswijc, die
Die eerste vreugd die ik gewan, doet
Die goede mannen van weleer zij waren
Die Hoogland is ons woning, die land
Die mei plezant willen wij planten,
Die mei spruut uut den dorren hout
Die mens bewerk die lande, hy ploeg
Die Monument is welbekend in allerlei
Die nachtegaal die zank een lied, dat
Die nachtegaal in 't wilde, Princesse amoureus
Die noodklok roep met luider klem
Die purper van purpere lugte
Die rimpels in haar oud gezicht, ze
Die soudaen had een dochterkijn
Die vogelkens in der muiten, zij
Die wachten, die wikken en wegen,
Die winter is een onweerd gast
Die winter is verganghen, ic sie des meien schijn
Dientje, als ik in de rij, door de
Dietse vendels breken baan, VNJ marsjeert vooraan
Dieuwer is verliefd, te met op zukken
Dij, dij ligt mij in 't herte
Dikke dakke dikke do
Dindindin dy kwam van Brugge, met syn
Ding, dong, digidigidong
Diogenes de wijze man, die woonde in
Dit ganse jaar klinkt één parool, doe
Dit is de dag die de Heer gemaakt
Dit is de mei, dit is ons levensdroom
Dit is de tijd dat de horens manen
Dit is de tijd dat van land tot land,
Dit is die Heer se dag, dit is die
Dit is die maand Oktober ! Die
Dit is het volk der beide Breughels
Do, do kindje van de minne, slaap en
Do, do, dijne, Mieken, wat bloost er
Dodosolamifaso, al deze noten, die
Doe die rose van Jericho dan soon der
Doedel, doedel, doedeljoe
Doe, doe, doederidoe, broertje is zo moe
Doedoe kindje doedoe, mm, die
Doemla, doemla, doemla di
Doep doep doep
Dof grolt de grauwe zee heure klacht
Dogter van Sion, breek nou uit, juig
Domdiridom, doen de klokken van de
Dona nobis pacem, pacem
Donker venster, vreugdegenster
Donkerbruin fonk'lend haar laggende
Donkere nevels woelen de luchten
Donkere wolken en een zwarte lucht
Dood ging eens een raspaard, hoju,
Dood is wie laffe leeft in
Doog dat wij U groeten, Moeder van de
Door de bomen danst de lentewind
Door de bossen door de heide, door
Door de golven woest gewoel,
Door de gouden dreef der dromen
Door de kamer vloog een vlieg,
Door de liefde wilt ontwaken
Door de liefde wilt ontwekken, spoedt u herders
Door de Nederlanden, naar de wijde, diepe zee
Door de straten, lijk de storme
Door de wereld gaat een woord en het
Door eenzelfde wet eens verbonden, in
Door gif en giertij aangevreten
Door heel den omtrek melden de
Door mijn woning speelt een zonnig licht
Door Vlaanderens gouwen zingt ridders
Door zovele lieve kleinen, wordt Gij
Doorgaan! Doorgaan! Niet versagen!
Doorheen het land van Waas, waar zich
Douw douw, mijn liefste kindje, mijn
Draai het wielken nog eens om, klap eens
Draai het wieltje nog eens om, klap eens
Dreune 't lied der kloeke zonen, die
Drie dwaze heksen
Drie ganzen in 't haverstro
Driegouwenland verscholen onder
Drie herderkens gingen hoeden en zij
Drie hogen begroeten de geboorte van 't licht
Drie kameraden op pad
Drie kleine katjes
Drie kleine kleutertjes zaten op een
Driekoningen, die stapten langs de baan
Drie koningen groot van macht
Drie koningen kwamen van verre, zij
Drie koningen rijk en groot van macht
Drie koningen, drie koningen, geeft
Drie leliën, drie leliën, die plant'
Driemaal Ridder in uw leven: door den
Drie rozen waren grauw bepareld van de dauw
Drie ruiters reden naar de poort,
Drie schuintamboers, die kwamen uit het Oosten
Drij koningen rijk en groot van macht
Drink uit dan, broeder, drink, drink
Droef door Naïms donkre poort daalt
Droefheid dragen, vreugde schragen
Drom, drom, de jonge scharen komen,
Droppen, droppen, kloppen, kloppen,
Dubbele Jan die ziede nie meer op de
Duimeloot is in 't water gevallen
Echo zeg eens vriendje lief, wilt gij
Edel leven, opwaarts streven
Edelvrouwe van de minzaamheid,
Eekhoorn, eekhoorn, met ja lange
Een aapje liep door bos en struiken,
Een alre lieffelicken een, dat heb ic
Een avond langs de Brugse reien
Een beetje warmte, een weinig licht
Een Blauwvoet in hogere luchten, Gij
Een blijde kreet stijgt uit ons drom,
Een blije dag straalt ons weer toe,
Een bloemke voor de ruit, een vogel
Een blozend blond boerinneke was naar
Een boerke ging eens naar de stee,
Een boerke uit de Kempen is pover als
Een boerke uit het Vlaamse land
Een broek heeft twee pijpen
Een bruine muts, soms krullend haar,
Een Burchtknaap bij zijn Chirovlag,
Een deeltje van de keten dat ben jij
Een druppeltje drup in de dorste
Een duitjen en een stuiver
Een Duits soldaat heel sterk en kloek
Een eikenboom ken ik
Eén en één is meestal twee, jan, pet,
Een engel komt van al zo hoog, eia
Een ezel balkte noten na: re re do si
Een fijfer klinkt hel in de morgen,
Een glazenmaker had bij 't werk veel
Een goede nacht en goede dag
Een grimmige wolf doorliep het land,
Een groevig oudje toog naar
Een grote dikke vlo sprong een
Een grote stieros uit Spanos
Een handvol licht, een mondvol lied
Een hond, een kat, een haantje, die
Een huis, ene kat en een stove, hoe
Een huisheer had zijn feest bereid
Eenieder heeft zijn eigen land, daar
Een is ene, enen God allene, enen
Een is het land waar wij zijn geboren
Een jager door de bossen ging, loop
Een jager langs de vijver ging, loop
Een jager rende de slotpoort uit,
Een jager rijdt door 't land
Een jager uit Kurpfalz, die rent al
Een jager wou gaan vissen in de zee
Een jager wou uit jagen gaan, hij had
Een jeugd groeit heden, zij heeft
Een jongeheertje ging uit jagen op
Een jongeling was 's morgens vroeg opgestaan
Een jongen hoort op het water thuis!
