GRAAL
De Keltische sage van Peredur en Walewein

naverteld door Haselas

 

Inleiding

In de Ragnareeks verschenen al meerdere brochures met verhalen en sagen, maar de Keltische Graallegende ontbrak nog.  De legende is m.i. belangrijk omdat zij duidelijk maakt hoe de natuur en de bovennatuur bij de Kelten dooreen liepen, maar ook omdat zij verschillende fasen in de landverhuizingen van Kelten aantoont.

Deze bijdrage is uiteraard een veel te beknopte versie van het oorspronkelijke verhaal. En al evenmin is het een getrouwe vertaling. Het is daarentegen een samenvatting, aangevuld met enkele vrije denksporen, die de lezer kan leiden naar geschriften over de Graal die veel en veel dieper graven in de materie van de legenden dan ooit een brochuurtje dat zal kunnen.

Zelfs in de naschriften pretendeer ik allerminst de wijsheid in pacht te hebben, maar voeg ik bedenkingen uit sommige van mijn bronnen samen met mijn eigen overwegingen.  Graag sluit ik me echter wel aan bij de belangrijkste boodschap die Walewein en Peredur ons geven: ridderlijkheid en trouw, naast het stellen van de juiste vragen, zijn de enige wegen naar een volmaakt leven.

Haselas

 

 

  De grote dwaas

De huilende wind geselt de bomen in het donkere bos. Het lijkt wel alsof het Wilde Heir, het geestenleger, door de lucht raast en of de aanvoerder van dat Heir het dak van de eenvoudige houten woning wil rukken om zijn moed en kracht te bewijzen.

Peredur kan dan ook niet slapen en luistert verstoord naar het bulderen van de storm. O nee, angst kent hij niet, hoewel zijn moeder er alles aan heeft gedaan om hem dat gevoel te leren kennen. Zij verloor immers haar man en zes andere zonen in de strijd, want geen van hen kende enige angst, waardoor zij het gevaar steeds als eersten tegemoet liepen om dan te sneuvelen. Om die reden heeft zijn moeder trouwens de rust van het bos opgezocht, om Peredur niet bloot te stellen aan de verlokkingen van het krijgsleven.

Zijn moeder heeft wel getracht hem niets te vertellen van zijn afkomst, om hem het lot van zijn vader en broers te besparen, maar ondanks die poging heeft Peredur toch geleerd om de werpspies te hanteren als de beste, wat steeds zorgt voor lekker vlees op tafel. Zijn liefde voor de jacht maakt ook dat hij sneller kan lopen dan een hinde. Als jongeman is hij echter volkomen onwetend van de uitdagingen van het leven, omdat zijn moeder hem afschermt van al wat zijn onschuld kan bedreigen, enkel in de hoop ook haar laatste zoon niet te verliezen.

De ochtend na de storm ruimt Peredur de afgewaaide takken op, en breekt deze alvast in kleinere stukken zodat zij als brandhout kunnen dienen. De herrie die hij daarbij maakt zorgt er echter voor dat hij niet hoort hoe drie ruiters de open ruimte voor de woning oprijden. Tot een van de paarden briest en Peredur opschrikt.  Zonder aarzelen grijpt hij naar zijn werpspies om de drie geharnaste ruiters te tonen dat hij geen angst heeft: “Staan blijven, ruiters uit de andere wereld!”  Immers, vertelde zijn moeder niet van wezens die in ijzeren kleren rondrijden en die geen mensen maar duivels zijn?

Nee, Peredur weet helemaal niet dat zij ridders enkel haat omdat deze zo graag ten strijde trekken en haar daardoor weduwe en kinderloos maakten, op één zoon na. De verhalen hebben echter geen angst opgewekt bij Peredur maar wel nieuwsgierigheid.  Hij luistert dan ook aandachtig wanneer een van de ridders hem aanspreekt: “Jij daar dwaas, leg die spies neer, anders zullen Walewein, Urien en Owein je wel eens leren wat respect is voor een ridder van Koning Arthur!” Als om zijn woorden kracht bij te zetten trekt Walewein zijn zwaard en beweegt het dreigend in de richting van de jongeman.

De onbevreesde Peredur twijfelt echter geen ogenblik en gooit nu zijn spies, die nog nooit een everzwijn of zelfs een hinde gemist heeft. Maar o wonder, met een bliksemsnelle beweging vat Walewein de spies bij het handvat om ze dan naast zich op de grond te gooien. “Dwaas zal je vanaf nu heten omdat je het aandurft ons te bedreigen jongeman! En nu ga je ons iets te eten en te drinken geven!”.

Even later zitten de drie ridders aan tafel terwijl Peredurs moeder hen bedient. Peredur zelf luistert met open mond naar de ridders, die breedvoerig vertellen over de vele opdrachten die ridders van hun Koning krijgen.

“Moeder, mag ik met de ridders meegaan om het land te ontdekken?”  Uiteraard heeft zijn moeder deze vraag al verwacht en weet zij dat al haar verzet nutteloos zal zijn. De verhalen van de ridders begeesteren haar zoon zodat hij zich echt bij hen wil aansluiten. Ja, denkt zij, de geestdrift van de jeugd kan niemand temperen, en zo is het misschien maar goed ook.

Uit verschillende lappen gekleurde stof naait zij dan, met betraande ogen, een kleed voor Peredur, die er nu echt als een nar uitziet. Maar dat is nu net haar bedoeling. Zij hoopt dat de drie ridders hem niet zullen meenemen omwille van zijn clowneske uitzicht.  Maar die hoop blijkt even later ijdel. De ridders willen wel een hulpje op sleeptouw nemen, zelfs al noemen ze hem ‘grote dwaas’ en is hij als nar gekleed.

Daarom roept zij voor de laatste maal Peredur bij zich en geeft hem nog eenmaal moederlijke raad: “Jongen, als je aan het Hof komt ga je eerst naar Koning Arthur en je noemt hem mijn naam, want hij is familie van mij en dus ook van jou”.  Verbaasd wil Peredur haar onderbreken om meer uitleg te vragen, doch zij doet hem teken voor haar te knielen, waarna zij haar hand stilzwijgend op zijn hoofd legt in een moederlijke zegening, terwijl haar hart van verdriet in haar keel lijkt te bonzen.

