GINNUNGAGAP
of het begin der tijden

 

In het begin was er Ginnungagap, een grote leegte.  Toch was het een ruimte, maar zo reusachtig en onbegrensd dat ze zich in alle richtingen tot in de eeuwigheid uitstrekte.  Er zouden wel duizend werelden in kunnen.  Enkel het loutere denken hierover maakt reeds duizelig.  Onze kleine geesten worden met beven vervuld, bij de poging tot begrijpen van een dergelijk Al zonder meetbare of beschrijfbare lengte, breedte, hoogte of diepte.   

In dat begin dus, was er in Ginnungagap niets, helemaal niets dat door het menselijke verstand begrepen zou kunnen worden.  Geen waterdruppel, geen blad of twijg, zelfs geen snijdende zandkorrel.  Er was geen licht en geen duisternis, geen stilte en geen geluid.  Er was alleen maar de eindeloze leegte in Ginnungagap.  Doch ofschoon die leegte eindeloos en vormeloos was, was er toch meer dan niets.  Hoe dat mogelijk is behoort ten eeuwige dage tot het geheim der Goden.

Na het begin werd het onmetelijke niets tot iets.  Twee gebieden ontstonden in tijden die onbeschrijfelijk lang waren.  Zo lang dat vele levens van sibbeleden samengeteld niet volstaan om ze zelfs maar te kunnen bevatten.  In die tijdenduur ontstonden twee gebieden die in volkomen tegenstelling waren met elkaar. 

Allereerst was er het gebied van het vuur.  Dat gebied werd Muspelheim genoemd.  Geen normaal wezen, zoals wij het ons nu voorstellen, kon in Muspelheim leven.  Niet voor niets betekende Muspelheim: "huis van de vernietigers van de wereld".

De Asen, u allen welbekend, die in Asgaard wonen, zorgden er wel voor niet al te dicht bij de grens van Muspelheim te komen.  De hitte was er immers zo intens, en de voedselzoekende vlammen zo verschrikkelijk, dat zelfs tot op honderden steenworpen afstand alles verschroeide.

Aan de grens van Muspelheim stond een vervaarlijke schildwacht, die Surtur werd genoemd.  Hij was vermaard als de onversaagdste der vuurreuzen, en droeg in zijn hand een vuurzwaard dat de weg versperde aan al degenen die toch de moed wilden opbrengen om de kern van Muspelheim te doorgronden.  Zelfs de Asen, nochtans helemaal niet geneigd om Muspelheim binnen te dringen, maar wel zoekend naar de kern van alle dingen, werd de toegang versperd. Surtur stond daar vanaf het begin der onmetelijke tijden, en zal daar tot het einde der tijden de wacht blijven optrekken.  Dat einde der tijden zal meteen de ondergang der Goden, de godendeemstering inluiden.

De verschrikkelijk uitziende Surtur vertoonde steeds zijn hoofd en gezicht van gesmolten vuur, terwijl lava over zijn misvormde lichaam stroomde.  Dat vuur moest en moet hij behoeden, om het aan het einde der dagen over de wereld te kunnen slingeren.  Waarbij al wat nog leeft tot zwarte as zal worden verbrand. 

Er was in dat begin ook nog een tegenovergesteld gebied.  Een wildernis van sneeuw en ijs, Niflheim genaamd.  In het centrum, de kern van Niflheim, stroomde en schuimde toen reeds de bron van alle wateren.  Vanuit deze bron ontstonden bergen van ijs, die kraakten, dan stuk braken, en die zich laag voor laag uitstrekten in een eeuwenlang gevecht, over het noordelijke deel van Ginnungagap. 

Zo was uiteindelijk het ene deel van de grote leegte toch gevuld met krakende en barstende gletsjers van ijs, terwijl het andere deel bestond uit hete gassen en vlammen, bewaakt door Surtur.

Die twee gebieden moesten elkaar eens ontmoeten.  De grote schok kon niet uitblijven, vermits de bevriezende gletsjers steeds verder oprukten in de richting van het vernietigende vuur. 

Toen die ontmoeting plaats greep ontstond het meest wonderlijke verschijnsel, dat vanaf het begin van de wereld onverklaarbaar bleef: leven.  Want waar de twee gebieden elkaar in de ruimte voorzichtig raakten, bleef het aangenaam, als op een windstille dag.  Raakte het ijs echter de vlammen en het vuur, dan hoorde men verschrikkelijke ontploffingen die dreunende en schokkende knallen veroorzaakten.  De bron in Niflheim spuwde ook nog een eigenaardig schuim uit, dat verhardde tot slakken of sintels.  Deze slakken of sintels vormden een zwart ijs, dat door de vuur-ontmoetende schok tot leven werd gebracht. 

Over de ganse lengte en breedte van Ginnungagap vormde zich daardoor het lichaam van een reus.  Hij was wel gevormd als de mensen die wij nu kennen, maar toch bewoog hij in het begin nauwelijks.  Uit de borrelende, kokende ijsmodder ontstonden langzaam zijn woest uitziende hoofd, daarna pas zijn armen, romp en benen.  Zijn eerste nakomelingen noemden hem Ymir, wat zoveel wil zeggen als 'modderkoker'.  Zij kenden namelijk nog het geheim van zijn ontstaan, en wisten dat hij het product was van het giftige, slechte zwarte ijs.

Zuivere sneeuw en ijs waren er ook.  Dezen lieten zich ontdooien door de warmte van Muspelheim, zonder de vernietigende schok met de vlammenhoeder aan te gaan.  Uit dat zuivere ijs groeide langzaam een reusachtige koe, die met haar melk Ymir tot voedsel diende.  De grote koe zocht zelf voedsel in haar omgeving, en likte daarvoor aan de zoute ijsblokken die haar omringden.  Reeds na drie dagen had zij, als een volleerde beeldhouwster, een gehele man met haar tong uitgeslepen uit de ijsblokken.  De Goden brachten deze goede man tot leven, en gaven hem de naam Buri.  Ze beweerden zelfs dat deze Buri hun eerste voorvader was.

Buri op zijn beurt kreeg een zoon die hijzelf nu Börr noemde, wat 'geboren' betekende.  Börr zocht een levensgezellin om nieuwe erven te verwekken en vond die in de persoon van Bestla, de dochter van een reus.  Börr en Bestla hadden drie zonen die hun bestaan glans bijzetten.  Zij gaven hen de namen van Odin, Vili en Ve.  Al die wezens, voorouders dus van Goden en Reuzen, waren gevormd uit, en ondanks, de oorspronkelijke vormeloosheid van Ginnungagap.  Vanwege het giftige zwarte ijs waren sommige van die eerste wezens slecht, terwijl anderen, zoals Buri, goed waren.

Het is u allen welbekend dat goed en kwaad niet vreedzaam naast elkander kunnen bestaan.  Daarom was er van in het begin reeds een hevige strijd tussen deze krachten.  Het is een strijd die steeds het verloop van de wereld zal blijven beïnvloeden en bepalen.  Waarbij het goede kon worden beleefd in Midgaard, de menselijke tuinen, en het kwade gedoemd was om naar Uitgaard te worden verbannen.

 

Terug naar top van blad          Terug naar startbladzijde