Een jongen van Holland, van echt
Een Jongknaap houdt van leut en lach
Een jongverkenner van B.P. dat is
Een kalemanden rok, een wit mantlijntjen d'rop
Een kamer in den zonneschijn
Een karretje op een zandweg reed
Een kerel die te Leuven landt
Een kind, een kind, een Koningskind
Een kind en een kind en een kleyne
Een kind geboren in Bethlehem
Een kind is ons geboren, zo lang
Een kind, en een kind, en een kleynekind
Een kindekijn is ons geboren in Bethlehem
Een kindekijn werd ons heden geboren
Een kleine hond zat op de stoep
Een kleremaker met een muis, die
Een kleurpalet van bos en hei, met
Een knaapje stond bedrukt te zien
Een koekoek en een ezel, die gingen eens in strijd
Een koekoek in een boomgaard zat
Een koetje en een kalfje die liepen
Een koning gaf, met groot vertoon
Een laag gezeten huizeke
Een lach die straalt, een daad die
Een leven vol strijd tot alles bereid
Een lied, een lied uw leven lang! Och
Een liedeke zingen, wie die het niet
Een liedje zingen, wie die het niet
Een liedje moet er wezen
Een lijster in zijn leefmilieu
Een maal een is een en drie maal drie
Een man een man, een woord een woord,
Eén man, één man, één woord
Een meisje dat van Scheveningen kwam
Een meisje ging naar de kermis, een
Een mezennestje is uitgebroken
Een mooier deuntje, leuker lied, dan
Een morgen van melk en genade
Een muggenbeet, een muggenbeet
Een muzikant wou vrolijk zijn
Een Nederlandse Amerikaan die zie
Een nieuw geslacht en een frisser
Een oud pastoor die had een koe, had
Een pater zong zo menig lied, de God
Eén pintje twee pintjes drie pintjes
Een ruiter die reed van Maastricht naar Gent
Een schamel boerke uit de Kempen kwam
Een scheepje in de haven landt
Een scheepje lei al aan de kust
Een schone tijd houdt ons harte
Een seraphinse tonge mij nu wel dient
Een slotenmaker had een knecht, niet
Een smeder die zwaaide met
Een smidje in zijn smisse, die zong de hele dag
Een spett'rend spel en een laaiend vuur
Een stad kan zacht zijn als het jaargetijde
Een student is een vent met een pijp
Een stuk van liefde moet ik u
Een tak wordt muur
Een takske van de palm gebroken,
Een teug, een gulle teug gedronken,
Een trommelaar met rode mond in 't
Een twee drie, mandje op de knie,
Een, twee, drie, vier, een hoedje van papier
Eén twee drie vier, en .. die is hier
Een twee drie vier, en Hannes die is
Een twee drie vier vijf zes zeven
Een vijand werpt bedreigend zijn
Een vogel die vloog er door boom en
Een vogeltje met felle longen
Een volk dat wil tesamen staan, kent
Een vreemde arme snuiter, was moede van het wand'len
Een vriend'lijk aardig vogelijn zong
Een vrije vogel ben ik en zing
Een vrouwken gezwind te spinnen zat
Een waar kajotter is steeds blij
Een ware kajotster wil ik zijn
Een wijf had een kabaas, een wijf had
Eén wil ik zingen ! Groen, groen
Een zaaier ging en wierp zijn graan
Een zandweg snijdt door jonge hei, op
Een zoen die men ongeweten eens
Een zoen die moet afgebedeld, waar
Een zomeravond ging heel zachtjes
Eén, één, één is één, ene God alleen,
Een, twee, drie, vier, hoedje van,
Eens heersten wij over de zeeën, we
Eens klonk uit het land van de Kerels
Eens naderde ons van Frankrijks grens
Eens vielen de wallen der steden,
Eens was een volk, een vechtersvolk,
Eens, tussen Doel en Dendermonde
Eenzaam door de hete Sahara
Eere zij God, eere zij God, in den
Eer mijn oog de spijkertekens en de
Eerste hemelblommekens zoet
Eerst gedaan en dan bedacht, heeft
Eerst wordt de wijn gedronken, o
Eertijds toen de vrije Vlamen, op de
Ei wilder dan wild wie zal mij temmen
Ei zie de morgen krieken
Ei, de witte herfstman zit in veld en
Eigen jeugd heeft hij gesmeed tot
Ei, wie moppert er in 't eigen, kleine land
Elk speeltuig klinkt op eigen toon,
Elke milde gave glijdt zachtjes uit
Elke morgen de klaroenen, schallen
Elke morgen lig je lekker
Elke morgen opgelet
Elsje Fiderelsje, zet je klopjes bij
Elsje zit te breien aan een lange
En aan de wilde Schelde daar rijst de
En als de boer twee blokskens heeft,
En als de boer zijn klompen heeft dan
En als de kerels tegaêren zijn, doede
En als een boer een broekske heeft
En als ik wil gaan huishou'n, dan
En als wij marcheren, dan klinkt er een kreet
En als wij naar de hemel gaan genever
En daar viel een hemels dauwke al op
En daar waren twee gezusters
En daar was herders te Betlehem in
En daar was er een jager uit jagen gegaan
En daar zat enen uil en spon willewon
En de boer heeft goed gezaaid, en wij
En de boom stond op de bergen, hali
En de Jef van de Capucienen, en de
En de kop van de kat is jarig en de
En dit is de historie van een oude
En één en één is twee, en één en één
En er was eens een jager uit jagen gegaan
En er was eens een vrouw die koeken
En hebt ge nog niet de Kajotsters
En hebt ge nog niet de kajotters
En Hem volgde een grote schaar van
En het morgengloren dat is onze tijd,
En het ochtendgloren dat is onze tijd
En ik ben met mijn Catootje naar de
En ik heb een klak op van Jaho
En ik heb een mooie tante
En ik zal je wat vertellen
En in de Mei, zo gaan wij zoeken
En kent ge mijnheer Janssens mijnheer
En kent gij de Chiro zaagt gij ze nog
En laat de zon maar branden, laat
En laat nu eens rondgaan, rondgaan,
En laat ons nog eens rondgaan,
En mevrouw van Rozendaal die had vier
En mijn één been staat en mijn ander
En mocht ik maar twee zielen
En moet nu toch vaarwel gezegd, en
En nou vaarwel ou vrind vaarwel, dit
En onze Lieve Vrouwe der Koude Bronne
En over de weide daar blonk de zon,
En rood is onz' vlagge
En 's avonds, en 's avonds
En toen ze in de gaarde kwamen
En vraag mij niet, mijn jonge vriend
En wie rijdt daar op zijn paard
En wie zijn biertje brouwen wil,
