HOE HET LEVEN BEGON
volgens Haselas, geïnspireerd door de Edda

 

Midden in het wijdse Noordland, ver van de heuvelketens en even ver van de fjordentanden, ligt een Vlaam.  De Vlamen zijn zanderige hoogten tussen de laaglandse moerassen en meersen, waarop taaie afstammelingen van gestrande Vikings hun woningen bouwden.  In een houten woonst op dit Vlaam woont, teruggetrokken en ver weg van het vroegere krijgsgewoel, een man die door bewoners van nabije Vlamen "de Gehelmde" wordt genoemd. 

Niemand weet nog juist waarom hem deze naam werd toebedacht, maar degenen die er toch af en toe over denken vermoeden dat het iets te maken heeft met zijn strijdverleden.  Een verleden dat, volgens sommige kwatongen, ook wel gekenmerkt werd door het drinken van mede, en het luide zingen van wilde liederen.  Ach, en wie de moed heeft om de stille bewoner zelf te vragen naar zijn verleden, die moet vaststellen dat de Gehelmde geen veelprater is.  Uit enkele opmerkingen kan wel afgeleid worden dat hij zo dikwijls verraden werd, ook door degenen die hij echt vertrouwde, dat hij alle redenen had om zich terug te trekken op het eigen Vlaam.

Op een Noordse winteravond, toen stormwinden rondom de woonst gierden, Thor zijn hamer gooide om de mensen te verschrikken, Maan gejaagd werd door de wolven die als wolken vermomd trachtten haar te vatten alvorens Zon opnieuw zou verschijnen; op zo een sombere avond kreeg de Gehelmde bezoek.  Zware dreunen bonsden op zijn deur.  En waar hij eerst dacht aan een grapje van Thor, die hamerslagen deed verwarren met deurgebons, opende hij na een wijle toch.  Het gelaat verscholen onder een kapmantel, stond een gekromde oude man in de regen.  Hij steunde op een meisje en maakte gebaren alsof hij vroeg om de woonst te mogen betreden.  Gebaren, omdat misschien de stem van de oude te zwak was om het stormgeweld te overstemmen.

De Gehelmde gebaarde dat de twee avondlijke wandelaars moesten binnentreden, wat dezen dan ook deden.  En toen de oude de kapmantel afnam, zag de Gehelmde pas dat deze slechts één oog had, waaruit echter een blik straalde, alsof het de scherpte van vele ogen kon vervangen.  Het meisje leidde de oude naar de haard, alsof zij de woonst op het Vlaam kende, en alsof zij er thuis was.  Zij rakelde ook het vuur op, waardoor zich een deugddoende warmte verspreidde.  De Gehelmde, blij met de bezoekers ondanks zijn hang naar alleenzijn, sprak als eerste: "Wel oude, waaraan dank ik uw bezoek ?".  Doch niet de eenogige, maar wel het meisje gaf een antwoord:  "Wel man, ik heb de Hoge naar hier gebracht om te zien hoe mensen wonen".

De Gehelmde schrok wel toen hij de oude "de Hoge" hoorde noemen.  Hij wist dat Odin drie gedachten in een wezen verenigde, die de Hoge, de Evenhoge, en de Derde werden genoemd.  Hij herinnerde zich plots ook dat Odin eenogig was.  Zou zo'n hoog bezoek zijn gewone Vlaam aandoen ?  Het leek hem maar best om aan te nemen dat sommige zaken nu eenmaal gebeuren, en om niet te hengelen naar de ware identiteit van zijn bezoeker.  Veel beter was het misschien om de bezoekers op de proef te stellen en hen te vragen te vertellen over zaken die enkel de Goden konden weten.

Hij vroeg: "Wel meisje, indien uw oude een stem heeft, die ik nog niet hoorde, dan stel ik voor dat hij de winteravond zou verkorten, door een verhaal te vertellen.  Weet de man die jij de Hoge noemt misschien hoe de mensen, die hij nu bezoekt, eigenlijk zijn ontstaan"?  En de Hoge, die natuurlijk de doorzichtige denksels van zijn gastheer begreep, wenste hem niet te ontgoochelen.  Terwijl het meisje zich luisterend naast de haard zette, vertelde de oude.

