Heer Halewijn
besproken door Haselas

Voorwoord

Een koningsdochter wil het land van haar vader bevrijden van een serieverkrachter die vooral op maagden belust is, een seriemoordenaar ook.  Haar vader weigert zijn toestemming, maar haar broer neemt de verantwoordelijkheid op, als zij haar maagdelijke eer en vorstelijke waardigheid maar bewaart. Zij zal Halewijn met zijn eigen wapen, het lied, lokken en proberen te verslaan.

In het diepste van het woud zoekt zij Halewijn op om hem te doden.  De dichter geeft een nauwkeurige beschrijving van onderkleding tot kroon,  om te onderlijnen hoe begerenswaardig zij zich wel maakte.  De prinses, de maagd, zal pogen de magische krachten van Halewijn te breken door zijn eigen lusten tegen hem uit te spelen.  Zij begint met hem onzeker te maken door zich niet door Halewijn te laten lokken, maar door zelf als lokvogel op te treden.  Door een list kan zij Halewijns zwaard grijpen en houwt zij hem het hoofd af. Als bevrijdster van het land keert de koningsdochter met het hoofd van Halewijn als trofee zegevierend terug en wordt door haar vader vol vreugde onthaald.

Denkrichtingen over de oorsprong

Het verhaal van Heer Halewijn zou de beschrijving kunnen zijn van een doodgewone situatie in een Vlaams huisgezin van vandaag.  Een meisje stelt vast dat er problemen zijn die wegen op het bedrijf van haar vader, en vraagt aan de andere gezinsleden of zij deze mag oplossen door als lokvogel op te treden.  Vader en moeder zeggen nee, want: “daarvoor zijt gij nog veel te jong, en zo iets oplossen is mannenwerk”.  Ook haar oudere zuster denkt al even kleintjes.  Enkel haar broer heeft genoeg vertrouwen in zijn zus: “Maar ja zusje, probeer het eens, maar zorg wel dat je jezelf kan beschermen want het kan gevaarlijk worden”.

Het meisje lost dan inderdaad de problemen op, want zij lukt erin de misdadiger uit zijn schuilplaats te lokken met haar zingen.  Wat zelfs honderd mannen niet zou gelukt zijn, want dan zou Halewijn zich uiteraard niet vertoond hebben.  De kracht van de vrouw is blijkbaar onmeetbaar, en dat wisten ook onze voorouders toen zij over ‘moeder’ aarde spraken.  In de voorgaande betekenis zou het verhaal van Heer Halewijn een korte vertelling kunnen zijn die in de loop der jaren door troubadours werd opgesmukt.  Maar er zit veel meer in het verhaal.

Het zijn vooral de verschillende interpretaties van de sage die de belangstelling opwekken.  Omdat deze aantonen dat we hier met een belangrijke sage te maken hebben, die immers zwaar genoeg weegt om ingepalmd te worden door heel wat verschillende denkrichtingen.

Een eerste denkrichting verwijst naar de functie van het verhaal als verspreider van nieuwsberichten via rondreizende vertellers, marktzangers en troubadours.  Halewijn zou dan de roofridder Allowin zijn uit de voorchristelijke riddertijd.  Allowin als de man die ‘alles wint’ of dus alles rooft, een beruchte dief en vrouwenschaker uit onze gewesten.

Uiteraard mag ook de Kerk niet ontbreken in de opeisingprocedure, dus is er ook een bijbelse interpretatie van de sage.  Deze stelt dat we te maken hebben met het verhaal van Judit en Holofernes uit het Oude Testament. Judit is daarin een rijke, jonge en moedige weduwe die door een list haar belegerde vaderstad Betoel redt. Tijdens een feestmaal waarop zij door de belegeraar Holofernes wordt uitgenodigd doodt zij de dronken veldheer met zijn eigen zwaard. Zij verbergt zijn hoofd in haar etenszak en keert naar Betoel terug. Gedurende het bevrijdingsfeest van drie maanden wordt het hoofd als trofee aan de stadsmuur opgehangen.