En zaaien en maaien zullen wij,
En zo rijden wij te paard, op een ezel
Epompee, poedernee, poedernaska
Er brandt een vuur in het bos
Er gingen langs zonnige wegen
Er groeien idealen, de jeugd staat
Er is een 1 2 3 4 5 6 7-ling geboren
Er is een bloem ontloken
Er is een kindetje geboren op d'aard,
Er is een kinneken geboren op strooi
Er is een lied aan de vreugde
Er is een man helaas te vroeg
Er is een ras, vol zorg voor eigen
Er is een roos ontsprongen aan Davids
Er is een roos ontsprongen uit eed'le worteltronk
Er is een roos ontsprongen, uit enen wortelstam
Er is een schamel, schamel landje
Er is geen mooier wijder land dan dit
Er is mij hier op aard niets zo
Er is veel van wat ik niet wist
Er kwam een kleine kindeke
Er kwam een wonder kindje van uit een
Er kwamen drie koningen met ene ster
Er lag een dromedaris in een
Er leeft een volk in kalme rust
Er liep eens een schachtje door
Er liggen bolletjes in de grond
Er lokt een lied uit bos en heide,
Er rijst in de morgen een vlag aan de
Er schommelt een wiegjen in 't
Er staan drie berken op de heide
Er staan zovele kruisjes in Vlaamse
Er staat een linde in mijn hof
Er stond een keer een stil kasteel
Er stond eens een beuk in een
Er stond voor enkele jaren een hutje
Er trokken drie knapen langshenen
Er vloeide eens een frisse beek
Er waren drie studentjes, van dingela
Er was een huisje wit en glad, dat
Er was een maegdetje zuiver en net in
Er was een oorlogsschip, er was een
Er was eens een advokaat, tirelirelir
Er was eens een (of 'n) boer naar de peerdemarkt gegaan
Er was eens een koning en een
Er was eens een luie boer
Er was eens een man, er was eens een
Er was eens een tinnen soldaatje, dat
Er was er eens een oude Rus
Er woonden twee kleine konijntjes
Er wordt verteld, dat Adam zich
Er zat een aapje op een stokje achter
Er zat een kieken op het spoor en de
Er zat een kikker in de sloot, how
Er zaten zes kippen in een oud
Er zaten zeven kikkertjes al in een
Er zaten zeven kippen in een oud
Er zeilt een schip naar volle zee
Er zijn kabouters overal die fier en
Er zingt mij soms in 't oude hart een
Er zouden vier wevers ter botermarkt
Er zwom een garnaal door het
Ere zij God in den hoge, vrede op
Ergens op de heide, maar zo stil en
Eune bedeune dediene, tjoeke, tjoeke
Europa door werd het bekend
Europa groeit naar eenheid, de
Falalalala
Februari is nooit zo goed of het
Feestelijker eenzaam trokken de volken
Ferme jongens, stoere knapen, foei!
Fiere boruwers van den lande, ziet
Fiere Maagd van Aveland die de Dietse
Fietsie foetsie is mijn fietsie, ai
Flapp'rend slaat de vlag in top,
Flieh, flieh flah, flieh flah flo
Flink de voeten van den grond! Danst
Flink en knap staat de Knapenschap
Fluister, fluister in het duister
Fluitjie blaas, kom staan in die tou,
Fonteine, moeder, maghet reine, Bloem
Franse ratten, rolt uw matten, wilt
Franshoekvallei is enig, die mooiste
Fredrick Hendrick van Nassau, prince
Freya zegen onze liefde, in dees
Freya, Freya, Freya zegen elke morgen
Fries bloed stuif op, wil nu eens
Fris als de morgen zijn kracht bewust
Fris elke morgen de vlag in top, blij
Fris in de wind wappert onze vlag,
Frisia non cantat, wie dat zegt die
Gaan wandelen dat staat ons aan
Ga nu zitten mijn Rosa, ga nu zitten
Gaat het tegen wind mijn vriend, mijn
Gaat mee, alwaar de vlagge gaat en
Gatatumba
Ge hebt me, o moeder, 't verlangen
Geboren is een Kindje klein, alleluja
Gedenk het blijde dennenwoud dat om
Gedreven door grootse dromen, wie
Geef dat ding eens door
Geef me vleugels als een vrije vogel
Geef mij een lach, geef mij wat
Geef wat om de rommelpot, 't is zo
Geeft den Heiland lof en eer, prijst
Geeft wat om de rommelpot, 't is zo
Geen ander lied dat mij zo diep
Geen avondwind en ruist zo zoet, in
Geen blijder stonde leven
Geen bron weerspieg'lend 't
Geen enk'le avond ben ik thuis,
Geen ijd'le traan past' ooit de man,
Geen koeltje doorluwt het zwijgende
Geen kruim of korstje verkwisten
Geen land ook ter wereld hoe schoon of hoe rijk
Geen liefde kan mij zoeter zijn
Geen regen kan ons deren, geen stormen
Geen roekeloze wagers, stil volk dat zich beraadt
Geen schoner land in deze tijd
Geen vorstin heeft onderdanen, aan
Geen wind geen storm blaast mij omver
Geen zoeter stem zong ooit een zoeter
Gegroet, gij schone mei, vind ik u eindlijk weer
Gegroet in 't onvergank'lijk licht
Gegroet, o banier, o rode banier
Gegroet, o lieve lente
Gegroet, o schone gildevaan, gegroet,
Gekwetst ben ik van binnen, doorwond
Gekwetst en moe geleden
Geldeloos, je doet me pijn
Geliefde mijn, de vogels zingen
Gelijk de meeuwen rust'loos spoeden,
Gelijk een daske zijt ge dik
Gelijk een nukkig kind bijna zo
Gelovet zijtstu Jesu Christ, dat du
Gelukkig is het land dat God de Heer beschermt
Geluidloos grendel ik de woonark
Geluidloos, geluidloos
Geniet van de lente, geniet van de
Geplant in vaste Vrystaatsaarde, hoog
Gestaald, gesterkt door harde strijd,
Geurend, blozend bloeit gij
Gezegend zijn mijn liefs bruin ogen
Gezegend zijt Gij, Lieve Vrouwe op
Ghele bloemkens spruiten op de heiden
Ghequetst ben ic van binnen, duerwont min hert so seer
Ghi die Jesus wijngaert plant,
Ghi rudders, dwinghers, maect u van
Gierende Gerrit uit berreg en dal
Gij, der steden uitverkoren, wonder
Gij frisse lelie op het veld, met uwe
Gij gaat waar u de hemel roept, en
Gij, gildelieden, volgt de vane
Gij hadt de kaarsen als een kind
Gij kent mijn dood al, God
Gij leeuwrik en gij nachtegaal! Al
Gij mocht hem eind'lijk dan zien
Gij moogt niet met de vinger dreigen,
Gij ogenvreugd en vriend van Hem
Gij riept ons Heer in het licht van
Gij schittrende kleuren van
Gij, Sions volk, beklim de bergen !