"Ginnungagap, de onbegrensde leegte die nooit leeg was, werd gevuld met de strijd tussen de vuurstreken van Muspelheim en de ijsgebieden van Niflheim.  Het was vooraleer de negen werelden, de Gaarden, in een vaste baan rondom Zon waren geplaatst door de Asen.  Toen ook werden Zon en Maan gemaakt uit de vele vonken die vanuit Muspelheim de ruimte bereikten.  De Asen, die zich verveelden, lieten ook toe dat twee gruwelwelpen van de wolf Fenrir steeds jaagden achter Zon en Maan, waardoor deze hun loop nooit kunnen stoppen.  Dan zullen zij immers worden verslonden door de welpen, en dan zal ook Ragnarok, het einde der tijden, onafwendbaar nabij zijn.  Gelukkig gevolg van dit spel was toch dat de eeuwige kringloop werd geschapen, die nu nog de werelden rond draait.  Toen op een keer, wanneer Zon de hoogste toppen van Asgaard bestraalde, kreeg Odin bezoek van Frigga zijn vrouw, van Balder zijn zoon, en van de Godin Freya.  Het was Odin snel duidelijk dat vooral Freya de twee anderen had gevraagd om te bemiddelen bij hem.  Freya wilde namelijk de liefde, de goedheid die zij steeds uitstraalde, delen met anderen.  Zij wilde deze niet langer voor zichzelf houden, en de trouwe Frigga, samen met de lichtende Balder, meenden dat zij dit streven moesten ondersteunen.  Liefde, eerlijkheid en trouw zijn inderdaad te groot en te edel om hen niet te delen met al wie erom vraagt.

Odin dacht lang na, en besloot om in Midgaard, een tot nog toe onbevolkte wereld, een mens te scheppen.  Misschien, wanneer hij hem liet besturen door de drie vragers, misschien dat dan een goed wezen zou ontstaan.  Een wezen dat een afspiegeling kon worden van de adeldom en van de stralende schoonheid der drie vragers.

Samen met Frigga, Freya en Balder, vertrok Odin naar Midgaard, waar hij, na lang te hebben rondgekeken om toch maar geen mislukking te scheppen, koos voor twee mooie stukken hout die aangespoeld waren langsheen het fjordenstrand.  Een stuk Es en een even groot stuk Olm leken hem geschikt voor zijn doel.  En ook de drie begeleiders knikten goedkeurend bij Odins keuze.

Hij boog zich over het olmenhout en blies zijn goddelijke adem over het mooie hout.  Langzaam, terwijl de drie ademloos toekeken, vormde zich een slank en gratievol vrouwenlichaam.  Daarna herhaalde Odin de handeling bij het essendeel, waaruit een sterk mannenlichaam ontstond.  Nadat Odin zijn mantel had gescheurd om de naaktheid van de twee te bedekken en hen te beschermen voor de Noordlandse koude die de Winter zeker zou meebrengen, wandelden de nieuwgevormden weg van de zee die hen zolang had gedragen, om het land te ontginnen.

Daar de Asen niet dagelijks naar Midgaard konden terugkeren om nieuwe mensen te scheppen, kregen de pasgevormden ook meteen de trouw van Frigga, de lichtende kringloop van Balder, en de liefde van Freya mee als gaven van de Asen.  Vermits de beide nieuwe Midgaardbewoners uit één en dezelfde zee ontstonden, kregen zij ook de mogelijkheid om zich opnieuw te verenigen in trouw en liefde, waardoor de kringloop kon werken.  Kinderen konden zij dus zelf verwekken, en aan die kinderen konden zij ook de gaven meegeven die zij zelf levenswaard achtten.

En opdat enkel de sterksten, zij die de gaven best konden behoeden, Midgaard zouden bevolken, werden pasgeborenen telkens opnieuw aan de levengevende zee toegewijd door kortstondige onderdompeling.  Het nieuwgeborene dat deze waterwijding niet doorstond, was evenmin geschikt om de gaven der Asen aan volgende geslachten door te geven.  Enkel de sterksten van lichaam konden zorgen voor nageslacht, en enkel de sterksten van geest konden de gaven behoeden en verder reiken.

Het was pas nadat mensen sommige gaven, die zij nochtans zonder wederdienst konden benutten, niet doorgaven aan nieuwgeborenen, aan kinderen; het was dan pas dat ontrouw en haat konden groeien.