 

De Vrouwe van de Bron

De ridders vertrekken nu en na enkele uren rijden tussen de indrukwekkende hoge bomen bereiken zij een open plaats in het woud. Naast een helder klaterende bron staat een stevige houten woning, waarvoor een vrouw zit met mooie gelaatstrekken en een eerlijke glimlach.

“Welkom edele ridders, en welkom, edele jongeling in het narrenkleed”.  Na deze begroeting krijgt het gezelschap een lekkere maaltijd voorgeschoteld, waarbij geen wijn gedronken wordt maar heerlijk bronwater.  “Jullie zouden beter hier overnachten, want de nacht gaat invallen, en dan moeten jullie in open lucht slapen, vermits de volgende herberg nog een hele dag rijden is”.

Die avond blijkt dat zij met haar vriendelijke uitnodiging een tweede bedoeling heeft. Zij nodigt de maagdelijke Peredur uit in haar bed en leert hem hoe hij door een vrouw te behagen ook zelf de bevrediging van zijn zinnen kan vinden.

Wanneer de ridders ’s anderdaags afscheid nemen krijgt Peredur van haar nog een mooie ring ten geschenke: “Kijk, lieve dwaas, laat deze ring je gids zijn op de vele tochten die je nog zal maken in je onrustige leven”. Als Peredur tijdens zijn latere tochten naar de steen uit bergkristal kijkt die de ring siert, ziet hij steeds weer de bron die een verbinding vormt tussen de twee werelden: de natuurlijke en de hoogste.  Hij weet dan telkens weer dat die twee onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.

 

Avalon

Na vele dagen rijden bereikt de kleine groep een statige burcht, die als het ware uit zee oprijst boven het eiland Avalon.  Op deze verhoogde plaats in de moerassen verblijft de oude en zieke Koning Arthur.

Hun aandacht wordt getrokken door rumoer vlakbij de ophaalbrug.  Daar staat een triomfantelijke ridder met een rode wapenrusting, die een beker in de hand houdt en er als ware het een trofee mee zwaait naar de nieuwkomers. Uit het geroep van toesnellende hovelingen begrijpen zij dat de rode ridder deze beker uit de handen griste van Guinevere, de koningin die ook de geliefde is van Lancelot, een ridder van de Koning.  Bij de diefstal morste de rode ridder wijn in haar schoot waardoor het leek alsof zij nog maar net haar maagdelijkheid verloren was.  Wat dan weer een rechtstreekse verwijzing was naar haar overspel.  De belediging voor de onmachtige en bedrogen koning kon niet groter zijn.

“Jij dwaas in je narrenpak” roept de rode ridder nu naar Peredur: “Ga naar de grote zaal, en vraag aan Arthur dat hij een kampioen stuurt om de beker terug te winnen”.  Maar Peredur denkt er nog niet aan het bevel van de dief te volgen.  Hij twijfelt ook helemaal niet aan datgene wat moet gedaan worden.  Zodat iedereen het hoort roept hij de rode ridder toe dat hij een lafaard is omdat hij de koningin durft te bestelen en te besmeuren, terwijl de koning te ziek is om zich te verdedigen.  Boos om die belediging wil de rode ridder de dwaas een mep geven met het platte deel van zijn zwaard, maar de snelheid waarmee de werpspies van Peredur vertrekt verrast nu iedereen.  Een seconde later al ligt de rode ridder, met doorboorde helm, dood aan de voeten van zijn eigen paard.

Zijn drie metgezellen klappen in de handen, terwijl ook anderen hem nu toejuichen.  Walewein spoort hem zelfs aan de kledij van de rode ridder te nemen, maar Peredur weigert het narrenpak dat hij van zijn moeder kreeg uit te trekken.  Hij raapt nu de gestolen beker van de grond op, en geeft hem aan een rijzige man met grijze baard die ondertussen op het binnenplein verschenen is, en waarvoor iedereen met ontzag een stapje achteruit zet.

“Grijsaard die respect afdwingt, wil jij deze beker aan de Koningin teruggeven, en meteen de Koning melden dat de belediging gewroken is?”  De man, bekend als Merlijn de magiër, neemt dankbaar de kelk in ontvangst en schrijdt ermee de burchtpoort binnen. Waarna Peredur het paard van de overwonnen ridder bij de teugels neemt en het onhandig bestijgt: “Dit paard behoort nu toe aan de Grote Dwaas, die de belediging van de Koningin niet ongewroken liet”.

Waarna het paard steigert en spoorslags de burcht Avalon uitrent, de Dwaas op zijn rug meevoerend.  Deze laat de teugels los, en geeft zich daarmee over aan het lot dat hem doorheen het ganse land van Arthur zal voeren.

 

Lelie en Peredur

Na heel wat omzwervingen, tijdens welke Peredur zich oefent in het zwaardvechten en ook in de praktijk brengt dat een ridder steeds de zwakkeren moet verdedigen, bereikt hij een belegerde stad.  Niet enkel is het verlaten van de stad onmogelijk gemaakt, ook het bereiken ervan wordt gehinderd door obstakels.  Wanneer hij toch de stadspoorten wil bereiken zijn het krijgshaftige soldeniers die trachten hem tegen te houden, maar met het zwaard in de hand slaat hij zich doorheen de belegeraars, laat zijn paard over de obstakels springen en bereikt de poort.

Wachters, die het gevecht van op de wallen hebben gadegeslagen, openen onmiddellijk de poort, en Peredur wordt bij de koningin van de stad gebracht: Lelie.  Deze vertelt hem in tranen dat het een afgewezen aanbidder is die de stad belegert en daarmee niet enkel haar treft, maar meteen ook de ganse stadsbevolking uithongert.  Na een lang en troostend gesprek vleit zij zich tegen de sterke Peredur aan, en geeft zich de ganse nacht aan hem.

De volgende dag laat Peredur de stadspoorten opnieuw openen voor hem, en rijdt naar het kamp van de belegeraars.  Die laten de ene eenzame ruiter voorbij, en hij krijgt de kans om de rijkst versierde tent te bereiken.  Met luide stem daagt Peredur nu de aanvoerder van de belegeraars uit, waarna hij hem in een man-tegen-man gevecht verslaat.  De belegeraars trekken zich terug, en voeren hun zwaargewonde aanvoerder met zich mee.  Een schip met voedsel kan nu de stad bereiken, en de hongersnood voor de bevolking is voorbij.