Gij trouwe kunst, in zoveel donkere dagen
Gij vloodt dus heen naar 't killig
Gij weet dat ik een trompetterke ben,
Gij zegt dat 't Vlaams te niet zal
Gij ziet voor u, God onzer vadren
Gij zijt de valkenier die jaagt op
Gij zijt er zo lief en aanminnig, uw
Gij zijt, gij, even twintig
Gij zijt het doel, Gij zijt de baan,
Gij zijt het zaad in onze grond, het
Gij zijt voorbijgegaan, een steekvlam in de nacht
Gij zijt van ons, Lutgard, gelijk geen tweede
Gij zomer, mijn zomer, gij lichtende schijn
Gildebroeders, maakt plezieren
Gille Gillegouwtje, beste vrouwtje
Glanzende spaden, stalen gelid,
Glatt framat marschera! Sjung och
G'lijck den grooten rapsack vloot den
Glijck den grootsten rapsack, vloot
Glorieuze violette, koningin van hemelrijk
Glück auf, Glück auf, der Steiger
God gaf het ons, God nam het ons,
God geeft aan ieder vogel het voedsel
God geeft den tijd bij dag en jaar
God groet u, zuiver bloeme, Maria
God is die goed is, woorden van
God is in ons midden, vrienden
God is mijn lied, Hij is de God der krachten
God miek de Noordzee wild en groot,
God sprak tot Abraham: Verlaat uw
God sy dank, ons land is vry, klink
God zeegn' u, groen, God zeegn' u
God, onze Heer, Gij zijt de Heer der
Goed heil, goed heil, ons taak
Goed Nieuwjaar is wat wij allen
Goede God, wij zeggen dank al te saam
Goede lieden, wilt mij aanhoren,
Goede maan, ge schijnt er zo stille
Goede middag mensen allemaal
Goede morgen, goede morgen mijn
Goede morgen, goede morgen, goede
Goede nacht! Onze dagtaak is
Goede nacht, de dag is heen, de aarde
Goede nacht, de dag is heen, vaart
Goede nacht, goede nacht, is het
Goede nacht, goede nacht, weer is
Goede nacht, kameraden, gedenkt
Goede nacht, kameraden, wij sluiten
Goede nacht, mijn vaandel goede nacht
Goede nacht, onze dagtaak is
Goeden avond speelman, mijn vader
Goeden avond, goeden avond, allemaal
Goedenavond, goedenavond, gij
Goedendag ! Klinkt eer- en vriendlijk
Goeden morgen samen! O wat
Goeie morgen, goeie morgen,
Goeiemorgen Mien, goeiemorgen Trien
Goeienag ! Die vermoeides kom tot rus
Goê morgen! Goê morgen!
Goochel maar eens met mij mee
Gooi nu de laatste touwen los, wij
Goud en silwer het ek lief, met hul
Gouden meizon straalt over d'aarde,
Grauw is de nacht, zwart is de Wacht
Grauwe smart, stalen hart
Grauwtje de ezel die stond al in de
Griet mijn schat, zeg weet je wat?
Grijze donderwolken drijven, over schuimend woeste zee
Grijze kolonnen trekken in de morgen
Groen is de mei, met allerlei
Groen is 't gras, groen is 't gras
Groeninge, Groeninge, Vlaand'rens
Groeningeveld, waar zijn de dagen
Groet onze vaan, die klimt in de
Groot is het volk en het volk vergaat
Grootmagtige, grootmagtige, U loof
Grootmoedertje, grootmoedertje
Groot soldaatje, klein soldaatje
Grote klokken lopen tik tak, tik tak
Grote klokken zeggen tik tak, tik tak
Ha, ha, ha, de winter is weer daar !
Haantje de voorste schudt zijn kop
Haar baar snaar, de winter is weer
Hagen en sneeuw, onweer, wind en
Haha.. dat jonge zingen doet den mens
Hahaha, hoort de echo galmt ons
Hahaha, onze jubel roept de echo ons terug
Hallali, hallali, hallo, hallo
Halleluja, de blijde toon, halleluja
Halleluja, halleluja, amen, amen
Halleluja, halleluja, zo klonk het
Hallelujah, hallelujah,
Hallo, hallo nu zijt allen welgekomen
Hallo, hallo, hallo, hallo, wij komen
Hallo, hallo, hallo, hoe gaat het er
Hallo, hallo, hoe gaat het er mee,
Hallo, hallo, wij komen u groeten,
Hand in hand, de dikke koontjes
Hand in hand gaan wij ter feeste, Lijntje
Hand in hand zo willen wij strijden
Handjes draaien, koekenbakken vlaaien
Hangt een truisch hem over
Hani koeni, ha ha hoe ha ni
Hanneken moet slapen, vader hoedt de schapen
Hannes loopt op klompen, zimpe,
Hansel en Gretel, twee lustige lui
Hansje heeft een jasje aan en dat is hem te klein
Hansje pansje kevertje die klom eens
Harbouya die is zo krank, Harbouya
Hariop, hariop, hariop, hariop, wij
Hariop, hariop, wij marcheren kranig
Harop ! Kajotters onvervaard
Harop 't is Mei, de lente tiegt in
Harop voor Christus Koning, Hij
Harop, gij Rooms, gij Vlaams
Harop, harop, in 't Oosten dreigt
Harop, harop, verhef nu Vlaming fier
Harop, kajotters onvervaard, de jonge
Harop, voor Christus Koning, Hij
Harop, zo zingen w'ons ten strijde,
Hé daar, is er niemand thuis, honger
Hé daar, is er niemand thuis, woont
Hé daar, is er niemand thuis?