Odin, en ook de drie begeleiders, wisten dat dit zou gebeuren, maar meenden toch de mens alle kans te moeten geven de gaven, het goede, en de onvolkomenheid van het verderreiken der gaven, het slechte; te onderscheiden.  Enkel daardoor zou de mens immers ervaren dat goed zijn sterker is dan slecht zijn.  Dat vreugde omwille van de gaven sterker is dan schijnpret omwille van het ontluisteren der gaven.  Dit laatste moet ik bestraffen, meende Odin, alhoewel de goedheid van zijn begeleiders aandrong op mildheid.  Odin voorspelde echter dat een schip, Nagelfar genaamd, en volledig gebouwd met mensennagels, zou worden gevuld met moordenaars en trouwbrekers, om dan naar Hel te varen.  De vrije wil tot het doorgeven van de gaven bleef echter bewaard voor de mensen, zodat zij zelf konden beslissen welke weg zij na het leven zouden gaan."

De oude verteller zweeg.  Hij dacht na, alsof hij in gedachten opnieuw de strandwandeling zag, en de blijheid bij de drie andere Asen omwille van de schepping der mensen.  De droefheid ook omwille van de bestraffing waarvan hij, en de drie anderen, toch de noodzaak inzagen.  De Gehelmde, die ondertussen wel begreep dat hem hier een geheim werd verteld dat enkel de Asen konden kennen, toonde zijn ontzag door eveneens de stilte te bewaren.

Nadat het meisje van de stilte gebruik had gemaakt om enkele houtblokken op het vuur te werpen, ging de eenogige toch verder: "Er waren toen ook nog de Nornen.  Urd, de oorsprong of het lot, Verdandi, het zijn of het heden, en Skuld, de noodzaak of de kringloopreden.  Zij zaten aan de bron van alle leven, aan de voet van de Ygdrassill, de levensboom, en sponnen een draad waaraan alle leven werd bevestigd.  Zij kregen de opdracht om het nieuw geschapen leven, het edele hout dat vanuit de zee de aarde bereikte en slechts de goddelijke adem nodig had om beweegkracht te vinden, te beschermen.  Hun geschenken aan de nieuwe mens waren het warmende vuur, het runenschrift dat kennis kon doorgeven, en een afbeelding van de levensboom die tot in de ruimte reikt.  Indien zij deze geschenken benutten, en koppelen aan de gaven, dan zal Nagelfar niet voor hen bestemd zijn."

Ondertussen was opnieuw het vuur bijna gedoofd, maar wonder boven wonder werd het niet kouder.  De Gehelmde, die zich daarover verbaasde, stelde vast dat de nacht reeds voorbij was en dat de nieuwe dag niet enkel licht maar ook warmte meebracht.  De storm was geluwd en de Zon klom naar de hoogste baan.  De eenogige verteller vroeg dan aan het meisje om zijn mantel aan te reiken, teneinde de tocht verder te zetten.   De Gehelmde deed de beide uitgeleide, en wees hen de weg doorheen de Vlamen.  Opdat zij veilig opnieuw de Noordlandse vaste grond zouden bereiken.   Het was pas toen zij reeds enkele honderden meter van zijn huis verwijderd waren dat de Gehelmde het meisje, dat opnieuw de oude man stutte, meende te herkennen.  Zij leek ongetwijfeld op de eerste dochter van de Vlaambewoner, die nog meermaals in zijn dromen was verschenen teneinde raad te geven.

Kon het zijn dat zij van de Midgaardse reis van Odin gebruik had gemaakt om hem op zijn stille Vlaam te bezoeken ?  Had zij Odin gevraagd hem te mogen vergezellen, en had zij de weg getoond naar het eenzame Vlaam ?  Wist zij, zonder zelf te spreken, aan welke sagen de Gehelmde nood had ?

Hij zou het nooit weten, want alvorens hij kon roepen om te vragen in hoeverre zijn vermoedens juist waren, was het stel reeds aan de einder verdwenen.  Hij moest dus voor waar aannemen dat het leven ontstond zoals de oude vertelde, en dat het meisje - was het nu echt zijn eerste dochter ? - tijdens haar waterwijding het Midgaardse leven ruilde voor een Asgaards bestaan naast de Hoge, de Evenhoge en de Derde.

 

 

 

Terug naar top van blad          Terug naar startbladzijde