Enkele van mijn bronnen wijzen er op dat het woord “banket” pas in de 16de eeuw werd gebruikt in de betekenis van “feestmaal”.  Waaruit zij besluiten dat de laatste zinnen van het lied werden toegevoegd door schrijvers die naar de onthoofde Johannes de Doper wilden verwijzen. Het zou me nochtans verbazen dat men Johannes de Doper als maagdenverkrachter zou willen voorstellen, maar wie ben ik om aan de verklaringen van eminente onderzoekers te twijfelen…

Er zijn ook nog meerdere mythische interpretaties.  Halewijn is daarin allereerst een Germaanse woudgeest, de belichaming van het lokkende en dodende woud.  Ook de naam, die etymologisch verwijst naar elfenvriend (alvewin), brengt ons bij de Germaanse mythen.  Maar hij kan zeker ook de Keltische Halloween geweest zijn, zinnebeeld van de kwade geesten die rond oudejaarsavond (31 oktober) door de luchten raasden tijdens de herfststormen.  Deze Keltische betekenisvariant kan bij ons terecht gekomen zijn tijdens de 13de en 14de eeuw, toen talrijke Engelse wolhandelaars de Vlaamse weverijen bezochten.

Zang is verleidend en kan mensen in vervoering brengen.  Ten goede en ten kwade.  Nog steeds kunnen mensen ontroerd worden door liederen of zelfs passioneel opgewonden, terwijl anderen agressief worden van sommige muziekstijlen, van opzwepende teksten.  Het is dus niet verbazend dat de marktzangers Halewijn opvoerden als degene die vrouwen kon verleiden door zijn zang, de bekendste wijze van betovering. Zij volgden daarmee de voorbeelden uit andere, toen reeds bekende, verhalen: Orpheus, de Sirenen, de rattenvanger van Hameln, de Lorelei die zeelui lokt.

Het zou het bestek van dit tekstje te buiten gaan om elke mogelijke verklaring te bestuderen.  Wel verwijs ik graag naar een indrukwekkende studie, bekroond met de Prijs van de Provincie Antwerpen voor Geschiedenis en Volkskunde: Het hoofd werd op tafel gezet: Heer Halewijn in Vlaanderen en Nederland, door Johan Vanhecke.  De studie werd uitgegeven door Lannoo uit Tielt, en is meer dan lezenswaard !

 

Nevenbeschouwingen

Mogelijk heeft het lied ook een seksuele dubbele bodem.  Waarbij dan het zwaard als fallussymbool kan staan, dat gebruikt wordt tegen de man zelf.  Het spattende bloed waarover de prinses praat kan een verwijzing zijn naar de ontmaagding, en bedoeld om Halewijn nog meer op te hitsen en onvoorzichtig te maken, in het vooruitzicht van de beleving van de moorddadige lusten van een maagdenverkrachter.

Ook het losmaken van het haar heeft een dubbele betekenis.  Wie het haar losmaakt bied immers zichzelf aan om seks te hebben, althans volgens de middeleeuwse troubadours.  Wanneer Halewijn de prinses opdraagt het haar los te maken, weent zij krokodillentranen, omdat zij de indruk moet wekken dat Halewijn sterker is, en dus haar maagdelijkheid zal roven.  Waarna Halewijn, zeker van zijn mannelijke dominantie, zijn kleed over het hoofd trekt en dus even de prinses niet ziet, blind is voor het gevaar en…. oeps…het hoofd erbij verliest.

Tenslotte waarschuwt het lied ook voor mannen die hun kleren uittrekken, want zij hebben slechte bedoelingen, en zijn misschien wel lustmoordenaars.  Hierin klinkt toch reeds de preutsheid en de valse schaamte door, die werd opgedrongen door de predikers van de nieuwe godsdienst.  Naaktheid was immers oorspronkelijk in onze landbouwersgemeenschap helemaal niet schokkend.  Zelfs naar bed gaan, en het verwekken van kroost, gebeurden in een gemeenschappelijke ruimte, zodat ook de loutere seksuele activiteiten niet als schandelijk werden aangevoeld.  

Wel was het lastig vallen van té jonge kinderen onaanvaardbaar, en daarvoor staat mogelijk ook de term “maagden” in dit lied.  Gelukkig maar, is dit een van de verwerpelijkste daden die doorheen de eeuwen ook verworpen bleven.

 

 

Het Halewijnlied

Het Halewijnlied, een echte volksballade waar oorspronkelijk zelfs bij gedanst werd, werd door Jan Frans Willems ontdekt op een gedrukt los blaadje in het begin van de 19° eeuw. De oorspronkelijke tekst werd vermoedelijk gedicht in de 12de eeuw.

Van het lied bestaan vandaag enkele verschillende versies, en ik koos er de volledigste uit.    Voor degenen die het gehanteerde Nederlands echt onleesbaar vinden, deed ik een poging tot omzetting in een meer hedendaagse taal.  

Heer Halewyn zong een liedekijn,
Al die dat hoorde wou bi hem zijn.
Heer Halewijn zong een liedje fijn,
En wie dat hoorde wou bij hem zijn.
En dat vernam een koningskind, 
Die was zoo schoon en zoo bemind.
Dat hoorde ook een koningskind,
Zo blond en jong, en zo bemind.
Zi ging voor haren vader staen:
“Och vader, mag ik naer Halewijn gaen?”