He hop, Pipo Pipo die ging nu eens
Hé kom aan en zit bij ons aan, eet
He, ho, span de wagen aan, want de
Heb je al gehoord van de zeven, de
Heb je ooit Chinees gegeten
Heb je van de Zilveren Vloot wel gehoord
Heb je wel gehoord van de zeven, de
Heb je wel gehoord van de Zilveren
Heb je wel gehoord van het beertje
Hebt dank, hebt dank, voor spijs en
Hebt gij de vreugdekreet gehoord der
Hebt gij niet eenmaal over 't wiegje
Hebt gij niet gezien een ventje
Hedde niet gehoord van de zeven, de
Heden een in zang en spel, morgen is
Heden houdt het dwergenvolkje
Heden syn wi noch int lant, morghen
Heeft het roosje milde geuren, het
Heel alleen op z'n paard
Heel heel langzaam gaat de slak
Heer, bly U by ons, dit is al amper
Heer, de nacht is gezonken, 't jonge
Heer der gerechtigheid, Gij die de
Heer, die uw tent in de hemelen
Heer God wij willen vragen
Heer Halewyn zong een liedekyn
Heer heb dank voor spijs en drank
Heer in uwe name gaan wij 't zeil in
Heer Jezus bracht zijn vrienden naar
Heer Jezus heeft een hofken daer schoon bloemen staen
Heer Jezus heeft een hofken waar schoon bloemen staan
Heer Jezus is gezeten als Vorst
Heer Jezus kom en hoor onze bede en
Heer, laat het prinsenvolk der oude Nederlanden
Heerlijk land, ik heb u lief, om de
Heerlijk landje mijner dromen, land
Heerlijk zijn uw wonderwerken
Heer, mijn ziel is ziek en zuchtig
Heer, mocht u behagen deze kleine woon
Heersen moet Hij, Kristus Koning,
Heer Schimmelpenninck weet
Heer, wij vergeven aan elkaar
Heer, zegen ons dierbaar vaderland,
Hef op jullie hoofde, poorte der
Heft aan, heft aan, studentenvolk, en
Heft, Burgers, 't lied der vrijheid
Hei, laat ons dansen, speelt de vedel
Heilig, heilig, nog eens heilig, driemaal heilig
Heilig vaderland in gevaren ziet g'uw
Heil 't Vaderland, heil 't Vaderland,
Heil Vlaanderen, 't dierbaar
Hei makkers ruimt de brede baan, en
Heimelijk roert het in mijn ziele,
Heimwee doet ons hart verlangen
Heio, span de wagen aan!
Heksen op hun bezemsteel
Hela gij bloempjes slaapt gij nog
Hela gij bloempjes, slaapt gij nu nog
Hé, lekker in de buitenlucht, wat
Hele zomernachten lang, horen wij de
Hel is de liefde die licht in mij!
Help God, hoe wee doet scheiden
Helpt nu u zelf, zo helpt u God, uit
Hemel en aarde kunnen vergaan
Hemel en aarde zullen vergaan
Herdenkt nu de strijd onzer boeren,
Herderkens die daar zo lief'lijk
Herderkens van buiten met trommels en
Herderkens, herderkens die er zo vroo
Herders brengt melk en soetigheyd, de
Herders laat uw bokjes en uw schapen
Herders, herders, laat achter je
Herders, hij is geboren, in 't midden van de nacht
Herders, Hij is geboren in 't midden
Herders, Hij is geboren te midden van
Here, kere van ons af Uw vertorend
Herfst herfst herfst is weer gekomen
Herodes deed het kind vervolgen, dat
Hert, mijn hert, waarom zo treuren
Hertog Alva, Hertog Alva rukt op naar
Het Angelus klept in de verte in tone
Het avondklokje klepelt zacht
Het bos verwacht het wonder
Het brandend pijpken zendt zijn
Het breed gebruis der baren, bracht
Het daget, het daget, de zonne, de zonne
Het daghet in den Oosten, het lichtet overal
Het Deezeke schuddelt zijn beddeken
Het eerste trommelke dat ik vroeg,
Het eerste woord zal vrede zijn
Het egeltje zoekt naar een plek om te
Het geigeken begint, het jubelt en
Het gras was groen en je lachte naar
Het is een dag der vrolijkheid in des
Het is een overoud vertelsel
Het is er zoo stil in de hei, zoo
Het is slechts langs de rechte baan,
Het is zo goed bij U te zijn o Jesu
Het kindje Jezus is geboren te
Het kindje slaapt, het kindje rust
Het kleine lieve kleuterken lag
Het klinkt e klee klee klokske, te
Het klokkenspel van Amsterdam zegt:
Het kloksken van Kafarnaom hangt in
Het kloksken van Kafarnaom luidt, bim
Het komet een schip geladen hent aan
Het komt een schip geladen tot aan
Het leven is een krijgsbanier
Het leven is niet louter vreugd
Het leven is vol strijdrumoer en
Het loof valt van de bomen, de
Het lustige vinkje in de bomen,
Het mannetje Boe dat liep te dwalen,
Het meisje met haar emmer melk
Het mezennestje is uitgebroken, dat
Het Nieuw' jaar is daar
Het paard van de waard in Bolsward,
Het pasgeboren kindje schreeuwt, 't
Het quamen drij coninghen uyt verre
Het regent als het reg'nen wil, het
Het regent, het regent, de pannetjes
Het regent, het regent, een dropje
Het regent, het regent, nu blijft
Het regent, het regent, we worden
Het schall' over Vlaanderens gouwen
Het schip moet voort naar Engeland,
Het spruit aan de bomen, het groent
Het staet een casteel, een rije
Het vendel leert marcheren, vele maanden
Het vendel moet marcheren
Het viel een hemels douwe voor mijn liefs vensterkijn
Het viel eens hemelsdouwe al in een maechdekijn
Het Vlaamse heir staat immer pal
Het Vlaamse volk is volk van 't vrije
Het vloog een klein wild vogelken tot mijn liefs venster in
Het VNJ is jarig, we vieren allemaal
Het volk eist soldaten, het volk eist
Het voorjaar gaat komen, het groen
Het waait een windeken koel uit den Oosten
Het wand'len is des mulders lust
Het wand'len is des mulders vreugd
Het waren negen soldaten des morgens
Het waren twee conincskinderen, die
Het waren twee conincskinderen, si hadden
Het was een maged uitverkoren