Twee dagen later al stapt een stoet de rijkelijk versierde stadspoort uit.  Voorop meisjes die bloemen strooien, gevolgd door de druïde.  Waarna Lelie en Peredur volgen.  Op de open plaats voor de stadswallen, waar meestal recht wordt gesproken, beloven de twee elkaar trouw als man en vrouw.  Hier zou de legende kunnen eindigen, want Peredur zou lang en gelukkig kunnen leven met Lelie en vele kinderen krijgen, maar…na enkele maanden vertrekt Peredur al, ditmaal om op zoek te gaan naar zijn moeder die hij al zolang niet meer zag.  Na een laatste onstuimige liefdesnacht verlaat hij de bedroefde Lelie, met de belofte enkel terug te keren wanneer hij heeft vastgesteld dat zijn moeder gezond en wel is.

 

De Graalburcht en Amfortas

Op de avond van de eerste dag al zoekt hij onderdak, en ziet op een meer een visser.  “Hallo visser, kan jij mij misschien een nachtlogies aanwijzen in deze buurt?”  De visser verwijst hem naar een statige burcht, die hij reeds bereikt na een halfuurtje rijden.

Peredur rijdt de ophaalbrug over, geeft zijn paard aan een stalknecht en stapt langs een mooie brede trap een grote zaal binnen, waar dezelfde visser die hem daarstraks de weg wees, nu als gastheer naast het haardvuur ligt.  Nog vooraleer een verbaasde Peredur uitleg kan vragen, neemt de gastheer reeds het woord: “Welkom Peredur, edele jongeman, zoon van een nobele moeder, verwarmer van de jonkvrouw van de bronnen, echtgenoot van Lelie.  Wees welgekomen in de Graalburcht, enkel tastbaar aanwezig en zichtbaar voor degenen die waardig genoeg bevonden worden”.

De visser-gastheer die zichzelf voorstelt als Amfortas, reikt nu een beker met honingmede aan Peredur en klapt in de handen, waarna voedsel wordt gebracht.  Het valt Peredur op dat Amfortas haast onbeweeglijk blijft op de rustbank, en deze ziet de vragen in de ogen van Peredur.  “Ik werd ongeneeslijk gewond tussen de dijen, en daarom zal u mij nooit rechtstaand zien.  Deze koning kan zijn land niet langer verdedigen”.

Nog tijdens de maaltijd klinkt driemaal het geluid van een bonzende staf op een houten vloer, waarna de deur openzwaait en een schildknaap de zaal binnenkomt.  In zijn handen draagt hij een indrukwekkend zwaard.   Amfortas neemt dit zwaard en wenkt Peredur tot aan zijn rustbank, waar hij hem het zwaard in de handen legt: “Enkel iemand zo edel als jij kan voorbestemd zijn om het machtige zwaard Excalibur te dragen.  Ikzelf ontving dit zwaard uit de handen van de Vrouwe van het Meer, tijdens een vistocht”.  Peredur aarzelt niet, maar aanvaardt het zwaard en gordt het dadelijk om.  Waarna de haardvlammen onmiddellijk een warmer en helderder licht in de zaal strooien, waardoor tegen een wand drie personen zichtbaar worden, die nu naderbij komen.

Eerst nadert een jongen de tafel die een speerpunt in de hand heeft waaraan bloed kleeft. Hij wordt gevolgd door een meisje met stralende gouden haren.  Zij draagt een schitterende kelk, een Graal waarin goudgele honingwijn glinstert, en pas nu wordt het Peredur duidelijk dat niet de haardvlammen voor het bijzondere licht zorgen, zoals hij dacht, maar wel de glans die van de gouden lokken en ook van de Graal in de zaal straalt.

Een tweede meisje, even mooi en even onbevangen maagdelijk als het eerste, draagt een zilveren schotel waarop een mannenhoofd ligt. Statig schrijdt de stoet tweemaal voorbij de tafel en verdwijnt daarna uit de zaal.  Peredur kijkt eerbiedig toe en om de wijding van het ogenblik niet te doorbreken, maar ook omdat de wijn hem slaperig maakt, vraagt hij zelfs niet aan de visser-gastheer wat de betekenis van de vreemde stoet is.

Het licht herneemt nu weer zijn gewone kracht, en even later gaan Amfortas en Peredur slapen. De volgende ochtend wordt Peredur wakker in een volkomen lege burcht, en hij stelt vast dat met de burchtbewoners ook het zwaard Excalibur verdwenen is, waarna hij zelf zijn paard zadelt en vertrekt.

 

De wenende vrouw

Een eindje verder treft hij op een boomstronk naast de weg een huilende jonge vrouw aan, die naast het lijk van een jongeman zit.  Op zijn troostende vragen antwoordt zij dat haar geliefde door een boze ridder werd gedood.  Na een tijdje praten verneemt zij van Peredur dat hij de gast was van de visser en haar ontzag voor hem neemt toe.  Zij weet namelijk uit vele verhalen dat het om de Koning-Visser gaat, hoeder van de Graal, maar bedlegerig wegens zijn wonde tussen de dijen.

Pas wanneer Peredur haar vertelt dat hij geen vragen stelde tijdens de stoet voorbij de tafel, maakt zij zich boos: “Dwaas die je bent!  Wanneer je de juiste vragen had gesteld zou de Koning genezen zijn, en zou hij opnieuw het land kunnen besturen.  Wat een weldaad zou betekenen voor iedereen, want dan zouden geen boze ridders meer onze geliefden kunnen doden. Jouw stilzwijgen was zo erg dat je niet langer waardig werd bevonden om Excalibur te dragen”.

Peredur betreurt nu dat hij zijn vroegere openhartigheid heeft opzij geschoven tijdens de stoet, onder invloed van rode wijn, maar hij beseft dat hij zijn daden niet ongedaan kan maken.  De jonge vrouw lijkt wel zijn gedachten te raden, want zij gaat verder: “Nee, niemand kan de geschiedenis terug draaien, en ook de wijze waarop je je eigen moeder hebt verlaten kan je niet ongedaan maken, want haar hart is gebroken van verdriet, reeds op de avond van de dag dat je haar verlaten hebt.  Zij werd begraven onder een eik naast haar woudhuis”.