Zij sprak toen flink de koning aan:
"Och papa, mag ik naar Halewijn gaan?”

“Och neen, gy dochter, neen, gy niet:
die derwaert gaen, en keeren niet!”

O nee, prinsesje, nee, ga niet:
Die naar hem gaan, die keren niet.

Zy ging voor hare moeder staen:
“Och moeder, mag ik naer Halewyn gaen?”'

Ook voor haar moeder ging zij staan:
“Och mama, mag ik naar Halewijn gaan?”

"Och neen, gy dochter, neen, gy niet:
Die derwaert gaen, en keeren niet!"

O nee, mijn dochter, nee, ga niet:
Die moord’naar bracht reeds veel verdriet.

Zy ging voor hare zuster staen:
"Och zuster, mag ik naer Halewyn gaen?"

Zij vroeg ook aan haar zuster toen:
Hey zusje, mag ik Halewijns’ zoen?”

"Och neen, gy zuster, neen, gy niet:
Die derwaert gaen, en keeren niet!"

O nee, lief zusje, nee, ga niet:
Té dodelijk is zijn liefdeslied.

Zy ging voor haren broeder staen:
"Och broeder, mag ik naer Halewyn gaen?"

Haar oudste broer kreeg ook de vraag:
Ach broer, hoe stop ik Hal’wijns plaag?

''t Is my al eens, waer dat gy gaet,
Als gy uw eer maer wel bewaerd
En gy uw kroon naer rechten draegt!'

Ga maar, mijn zus, naar ’t donk’re woud,
maar zorg dat gij uw eer behoudt”

Toen is zy op haer kamer gegaen
En deed haer beste kleeren aen.

Zij was zo blij met dit besluit,
en zocht haar mooiste kleren uit.

Wat deed zy aen haere lyve?
Een hemdeken fynder als zyde

Een onderhemd schoof over haar,
van zijde fijn als eekhoornhaar.

Wat deed zy aen? Haer schoon korslyf:
Van gouden banden stond het styf.

Een gouden keurslijf om haar leest,
zo slank was zij nog nooit geweest.

Wat deed zy aen? Haren rooden rok:
Van steke tot steke een gouden knop.

Haar onderrok was als een krans,
de knopen toonden gouden glans.

Wat deed zy aen? Haren keirle:
Van steke tot steke een peirle.

Twee rijen parels glansden mat,
toen zij haar overkleed aan had.

Wat deed zy aen haer schoon blond hair?
Een krone van goud en die woog zwaer.

Tot slot kwam op haar blonde haar,
een gouden kroon, en die was zwaar.

Zy ging al in haer vaders stal
En koos daer 't besten ros van al.

Zo ging zij naar haar vaders stal,
en koos daar ’t beste paard van al.

Zy zette zich schrylings op het ros:
Al zingend en klingend reed zy doort bosch.

Zij zette zich schrijlings op dat ros,
e
n zingend en klingend reed zij naar ’t bos.

Als zy te midden 't bosch mogt zyn,
Daer vond zy myn heer Halewyn.

Heer Halewijn had haar gehoord,
en dacht al weer aan maagdenmoord.

Hy bondt syn peerd aen eenen boom,
De joncvrouw was vol anxt en schroom.

Het koningskind, vol angst en vrees,
zag hoe hij naar een zitplaats wees.
'

"Gegroet", sei hy, "gy schoone maegd,
Gegroet", sei hy, "bruyn oogen claer,
Comt, zit hier neer, onbindt u hair."

Haar bruine ogen werden zwaar,
toen hij gebood: “maak los dat haar”.

Soo menich hair dat si onbondt,
Soo menich traentjen haer ontron.

Twee tranen rolden langs haar wang,
de vlechten werden los en lang.

Zy reden met malkander voort
En op de weg viel menig woord.

Tezamen reden zij nu voort,
al pratend over maagdenmoord.

Zy kwamen al aen een galgenveld;
Daer hing zoo menig vrouwenbeeld.

Een galgenveld kwam nu in ’t zicht,
aan elke galg een vrouw’lijk wicht.

Alsdan heeft hy tot haer gezeid:
"Mits gy de schoonste maget zyt,
Zoo kiest uw dood! het is noch tyd."

Hij zei: “gij zijt de mooiste maagd in ‘t land,
kies zelf uw dood, maar door mijn hand.”

"Wel, als ik dan hier kiezen zal,
Zoo kieze ik dan het zweerd voor al.