Het was een maged zuiver en net
Het was een mooie dag in mei
Het was er een koning zeer rijk van goed
Het was op ene avond laat dat ik ging
Het was op ene maandag, daarom ben ik
Het was te nacht, al zo zoete nacht
Het wassend watertij was daar, trala
Het water loopt al zingend door de
Het waijt een windeken coel uten Oosten
Het weer is guur, de winter nadert,
Het wegske naar de hemel is vlijtig
Het welige landschap van Haspengouw,
Het wemelt in de mei van blonde
Het wies in Denemarken een edel
Het windje steekt op, hoor het roept
Het woei een wabberwindeke, uit 't
Het zonneken rijst, het klokje slaat
Het zou een jager uit jagen gaan, uit
Het zou een meiske gaan halen wijn
Het zwartbruine bier dat drink ik zo
Hi hadde enen sconen lief end'hi
Hiep hiep hiep hoera, vandaag is
Hier bonst het hart van Gent
Hier in mijn kleine tuintje
Hier is de vogel, daar is de vis,
Hier is geen plaats voor euvelmoed
Hier is mijn harte, hier mijn hand,
Hier is ons vergaderd met loflike
Hier is onze fiere Pinksterblom
Hier komt de wind uit den hoge
Hier noord van Oranje en suid van die
Hier staan die Lady Roberts, hoera
Hier staan tot afscheid allen weer
Hier staan tot afscheid weer de broers
Hier staat nu fris in Vlaanderland,
Hier trekken Jongvlaanderens Knapen
Hier zijn wij de ATB-ers
Hier zijn wij de kleinste van de
Hier zijn wij te samen om leutig te
Hij ging op pad en zong zo wat, naar
Hij is de spiegel en de uil
Hij kapte 't koren af en zong
Hij leve lang, hij leve lang, hij
Hij leve lang, hij leve, hij leve
Hij rijze kloek in roem en eer
Hijst de vlag in de wind
Hij vleide geen groten der wereld
Hij volgt en vervolgt mij aldoor
Hij was het windeke, zij was de roze
Hij was nog nooit met spoor of boot
Hoe bemin ik 't eerste blozen van het
Hoe blij is d'arme vogel als hij
Hoedje op de zon, hoedje op de maan,
Hoe flink staat het spidje daar te
Hoe gaat de boer naar de veemarkt toe
Hoe groot o Heer, en hoe vervaerlic
Hoe hangt ge daar gebroken, de
Hoe kan een oog vergeten
Hoe kan je zo lui zijn, hoe kan je zo
Hoe lachen ons de velden aen met haer
Hoe leyt dit kindeken hier in de kouw
Hoe lief zijn de bloemen in veld en
Hoe light gij hier soo cout, o soeten
Hoe ligt ge, Broeder, loom en lam
Hoe ligt ge vermorzeld ineengezakt,
Hoe loeg op moeders oude schouw, het
Hoe lustig is de zomer, de zoete
Hoe minnic di, o Dietsc, myn tale, du
Hoe moet het hart vertederen ter koninklijke reis
Hoeoe! Hoeoe! Wat is ons bontekoe
Hoe plechtig speelde 't orgel in de
Hoe prettig is nu 't schemeruurtje
Hoepse, hoepsa, ik zit op mijn paard
Hoera ! Drie hoera's ! Vakansietyd is
Hoera hoera, wij wilden wat was recht
Hoera, 't is vakantie, komt jongens
Hoera, 't studentenvolk, laat ons
Hoerah, hoerah, het is gelukt
Hoe rein ontsteeg weleer dat lied
Hoe riekt gij, Bamisbosschen, goed
Hoe schoon de morgendauw, hoe schoon
Hoe schoon klinkt ons zingen in 't
Hoe schoon was de ochtend
Hoe schoon zijt gij vandaag, mijn
Hoe smartlijk valt uw blik op mij
Hoe stil staan nu de bomen, de
Hoe stoeit nu der Lente levensâam
Hoe talrijk mocht de herfst verglijden
Hoe troostend glanst mijn sterrelijn
Hoe vaak heb ik op bedeltocht de
Hoe vriendelijk strijkt de avond neer
Hoe wild de Noordzee raast
Hoe zaait de boer zijn graan, hoe
Hoe zaait de boer zijn korentje, zijn
Hoe zacht glijdt ons bootje op 't
Hoe zachtkens glijdt ons bootje daar
Hoezee, 'k ben vlug en flink ter been
Hoe zoeter het aanzijn, hoe droever
Hoe zoet is 't tussen broed'ren
Hoe zou ik Vlaand'ren niet beminnen,
Hoe zouden de boeren geen heren zijn
Hoezee, 'k ben vlug en flink ter been
Hoezee, nu 't lied der zwarte kuipen
Hoge boven 't sterrenheir moet mijn
Hoge nacht met klare sterren, die
Hoge Vrouwe in de hemel, 's Heren
Hojo, hojo, hojo, wij zijn een
Holderia ria ho, holderia ria ho,
Holland met zijn malsche wei,
Hollands kracht ligt op de wat'ren
Hollands vlag, je bent mijn glorie
Holland, ze zeggen: je grond is zo
Hongerig, moede, zo hebben de
Honger is de beste saus! Draven
Hoofd, schouders, knie en teen
Hoog boven in de bergen, daar staat
Hoog door de lucht reis ik naar
Hooge toren, fier en schoon, met uw
Hoog op de gele wagen, rijd ik door
Hoog schalt het lied, dat ons gebiedt
Hoog zwaait de hamer, gloeiend metaal
Hooi op de hoge wagen wiegelend volgedragen
Hoop en wees tevrede, wag op die Heer
Hoop in God, het eeuwig licht
Hoor daar stappen door de straten
Hoor de eng'len zingen, zingen in de
Hoor de loze koekoek luide
Hoor de lucht van leven gonzen zie de
Hoor de trommels en de fluiten
Hoor de vlammende trommen weer
Hoor de vogels in het riet
Hoor de vogels zingen weer, wat doe
Hoor de wekroep van de jeugd, zie
Hoor helder de roep: nieuw leven
Hoor hoe de koekoek roept in het bos
Hoor hoe de smid op 't aambeeld slaat
Hoor, hoe de wind door de straten raast
Hoor ik van ver muziek dan moet ik
Hoor je 't zingen van het vuur in het
Hoor je de trommen dreunen, hoor je
Hoor nu het vrolijk vinkenlied, 't
Hoor ons almacht'ge God: heden
Hoor, hoor, daar klinken stemmen,
Hoort allegaer, hoe dat men claer in
Hoort allen 't vreugdevolle geluid,
Hoort, de winden buischen, ruischen
Hoort de wind fluistert zacht
Hoort gij de roep van 't Vatikaan?