Zonder nog een woord te zeggen vertrekt Peredur nu, want elk woord zou hem in huilen doen uitbarsten en dat wil hij niet.  Hij zoekt dan maar de boze ridder die de geliefde van het meisje doodde, vind hem bij een kampvuur een eind verder, en daagt hem uit tot een gevecht.  Na een lange kamp verslaat Peredur de ridder en dwingt hem zijn wapens af te leggen en zijn harnas.  Hij eist dat de verslagen ridder nu naar het Hof van Koning Arthur zal trekken, waar hij als bard kan verhalen over de belevenissen van de Grote Dwaas.

Drie dagen en nachten rouwt Peredur nu samen met de jonge vrouw die haar geliefde verloor aan de verslagen ridder.  Waarna de dode begraven wordt, en Peredur nog eens drie dagen en drie nachten het bed deelt met de vrouw.

 

Krijgskunsten en heksen

De rusteloze Peredur trekt dan weer verder en bereikt na een barre tocht langs steile bergwegeltjes een bergkasteel dat bewoond wordt door negen heksen.  De aanvoerster van de heksen lacht hem eerst uit omwille van zijn narrenkleed, en wanneer hij haar wil opzij duwen om het kasteel te kunnen betreden, verandert zij zichzelf in een draak die het ganse binnenplein van het kasteel inneemt.

De onversaagde Peredur gooit echter zijn werpspies, en deze blijft steken tussen de drakenschubben, op korte afstand van het drakenhart.  Met enkele sprongen is hij bij zijn werpspies en neemt het uiteinde vast: “Wanneer ik nu duw bereikt mijn spies jouw hart, heks, en dan zal het je berouwen dat je mij hebt onderschat”.  “Vraag wat je wil, o dappere strijder” piept de draak-heks nu in een poging hem te vleien. Peredur is echter allerminst onder de indruk van die poging en stelt onverkort zijn eis: “Jullie zullen mij leren andere wapens te gebruiken, waardoor ik er even handig mee wordt als met mijn werpspies”.

“Zeker” belooft nu de aanvoerster, terwijl zij opnieuw haar heksengedaante aanneemt.  En gedurende de volgende maanden kneden de negen heksen, elk bedreven in een ander aspect van krijgskunst, hem tot een volwaardig bestrijder van al wat slecht en boos is.

 

Walewein

Wat al onmiddellijk van pas komt als hij tijdens een sneeuwstorm twee ridders ontmoet, Mordred en Key, die hem uitdagen.  Hij verslaat hen allebei, waarbij vooral Key het moet ontgelden.  Deze is immers bekend tot aan het Hof van Arthur voor de onwaardige wijze waarop hij vrouwen en ondergeschikten behandeld, en daarom is de afstraffing door de dwaze Peredur in het narrenpak des te pijnlijker.

Terwijl de twee de vlucht nemen voor de blijkbaar goed geoefende Peredur doemt uit de sneeuw zijn oude makker Walewein op, die op de borstplaat van zijn harnas een ster draagt met vijf punten.  “Wat betekenen die vijf punten” vraagt Peredur, en bij een vuur onder de beschermende takken van een grote boom, vertelt Walewein nu dat ook hij een lange tocht maakte.  Een van de vrouwen die hem had uitgenodigd om met haar de nacht door te brengen was een zekere Sophia uit het Oosten, een afgevaardigde van de zonnegodin zelf, die hem vertelde dat zijn eigen vrouwelijke kant hem toegang kon verlenen tot het Lichtrijk.

“En sindsdien draag ik dit pentagram als ridder van de Godin” vervolgt Walewein: “Symbool voor beheersing van de vijf zintuigen, snelheid met vijf vingers, en behoeder van de vijf deugden der trouw: vriendschap, reinheid van geest, ridderlijkheid, mededogen, eerlijkheid.  Trouwens, ook Merlijn, de magiër van Arthur draagt hetzelfde symbool”.

Peredur vertelt daarop Walewein van zijn vele omzwervingen, en vertelt tenslotte ook over de mysterieuze visser en de Graalstoet in de grote zaal van zijn kasteel.  “Had ik maar gevraagd naar de betekenis van de Graal, dan had ik het land kunnen bevrijden van de onbestuurbaarheid.  Maar nu is de Graalburcht verdwenen, want ik ben onwaardig om ze terug te vinden.”

Walewein neemt Peredur nu mee naar het Hof van Koning Arthur, waar hij op voorspraak van Walewein wordt opgenomen bij de ridders van de Ronde Tafel, die een hechte mannenbond vormen onder de wereldse leiding van Arthur, en de geestelijke leiding van Merlijn.  Aan dat Hof wordt hij ook verliefd op de mooie Goudhand, maar deze beantwoordt zijn liefde niet, omdat hij blijkbaar teveel aandacht geeft aan de rituelen van de Ronde Tafel.  Waarna hij bedroefd het Hof en zijn vriend Walewein opnieuw verlaat om verder door het land te dwalen.

 

Addanc, het monster

Zo komt hij aan bij een slot op hetzelfde tijdstip dat drie paarden over de ophaalbrug stappen, elk met een dode man op hun rug.  Vrouwen tillen de doden van de paarden, leggen de lichamen in de mansgrote tinnen kuip van wedergeboorte die in het midden van het binnenplein staat, en wrijven hen daar in met oliën.

De mannen komen daardoor weer tot leven en vertellen Peredur dat het Addanc is, een afzichtelijk monster, dat hen dagelijks doodt, en dat het de vrouwen zijn die hen telkens weer tot leven wekken.  Dezelfde Addanc heeft ook reeds vele nobele mannen verplicht om hun tenten op te slaan rond zijn rustplaats en hem te beschermen.  “En heeft nog niemand het aangedurfd om Addanc te bekampen?”, vraagt Peredur, en de mannen moeten beschaamd toegeven dat niemand, ook zijzelf niet, ooit de moed daartoe opbracht.

Zij vertellen Peredur ook nog met ontzag over de kasteelvrouw, de Dame van de Heuvel genoemd.  En inderdaad, wanneer hij de slotzaal betreedt vindt hij daar de mooiste vrouw die hij ooit zag.  “Mooie vrouw, Dame van de Heuvel, hoedster van de kuip van wedergeboorte, wat moet ik doen om Addanc te verslaan?”.  De Dame tracht eerst nog Peredur van zijn voornemen af te brengen, maar dat lukt haar niet.  Tenslotte geeft zij toch toe: “Ik kan u weliswaar niet bij de strijd helpen, vermetele Dwaas, en kan u daarom enkel deze stenen toverring geven die onzichtbaar maakt.  En weet dat Addanc het zwakste is, wanneer hij net wakker wordt en nog niet ontbeten heeft”.  De Dame stelt nog als enige voorwaarde voor de overhandiging van de ring, dat Peredur haar zou beminnen, wat deze dan ook een ganse nacht lang doet. 