“Wel, als ik hier toch kiezen moet,
gebruik dan ’t zwaard, verspil mijn bloed”.

Maer trekt eerst uit uw opperst kleed.
Want maegdenbloed dat spreidt zoo breed,
Zoot u bespreide, het ware my leed."

“Maar maagdenbloed spat breed in ’t rond,
leg eerst uw kleren op de grond”.

Eer dat zyn kleed getogen was,
Zyn hoofd lag voor zyn voeten ras;

Terwijl hij deed wat zij hem vroeg,
Met ’t zwaard zij hem het hoofd afsloeg.

Zyn tong nog deze woorden sprak:
"Gaet ginder in het koren
En blaest daer op mynen horen,

Het dode hoofd liet zich nog horen:
“blaas in het koren op mijn horen”.

Dat al myn vrienden het hooren!"
"Al in het koren en gaen ik niet,
Op uwen horen en blaes ik niet."

“Daar bij uw vriendjes ga ik niet,
en op de horen blaas ik niet”

"Gaet ginder onder de galge
En haelt daer een pot met zalve
En strykt dat aen myn rooden hals!"

Haal dan toch maar de galgenzalf,
en strijk die aan mijn rode hals”.

"Al onder de galge gaen ik niet,
Uw rooden hals en strijk ik niet,
Moordenaers raed en doen ik niet."

“O nee, want moordenaarsbevel
kan mij niet dwingen, weet je wel”

Zy nam het hoofd al by het haer,
En waschtet in een bronne klaer.

Zij nam het hoofd nu bij het haar
en spoelde het in een bron, zo klaar.

Zy zette haer schrylings op het ros,
Al zingend en klingend reed zy doort bosch.

Weer sprong zij schrijlings op haar ros,
reed zingend en klingend door het bos.

En als zy was ter halver baen,
Kwam Halewyns moeder daer gegaen:
"Schoon maegd, zaegt gy myn zoon niet gaen?"

Een moeder hield haar halfweg staan:
“zaagt gij mijn Halewijn niet gaan?”

"Uw zoon heer Halewyn is gaen jagen,
G'en ziet hem weer uw levens dagen.

“Uw zoon die is voorgoed gaan jagen,
dit was het einde van zijn dagen”.

Uw zoon heer Halewyn is dood
Ik heb zijn hoofd in mynen schoot,
Van bloed is myne voorschoot rood."

De maagdenmoordenaar is dood,
zijn hoofd vol bloed ligt in mijn schoot”.

Toen ze aen haers vaders poorte kwam,
Zy blaesde den horen als een man.

Zoals een man blies zij de horen,
bereikte nu de kasteeltoren.

En als de vader dit vernam,
't Verheugde hem dat zy weder kwam.

Haar vader reed haar tegemoet,
vol trots omwille van haar moed.

Daer wierd gehouden een banket,
Het hoofd werd op de tafel gezet.

Toen werd gehouden een banket,
het hoofd werd op de tafel gezet.


 

Naschrift

 De Germaans-Keltische geschiedenis wordt om een of andere duistere reden doodgezwegen in onze scholen.  Onze beschaving mag blijkbaar enkel het resultaat zijn van Grieks-Romeinse wereldse invloeden, en van Joods-Christelijke spirituele verhalen.  Uiteraard valt dit deels te verklaren door het feit dat van de Germaans-Keltische periode geen geschreven bronnen beschikbaar zijn, waardoor we aangewezen zijn op bodemvondsten, en op de interpretatie van rituelen en feesten.  Maar ook oude verhalen vormen een bron van informatie.  De vernielzucht van de kerstenaars zorgde er immers voor dat vele materiële aanwijzingen verdwenen.  Denk maar aan de rechtopstaande stenen met inscripties, die systematisch werden vernield, want té heidens…

Voor wie zelf op zoek wil gaan naar onze eigen geschiedenis, naar datgene wat onze cultuur mee vorm gaf, en niet enkel wil aanvaarden wat hem voorgekauwd wordt, zijn er enkel de vele verhalen en legenden, die elk een boodschap met zich meedragen, maar die geen deel uitmaken van enig leerpakket. 

Het is me onmogelijk om in het kader van deze webstekbijdragen, ook maar een schijn van volledigheid te zoeken of de verborgen boodschappen in de legenden te ontrafelen.  Enkel het aanscherpen van uw leeshonger, het wakker maken van uw eigen kritische geest kan het resultaat zijn van mijn aanreiken van denksporen.   Veel succes!

 

Haselas.

Terug naar top van blad          Terug naar startbladzijde