Hoort gij de trommel die gaat door de
Hoort gij die blijde stemmen niet,
Hoort gij die kreet, wakkere broeders
Hoort gij dien ronk van ijzer
Hoort gij wel die doffe klanken
Hoort hoe het klokje klingelend
Hoort in den morgen een rouwig lied
Hoort nu galmt weer de roep van de
Hoort Roeland die zijn horen blaast,
Hoort toe gij arm en rijk, men zal u
Hoort! Zeg het voort, dat nu Jong
Hop Mariannetje, hop Mariannetje,
Hop Marjanneke, stroop in 't kanneke
Hop Marjanneke, tap in 't kanneke
Hop, hop, hop, mijn paardje, er is niemand thuis
Hop! Hop! Hop! Paardje in galop
Hoppebelle pluk pluk pluk
Hopsa, heisasa, 't is in de maand van
Hoptierelier, hoptierelier, rondom
Horlosie in die sak en die ketting
Hosannah! Hosannah! Juicht Hem toe
Houdt u fier en ziet niet omme, gij
Houd zonne in 't hart, ook als zorgen
Hou je kranig, hou je hoog, hou je
Houzee, houzee, hou moedig zee, gij
Hoy, ahoy, de boots is zoek, de boots
Hunker niet langer naar gunsten meer,
Hun stem is 't die stijgt
Hupse meiden met groene kapjes dansen
Ic brenghe di den avontgroet
Ic heb ghejaecht mijn leven lanc, al
Ic seg adieu, wy twee wi moeten sceiden
Ic sie die morghensterne, Heer Jesus
Ic stond op hoogen bergen
Ic weet een reyn casteel in een seer
Ic wil van den kaerle singhen, al me
Ick gingh op eenen morghen al door
Ick heb gheiacht al mijn leven lanc,
Ick segh adieu, wy twee, wi moeten
Ick wil mi gaen vertroosten, in Jesus
Ick wil te lande ryden, sprack meester Hillebrant
Idzie Maciek, idzie, zbijakiem za
Ied're dag heeft weer zijn eigen
Ieder vogel is vooraf een ei geweest
Iedereen slaapt, het is rustig, het
Iemand nam het kleinste der zaadjes
Ieper, o Ieper, hoe toont gij u
Iets wonders brengt twee zielen saam
IJskoud, bloemen op de ruiten
IJzertoren, als 'k u zie verrijzen,
Ik, als ik wegga van hier
Ik ben als een kleine kabouter die
Ik ben de blauwbilgorgel, mijn vader
Ik ben de dokter Grijzenbaard, wize,
Ik ben de goede Herder die zijn
Ik ben de heer van Zorgenvrij
Ik ben de herder welgemoed, die de
Ik ben de zanger, die trekt door het
Ik ben dol, ja dol op pop
Ik ben door de sneeuw naar mijn lief
Ik ben een blomme en bloeie
Ik ben een dapper Kerelskind, dat
Ik ben een dinosaurus
Ik ben een edel dier, ik leef op mijn
Ik ben een eenvoudige smid
Ik ben een ferme, sterke jongen en
Ik ben een jong en jolig meisje, en
Ik ben een jong soldaatje
Ik ben een muzikantje, en ik kom uit
Ik ben een oude virtuoos tot niets
Ik ben een schamel heidebloempje, en
Ik ben een schamele kluizenaar, dat
Ik ben een theepot, van steen is mijn
Ik ben het smidjen dat smeedt
Ik ben in 't lot, ik moet naar de
Ik ben van Gent en zij van
Ik ben op de zomerzon, zomerzon
Ik ben zo blij, ik ben zo blij, heidi
Ik ben zo stout geweest, maar zal het
Ik ben zo zenuwachtig
Ik breng U, mijn Jezus, mijn dankbare
Ik dale van 't gebergte neer
Ik dank u God, voor deze
Ik dank u Heer, om al die jaren
Ik drink op het heimwee dat knaagt in
Ik ga zo graag op wandel, op wandel
Ik ging lestmaal eens op de jacht
Ik ging lestmaal eens wandelen om mijn zinnen
Ik ging lestmaal eens wand'len, haha
Ik ging op enen morgen al door het
Ik ging op Hooglands bergen staan, en
Ik groei op de groene weiden
Ik had een wapenbroeder, een beter
Ik had een wapenbroeder, geen
Ik had er mijn liefje naar huis
Ik heb de groene straatjes zo
Ik heb de wereld rondgerezen
Ik heb een gele schuifelaar, wij
Ik heb een hinneke in mijnen stal
Ik heb een hut en een appelboom die
Ik heb een mantel die plooien kan
Ik heb een mooie bloemenmand, aan wie
Ik heb een mooie grote bal
Ik heb een ruime kevie, waarin een
Ik heb een tante en een oom
Ik heb er vele, danig veel, daar is
Ik heb gejaagd mijn leven lank
Ik heb Goddank een liefje
Ik heb het lief, mijn dorpje kleen
Ik heb mijn ziel geheven met vrijen
Ik heb op zee mijn leven lang gevaren
Ik heb ruzie met mijn vriendje
Ik heb u lief, zoo eindloos lief
Ik heb zo lang op u gewacht, en op
Ik hoor de Leeuw van 't oude
Ik hoorde dees dagen een magetje
Ik jaag de jeugdige harten in brand,
Ik jeune mi daarin ik jeune mi daaran
Ik juich in de morgen als de dag pas
Ik kan u niet vergeten, o simpel
Ik ken een blond Marleentje, van
Ik ken een grauwe watermolen