Wanneer de eerste zonnestralen boven de schuilplaats van Addanc verschijnen, verschijnt ook Peredur met zijn wapens.  Met ontzag wijken de nobele mannen die gedwongen zijn het monster te beschermen opzij, en nog slaapdronken weert Addanc met verveelde gebaren de slagen van de ridder af.  Het lukt Peredur niet om dicht genoeg te komen om zijn zwaard te gebruiken, waarna hij de stenen ring om zijn vinger schuift en onzichtbaar wordt.  Met enkele stappen staat hij nu naast het monster en plant zijn zwaard met één snelle beweging in het hart.  Met een laatste blik vol ongeloof staart Addanc in de leegte, niet begrijpend dat iets of iemand het vleesgeworden kwaad kan doden, tot zijn blik troebeler wordt om dan definitief te breken. 

De vele mannen, bevrijdt van hun bewaker, zweren nu trouw aan de overwinnaar die hen opdraagt naar Avalon te vertrekken om daar Arthur bij te staan, en tevens aan het haardvuur te vertellen over de daden van Peredur.

 

Constantinopel

De voortdurende zwerftocht van Peredur brengt hem ook naar Constantinopel waar hij onderdak krijgt bij een molenaar.  Bij een wandeling door de stad hoort hij een heraut die op een marktplein alle edelen oproept deel te nemen aan een groot tornooi, waarbij de prijs voor de dapperste ridder bestaat uit de bloedmooie keizerin van Constantinopel zelf.

Peredur moet niet lang nadenken, en schrijft zich in voor de kamp, waar talloze ridders uit de Arabische cultuursfeer én uit de Westerse, het tegen elkaar opnemen.  Een na een worden de tegenstanders verslagen door Peredur, bedreven in het hanteren van alle wapens.  Steeds weer onderschatten de tegenstanders de ridder in het narrenpak, tot hij tenslotte nog voor drie sterke tegenstanders staat.

Eerst verslaat hij een ridder in een gitzwart harnas die hem als trofee een gouden beker schenkt: “Dit is de kelk van de Hexa, de wijze vrouw die in elke sibbe leeft, waarin de oude mede van de wijsheid wordt gedronken”. 
Een tweede ridder draagt een zilverkleurig harnas en ook die wordt, na een lang gevecht, uitgeschakeld. Waarna ook deze Peredur een beker schenkt: “Deze kelk in de vorm van een wolvenklauw draagt de witte moedermelk die een volk kan voeden”.
De laatste ridder is vuurrood en zelfs zijn krulhaar is rood.  Het kost Peredur veel moeite, maar ook hier overwint hij, om dan een laatste beker te krijgen: “Uit deze kelk wordt de maagdelijk zuivere rode wijn gedronken”.

Peredur, nu volkomen afgemat, wordt door triomfantelijke dienaren tot bij de Keizerin gebracht, die niemand minder blijkt te zijn dan de Dame van de Heuvel.  Zij neemt de held van het tornooi mee naar haar vertrekken, waar zijn narrenkleed door haar wordt afgenomen.  Waarna zij op haar beurt haar vruchtbare lichaam toont en zich tegen hem aanvleit.  Hij geeft haar nu al zijn liefde en vindt bij haar uiteindelijk de voldoening die hij gedurende zijn ganse tocht nastreefde.

Terwijl de ochtend nog schemert, en de zon lijkt te twijfelen of zij wel boven de einder zal stijgen om de nevels te verdrijven, worden de geliefden gewekt door een dienstmaagd, die aankondigt dat een zekere Merlijn uit de nevelen gekomen is om hen te spreken.  Terwijl de dienstmaagden een gesloten kring vormen rond de slaapplaats van de twee, slaat Merlijn de naakte Peredur tot ridder in het bijzijn van de even naakte Dame.  Als geschenk bracht Merlijn een witte uitrusting mee: “Bescherm uw lichaam met dit harnas, maar laat uw geesten even onbevangen en open blijven als uw naakte lichamen het nu zijn”.  Waarna de Dame van de Heuvel en Peredur samen regeren en het land gedijt, samen met het volk.

 

De helende vragen

Ondertussen is Walewein echter verder getrokken op zoek naar de Graalburcht waar Peredur hem zo geestdriftig over vertelde, en die voor Peredur onzichtbaar bleef na zijn eerste bezoek, en nadat hij verzuimde de genezende vragen te stellen.

Wanneer Walewein dagenlang door een woestijnachtig landschap getrokken is, en een schraal  middagmaal neemt nadat hij een vuurtje aanlegde, ziet hij een schildknaap naderen die eerbiedig voor hem buigt, om hem dan uit te nodigen naar het kasteel van zijn Heer.  Walewein verbaast zich er wel over dat hij het kasteel nog niet opmerkte dat nu achter een lichte bocht in de weg opdoemt, maar stelt zich geen verdere vragen.

De Heer van het kasteel ligt op een rustbank in een grote zaal, en wanneer Walewein binnenkomt klapt hij dadelijk in zijn handen, waarop voedsel en drank worden aangebracht.  Het valt Walewein wel op dat het rijkelijke kleed tussen zijn dijen doordrenkt is van het bloed, alsof hij een gecastreerde man is.

Na de maaltijd, waarbij Walewein het voorbeeld van zijn gastheer volgde en enkel water dronk, werpen de vlammen van het haardvuur mysterieuze schimmen op de wanden.  Naast het haardvuur zit een bard, die een oude ballade zingt.  Als uit het niets groeit nu uit de schimmen een groep meisjes met kandelaars, die drie mensen omringen: een jongeman die een bebloede speerpunt draagt gevolgd door een blond meisje met een gouden kelk waarin mede glinstert. Tenslotte sluit een meisje dat een zilveren schaal draagt met daarop een mannenhoofd de korte optocht af.

“Heer, kan u mij verklaren wat de betekenis is van deze stoet, en van de voorwerpen die meegedragen worden?”.  Verheugd kijkt de gastheer nu op, en ook de jongeman, de meisjes, de bard, en zelfs de dienaars en dienstmeisjes klappen met enthousiasme in de handen omdat Walewein eindelijk de bevrijdende vragen stelde, die de pijnlijke wonde van hun koning zullen genezen.

“Jouw vragen, en jouw zoektocht naar deze geheimen zijn belangrijker, veel belangrijker dan de antwoorden.  Want in het zoeken schuilt de grond van het weten.  Peredur verzuimde de vragen te stellen, en daarom verdorde de levengevende grond.  Jouw vragen hebben nu die bodem gered. Daarom zal vanaf nu het land terug vruchtbaar worden, want het loutere ondergaan van gebeurtenissen, zonder speuren naar de waarheid, is de enige reden waarom een land verdort”.

“Peredur” zo gaat de Heer verder: “Koos ervoor om de vragen niet te stellen, maar samen met de Dame van de Heuvel zelf de verantwoordelijkheid voor een Rijk op zich te nemen, terwijl jij naar de kennis op zoek ging, waardoor je een Koning kan genezen.  Beiden hebben jullie aangetoond sterk te zijn, en elkaar waardig te zijn, waardig genoeg om de geschiedenis in te gaan als openers van de vruchtbaarheidslippen van de Moedergodin van het Gewijde Land”.

En terwijl de stoet met de Graal, de lans en de schotel, langzaam lijkt op te gaan in ijle lichtslierten, staat de Heer van de Graalburcht op van zijn rustbank.  Een schildknaap en een dienstmeisje zijn samen naderbij gekomen, en dragen samen het zwaard Excalibur, dat zij trots, met rechte hoofden aanbieden aan hun Heer.

De Heer van de Graalburcht geeft nu Excalibur aan Walewein: “Verdedig hiermee uw erfgoed, wijdt hiermee het vruchtbare land en zijn bronnen die de verbinding vormen met mijn wereld”.  Waarna ook de Heer en de ganse burcht lijken op te stijgen, en Walewein verbaasd vaststelt dat hij aan de voet van een trotse eik zit, terwijl boven zijn hoofd een jagende valk voorbij zweeft.

 

Bronnen:

De Heilige Graal, Malcolm Godwin, Atrium 1990
Perceval, Chrétien de Troyes, Het Spectrum 1979
Parzival, Wolfram von Eschenbach,
De erfopvolgers van de Graal, Sir Laurence Gardner, Tirion
Dappere ridders en doortrapte schoften, Ard Posthuma, Atheneum-Polak & Van Gennep
Talrijke Internetteksten, zonder bronvermelding…

Van Peredur tot Parsival

Er bestaan talloze Ierse legenden, en deze legenden werden tijdens de eerste eeuwen van onze jaartelling niet neergeschreven maar enkel verteld door rondtrekkende vertellers, en ook door sibbevaders aan de winterhaarden. Zo zijn er de verhalen over de ‘drinkhoorn des overvloeds’ die nooit leeg is, of over de ‘ketel van kennis’ waaruit enkel wijzen kunnen putten.  Heel wat verhalen betroffen de vruchtbaarheid van de aarde, van het vee, van het wild, maar ook van de mens. Want de mens was (en is) volkomen afhankelijk van deze vruchtbaarheid van aarde en dier voor zijn voeding, maar ook van de vruchtbaarheid van de vrouw.  Wie immers in vroegere eeuwen kinderloos bleef, was gedoemd om eenzaam oud te worden en niet te genieten van de automatische opvang van ouderen, die kinderen tot hun vanzelfsprekende plicht rekenden. 

Dat deze verhalen werden opgesmukt, en dat in de loop der jaren en zelfs eeuwen meerdere sagen en legenden werden samengesmolten ligt voor de hand. Enkel een schriftelijke weerslag kan immers een verhaallijn vastleggen, maar een mondelinge overlevering zal steeds onderhevig zijn aan de vindingrijkheid of de verbale vaardigheid van de verteller.

De Romeinen verlieten de Britse eilanden rond het einde van de 5de eeuw, waarna alle oude heidense verhalen opnieuw werden opgefrist en konden verteld worden door de rondtrekkende barden. Het Romeinse Rijk had immers het christendom geannexeerd om politieke redenen. Het was heel wat makkelijker om bezette volkeren in bedwang te houden, waneer ze geloofden dat je gezag dat ‘van God’ kwam in onderdanigheid moest eerbiedigen.  De Ierse natuurverhalen bereikten dan ook pas na het terugtrekken van de Romeinen de overzijde van de Ierse zee, Wales.

Een tweede etappe in deze verhalenroute ontstond wanneer in de 7de eeuw de Germaanse Angelen de Bretonen opjoegen, waardoor velen onder hen de Britse eilanden verlieten, na eerst door Wales te trekken en daar kennis te maken met de vele legenden. Daarna staken zij over naar Frankrijk waar zij vooral Bretagne bevolkten.  De Ierse verhalen werden nu ook daar verteld, maar dan door ‘conteurs’, Bretoense rondtrekkende vertellers die door gans Frankrijk reisden, en waarover algemeen gezegd werd dat het de allerbeste vertellers waren.

In de 12de eeuw werd het oudste bekende Graalverhaal geschreven door de Franse schrijver Chrétien de Troyes.  Hij verklaarde dat hij zijn verhaal baseerde op een document dat hij ontving van Filips van Vlaanderen. Toch is het meer dan waarschijnlijk dat hij de oude Keltische verhalen over De Graal en over Koning Arthur oppikte bij de Bretoense ‘conteurs’.  Alleszins mengde Chrétien de Troyes de verschillende verhalen tot een boeiend geheel over de jonge ridder Perceval. Hij schreef echter geen sluitstuk, waardoor Cisterciënzer monniken dit voor hem deden door de verhalen te herschrijven, de heidense elementen eruit te weren of te verdoezelen, en de legenden aan te vullen met christelijke moraliserende delen. Waardoor de Graallegende, die zich in de 6de eeuw afspeelt, nu in een gekerstende versie de rest van de westerse wereld bereikte.