Ik ken een lied, dat 't hart bekoort
Ik ken een meisje blond en blank
Ik ken een schone rozenbloem, die
Ik ken enen man die heet kabouterman
Ik ken geen schoner leven
Ik kom met bloemen voor u staan, ei,
Ik kom te paard gereden, uit verre
Ik kom van den armée, kloekmoedig
Ik kreeg van mijn ouders van ieder
Ik kwam er lestmaal over bergen en
Ik kwam laatst aan een poppenkraam
Ik kwam laatst in den boomgaard gegaan
Ik kwam lest over een berg gegaan
Ik leef hoog op d'Alpen
Ik liep door de varens, lalala, ik
Ik loop mijn eigen weggetje
Ik luister in de vreemde zo graag
Ik min het lied van bloemen, van
Ik min u teer O liefken zoet
Ik mis u waar ik henenvaar
Ik moest mijn heideveld verlaten,
Ik naai mijn ving'ren dor en doof,
Ik pakte dat Marleentje al bij der
Ik prijs u hemelse Vader dat Gij dit
Ik roem mij op een sterke broer, 'n
Ik steek er den horen, ik rijd er zoo
Ik steek mijn pintje naar omlaag,
Ik stond laatst voor een poppenkraam
Ik stond op hoge bergen, en zag in het verschiet
Ik stond op hoge bergen, ik zag ter zeewaart in
Ik tijg door 't meiherboren land
Ik trek nu door het groene land
Ik treure alleen in 't tranendal, ik
Ik vinde mij bedwongen dat ik zingen
Ik vinde mij gedrongen, dat ik zingen
Ik voel alsdat mijn tong herleeft,
Ik voer laatst over zee al in een mosselschuiteke
Ik voer laatst over zee, ga je mee ?
Ik voer uw hart over het water
Ik vraag je, ik vraag je, zing mij de
Ik vrijde een vrouwke alzo fijn, en
Ik wandel door Gods seizoenen, het
Ik was eens, laatst, aan mijne deur gezeten
Ik weet 'nen vogel wonen
Ik weet een huisje staan
Ik weet een rein kasteel in een zeer
Ik weet nen vogel wonen, pipikwie
Ik wens u een jaar dat als 't voorbij
Ik wense u een jaar dat zacht als
Ik wil de Heer prijzen 't allen tijd
Ik wil mij gaan vertroosten in Jezus'
Ik wil mij gaen verheugen, verblijden
Ik wil te lande rijden, sprak meester Hillebrand
Ik wil van den keerle singhen, al met sinen langhen baert
Ik wist niet dat 'k zo lief u had
Ik woel me in elke woning thuis, waar
Ik wou dat ik een dienstmeid had, van
Ik wou de graaf van Schoonveld zijn,
Ik zag Cecilia komen langs enen waterkant
Ik zag de morgen dagen, de nieuwe
Ik zag den Heere van 't Hemelrijk, op
Ik zag drie schepen varen op
Ik zag een choor verheven met
Ik zeg adieu, wy twee wi moeten scheiden
Ik zie daar een pepernoot
Ik zie de zon in m'n bed lekker warm
Ik zie die morgensterre, Heer Jezus klaar aanschijn
Ik zie die morgensterre, mijn liefken
Ik zie een maged in 't verschiet
Ik zie er dat Vlaand'ren zo geren,
Ik zie het zo gaarne verschijnen, het
Ik zie het zo node verdwijnen, het
Ik zing alle dagen, ik zing alle
Ik zing er al van een Ruiter koen
Ik zing, ik zing, ik zing in de
Ik zing in de morgen een melodie voor
Ik zing mijn avondliedje, en ik moet
Ik zit te wiegen op mijn takje, en
Ik zou zo graag een koeiken kopen,
Ikkeltje kramikkeltje kwam aangereden
In achttienhonderdertig, onzaliger
In Amsterdam daar staat een huis
In berustende sug van die awendlug en
In Betlehem geboren, is nu het
In de Apennijnen daar zitten zes
In de avond, in de avond in het
In de Brugse catechismus staat te
In de Domstraat nummer twee, daar
In de gloed er kempenheide
In de grote stad Zaltbommel, heerste
In de hemel is ene dans, allelujah !
In de IJzervlakte bloeien wilde
In de kleine stille straatjes werken
In de lente vijf en vijftig, zong de
In de maneschijn, in de maneschijn
In de poppenkast kan het vrolijk zijn
In de schone lentedagen, bij de oever
In de stille glans der mane, drijven
In de stille Kempen, op de purp'ren hei
In de stille oceaan is een olifant
In de tijd der patriotten
In de verte hoor ik fluiten, moeder
In de wei daar liep een koe
In de zomer loop ik spelend met mijn
In Den Haag daar woont een graaf
In den hemel is enen dans, halleluja,
In dichte drommen staat, o Heer, uw
Indien nu de wolken eens storten omlaag
In die wreede oorlogstijden
In dulci jubilo singet ende weset vro
In een blauw geruite kiel draaide hij
In een huis daar woonde niemand in
In een huis van onze straat, hahahaha
In een huis, daar woonde niemand in,
In een klein stationnetje, 's morgens
In een Spaanse villa, op een Spaans
In enen boom een koekoek, sim saredim
Infanterie, kavaleri