De Keltische Peredur was nu als de Perceval van Chrétien de Troyes, maar ook als de Parsival van Wolfram von Eschenbach, een soort verlosser geworden met nauwelijks verholen gelijkenissen met Jezus Christus.  Meerdere van mijn bronnen verwijzen ook naar de (gewilde?) vertalingfout die de Cisterciënzers mogelijk maakten. Chrétien de Troyes beschrijft namelijk een ‘CORS’, wat een oud-Frans woord is dat zowel hoorn als lichaam kan betekenen. De oorspronkelijke ‘Cors benoiz’ de Keltische ‘hoorn des overvloeds’ werd door die vertalingfout plots ‘cors benoit’ of ‘gezegend lichaam’…

Les in ridderlijkheid

Vanaf het jaar 1000 heerste in Europa eigenlijk een totale chaos, die vooral ontstond door de talloze voorspellingen over het vergaan van de wereld in dat jaar 1000. In een onblusbare drang naar genot tijdens de laatste jaren van het bestaan van de wereld, ontspoorden de mensen en verdwenen ook meteen alle omgangsvormen die samenleven moesten ordenen.  Ook de Kerk ontsnapte niet aan het algehele verval, want een van de pausen omschreef zijn priesters zelfs als ‘zwijnen in een stal’.

Het oorspronkelijke Graalverhaal van Chrétien de Troyes paste dan ook in het zoeken naar een antwoord op de afschuwelijke omgangsvormen van die tijd. Hij liet één man de ridderlijkheid ontdekken, en liet deze tegelijk ook vragen stellen naar het waarom der dingen.

Ene Marie de Champagne reageerde trouwens in dezelfde periode op de lompheid van de mensen door hoffelijkheidscholen op te richten waar mannen leerden hoe zij zich in gezelschap moesten gedragen. Deze scholen strookten niet volledig met de visie van Chrétien de Troyes, die van oordeel was dat een echte man niet verwijfd hoefde te zijn, maar wel de ridderlijkheid moest kennen, die de andere Ronde-Tafelridders volgens hem blijkbaar niet beheersten.

Wolfram von Eschenbach, die nochtans de Graallegende in de christelijke sfeer overnam,  zag zijn Parsivalfiguur dan weer als een botsing tussen de chaos of de spontaneïteit van de natuur enerzijds, met het keurslijf van het Bijbelse christendom anderzijds.

 

Bronnencultus

De Kelten kenden ongetwijfeld een belangrijke bronnencultus. Daarvan getuigen de vele verhalen die in Ierland, Wales, Cornwall, maar ook in Bretagne verteld worden, en die telkens verwijzen naar vrouwen die bij bronnen wonen. Deze bronnenverering is trouwens geen typisch Keltisch fenomeen. Denk maar aan de Germaanse sagen rond Vrouw Holle.

Bij alle verhalen is slechts één constante: bronnen of waterputten vormen verbindingen tussen twee werelden. De natuurlijke en de bovennatuurlijke, of soms ook de onderwereld. Zo ook in de legende van de Graal, waar de eerste inwijding in de fysieke liefde aan Peredur wordt gegeven door een bronhoedster. Wat geen verbazing kan wekken, want in de Keltische verhalen gaan natuur en bovennatuur naadloos in elkaar over.

Zelfs de twee hoofdfiguren in de Graallegende: Walewein en Peredur, worden in verschillende besprekingen van de Graallegende beschouwd als de twee zijden van één wezen. Waarbij de ene zijde het wereldlijke belichaamt en overwint door een rijk te leiden. Terwijl de andere zijde geestelijke vervulling vindt in het stellen van de juiste vragen.

De bron werd ook beschouwd als bewijs van de gulheid van de Moedergodin. De aarde schenkt water, dus is de aarde gul voor haar bewoners.  Ook het tegenovergestelde was waar. Droogte werd steeds verklaard door verhalen over de boze natuurgodin die de bronnen liet opdrogen, waarna een woestenij kon ontstaan, of een oogst kon mislukken.

Een raadsel is nog steeds het fenomeen van de hoofden in bronnen. Inderdaad werd in meerdere waterputten een schedel gevonden.  Ook in de vroegste versies van het Parsival-verhaal uit Wales, Peredur, droeg een meisje bij de Graaldraagster een schaal met daarop een mensenhoofd.

Uit de Germaanse mythologie kennen we het hoofd van Mimir, dat wijze raad gaf aan Odin (Wodan).  Bestond ook bij de Kelten een soortgelijke mythe?  Of hebben we hier te maken met dramatische overlijdens, waar wij onterecht een mythologische verklaring voor zoeken?

Samenvattend kunnen we stellen dat de Moedergodin, als levengevende natuur, enkel kan overwinnen indien zij ook de sterfelijke mens het beginsel van voortplanting laat ontdekken. Omdat bij mens, dier en gewassen voortplanting en vruchtbaarheid de drijfveer was en is van elke activiteit.  Daarom komt de Godin, als schenkster van water, als behoedster van de doorgang tussen de werelden, zelf tussenbeide om de Graalridder voor te bereiden op het leven, los van de moederbinding.

 

Het verhaal zelf

De barden, en later de conteurs hadden blijkbaar geen moeite met de manifeste tweeslachtigheid in hun interpretatie van ‘trouw’.  Een gehuwde man die van het ene bed in het andere hopt, werd in hun verhalen enkel afgerekend op zijn ridderlijkheid.  De tijdgeest was uiteraard helemaal anders dan degene die we nu kennen, maar toch…

Wetend echter dat vruchtbaarheid en voortplanting de belangrijkste drijfveren waren voor al wat gebeurde, is het niet onmogelijk dat niet enkel de coïtus, maar dat ook de ‘instrumenten’ daartoe omfloerst werden omschreven in de verhalen van die tijd. Waarbij de preutse tijden waarin de hoofsheidscholen ontstonden het moeilijk maakten om de zaken bij hun naam te noemen.

In de uitgebreide versie van de Graallegende is de Graal ook een beker waaruit nieuw leven vloeit, of waarvan de inhoud leven schenkt.  Een beker van wedergeboorte door het doorgeven van de bloedlijn dus. Want iedereen leeft eeuwig, indien de eigen genen in kinderen worden doorgegeven. In die optiek kan de Graal herkend worden als de metafoor voor een vulva, een bron waarin alle menselijke leven ontstaat. En zo ja, dan is de speerpunt de metafoor voor een penis, en het bloed aan die speerpunt kan dan verwijzen naar de nieuw-geopende vruchtbaarheid bij de ontmaagding. 
Té ver gezocht? Toch maar niet vergeten dat de preutsheid van de recentste eeuwen onbestaand was bij onze vroegste voorouders. Denken we maar aan de ING-rune die voor vruchtbaarheid staat. En waarvan de vorm manifest een pictogram voor de vagina is.

Aan de Graallegende zijn door Chrétien de Troyes, en door al de volgende vertellers, ongetwijfeld elementen toegevoegd om het geheel aan te passen aan de eigen vertelstijl. Daarom zetten we toch best de elementen die steeds terugkeren op een rijtje, omdat zij de ruggengraat van de Graallegende vormen:

1. Een jonge man wordt enkel door vrouwen opgevoed.
Wat enerzijds past in de hoffelijkheidrage van de 12de eeuw maar niet in de 6de eeuw, waarin het verhaal zich afspeelt. Daar is het wel aannemelijk dat verwezen wordt naar de Moedergodin of naar de hoedster van bronnen, als doorgangen tussen de werelden. Ook de aanwezigheid van Walewein en Peredur, als pendanten van elkaar, kan de aanwezigheid van dergelijke doorgangsfiguur noodzakelijk maken.

2. Hij wordt opgenomen aan de Ronde Tafel. (mannenbond?)
De inwijdingsverenigingen naar het mannelijke leven, de mannenbonden, waren meestal pseudo-geheime genootschappen. Die dus bewust en gewild een  mysterieuze uitstraling hadden, maar soms ook – naast intellectuele zoektochten – de fysieke krachten van hun leden ontwikkelden. Ook bij de Germanen vormden de Berserkers een geduchte strijdersbond.

3. Als ridderlijke man, verzet hij zich tegen de stijlloosheid van de tijd.
De verwijfdheid bij mannen die Marie de Champagne predikte werkt blijkbaar niet door iedereen bijgetreden.  In de eerste Graallegenden, én in de Arthursagen, werd meer de nadruk gelegd op ridderlijkheid en trouw aan een gegeven woord dan aan hoofse maniertjes.

4. Hij zoekt de Graal, bron van alle leven.
Een kelk met een levengevende drank past in de sfeer van geloof in wedergeboorte. Wedergeboorte die net zogoed kan uitgedrukt worden in het krijgen van kinderen, dus in de vruchtbaarheidsgedachte, omdat zij de bloedlijn verder zetten, en meestal zelfs met fysieke en karakteriële  kenmerken aantonen dat de ouders in hen voortleven.

5. Hij moet de juiste vragen stellen.
Hier begeven we ons op het gevaarlijke terrein van de bijbelgelovers. Het was immers gevaarlijk om vragen te stellen in een tijd waarin de Bijbelse orde heerste. Het onvoorwaardelijke geloof in “het boek” botste met degenen die vrijheid van gedachten wilden, maar dit enkel op omfloerste wijze konden duidelijk maken, bijvoorbeeld door het in een legende te gieten en gecodeerd weer te geven.

6. Door het stellen van de vragen red hij de wereld van ziekte, chaos en woestenij.
De natuur, de Moedergodin, kan beschermd worden door de mens, maar ook totaal vernietigd. Enkel door te weten welke kwalen de natuur bedreigen, kan de mens ingrijpen. De mens in deze legende beweegt zich dan ook tussen de natuur en de bovennatuur, om te begrijpen wat hij moet doen.

7. De tocht naar de Graal is belangrijker dan de Graal zelf.
Jeugd is streven naar volmaaktheid.  De tocht van een jongere naar volwassenheid is een geweldige ervaring, waarbij het geen rol speelt waar men in de volwassenenwereld terecht komt.  Jeugd had en heeft zelfs het recht op vergissing, omdat de spontane onstuimigheid van jeugd steeds rechtstreeks voert naar het beleven van idealen, wat vandaag ‘engagement’ heet.

 

Tarot

U merkte al dat ik bij deze legende veelvuldig afbeeldingen gebruikte uit de Tarot. Daar hoort toch een korte verklaring bij.

In 1231 stelde paus Gregorius IX de eerste katholieke inquisitie in.  Waarbij de Graallegenden onmiddellijk verboden werden. Het zoeken naar de waarheid en het stellen van vragen, bijvoorbeeld over de Bijbel of over het waarom van het gezag van onwaardige priesters, werd dus gelijkgesteld met ketterij.  Waardoor de zoekende geesten, die er altijd waren en ook zullen zijn, minder zichtbare wegen moesten zoeken om de waarheid te vinden. De mogelijkheid bestaat dat ook de tarotkaarten werden ingeschakeld om de symboliek van zoekende geesten te verspreiden. Vooral dus om het zoeken an sich te stimuleren, waardoor ook de omschrijvingen bij de kaarten voor interpretatie – zoeken – vatbaar moesten zijn.  Waarom? Omdat de zoektocht belangrijker is dan het bereiken van een einddoel, zoals de Graallegende ons leert.

Tarotkaarten ontstonden waarschijnlijk in de late 13de eeuw, begin 14de eeuw in het gebied dat we nu kennen als Noord-Italië, maar dat al in 400 voor onze tijdrekening Kelten huisvestte. Toch valt het niet uit te sluiten dat de kaarten reeds eerder werden gebruikt, maar dat hun oorsprong niet meer door historici kan worden aangetoond.
In de kaarten onderscheiden we de Zwaarden, bekers, Pentakels en Staven. Wat redelijk analoog is aan het zwaard, de Graalbeker, de schotel en ook de speerpunt. Onze huidige speelkaarten kennen trouwens nog steeds vier soorten of reeksen, en nog steeds wordt in dat spel één tarotkaart gebruikt: de joker, de zot of de nar. Die trouwens in heel wat spelletjes de sterkste kaart is, de uiteindelijke overwinnaar dus.

De tarot als gecodeerd Graalverhaal? Als aansporing tot vragen stellen? De thesis hierover kent gedreven voorstanders maar even fanatieke tegenstanders. Alleszins is het niet dom om te zoeken, ook naar de betekenis achter de tarotkaarten. Zeker omdat de verbindingen van tarot met de Graallegende en met de Arthurverhalen te opvallend zijn om ze te negeren.

Ik hoop echt u met deze korte samenvatting van het Graalverhaal geboeid te hebben, en uw honger te hebben aangescherpt naar het verdere zoeken naar uw eigen Graal, uw eigen waarheid, enkel te vinden voor wie de moed heeft de juiste vragen te stellen.

 

Terug naar top van blad          Terug naar startbladzijde