W
Waait in mijn hart weer een snijdende wind
Waar allen trouw'loos falen
Waar Breughel door de velden liep
Waar in t'bronsgroen eikehout
Waar is het land van Timmermans
Waar Maas en Schelde vloeien
Waarom, waarom, waarom
Waar stormen huilend, klagend, jagen
Waarvan gaan de boeren zo mooi ?
Waar waaien de winden zo wijd over 't land
Wahre Freundschaft soll nicht
wanken
Wanneer in 't Oosten weer de zonne daagt
Wanneer kom ons troudag, Gertjie
Wat ga j'een zondagachternoen
Wat voor vijand durft ons naken
Wat zijt gij schoon, o Kempenland
Wat zingt die hoge toren toch
Wazig avondduister
Wees welkom, lieve schone mei
Wel Annemarieken
Wendenachten op de heide
What shall we do
When boyhood's fire
Wie gaat mee, over zee
Wie herbracht hier de rust op een teken van zijn
hand
Wie kan zeilen zonder wind
Wie was diegene die die loverkens brak
Wie wil dit volk vernietigen
Wie wil er
met mij nu naar Dietsland rijden
Wie wil horen een historie
Wie zal er ons kindeke douwen
Willen wij 't haasken jagen
Wilt heden nu treden
Wimpels waaien over
Vlaand'ren
Winden waaien
Wohin auch das Auge blicket (Die Moorsoldaten)
Wohl ist die Welt
Wolken jagen door de luchten
Terug naar alfabet
Terug naar inhoud per thema
ANNABELLE
Horst G. Hoof - Jan W. Robrecht
Waait in mijn hart weer een snijdende wind, Annabelle, mijn
liefje.
Weet dat jouw liefde ook storm overwint, Annabelle, mijn liefje.
Wolken, bliksem, donder, dragen deze strijd.
Wind gaat te rust als mijn liefje me kust, waar wij ons kozen stopt de tijd.
Ik was een dwaas want ik liet je alleen, Annabelle, mijn
liefje.
In al mijn eigenwaan liep ik weer heen, Annabelle, mijn liefje.
Ieder kan dan merken, doelloos is mijn vlucht.
IJdel mijn angst voor een dwingende band, ik geef maan jou en vind mijn rust.
Maan strooit haar stralen op t minnende paar, Annabelle,
mijn liefje.
Mateloos stijgend smelt hij weg in haar, Annabelle, mijn liefje.
Morgen zal de zonne, warmend nieuwe dag,
Merken dat weer, als in eeuwige keer, mijn liefde naar het leven lacht.
Komt toch een afscheid bij leven of dood, Annabelle, vaarwel
dan.
Jij droeg mijn hart, ik jouw liefde zo groot, Annabelle, vaarwel dan.
Ooit zien wij ons weder, in de eeuwigheid,
Waar onze geesten die stegen zo hoog, de liefde vinden voor altijd.
TROUWLIED
Ferdinand Vercnocke
Waar allen trouw'loos falen, daar
blijven wij getrouw.
Dat steeds op eigen aarde, uw
vaandel wapp'ren zou.
Gezichten fier en jeugdig, gij
beelden uit de tijd,
Hebt onze mannenharten tot
liefdedood gewijd.
Wil nimmer van ons wijken, wil altijd om
ons zijn.
Trouw als de rechte eiken, als
maan en zonneschijn.
Eens daagt voor elke broeder, het
licht in zijn gemoed.
Wij keren tot het vaandel dat
liefd' en trouwe hoedt.
Gij sterren zijt getuigen die stil ons
gadeslaan.
Als alle broeders zwijgen, in
zwakheid ondergaan.
Wij willen 't woord niet breken,
niet wijken in 't gevecht,
Wil' prediken en spreken van
strijd om erf en recht.
VLAANDEREN
Louis
Verbeeck - Gaston Nuyts
1. Waar Breughel
door de velden liep, de Noordzee op de Schelde riep,
waar Rubens
in een wereldtaal de lof zong van ons allemaal,
daar ligt dat vlakke
land van mij, een groen weemoedig schilderij.
Vlaand'ren ik heb er
geen kleuren genoeg om je daarmee te versieren.
In elke herberg, in
iedere kroeg, zit Brauwer nog kermis te vieren.
Guido Gezelle
schrijft weer een gedicht, Timmermans schildert zijn Lier.
Vlaanderen krijgt weer een kindergezicht vol met
Pallieterplezier.
2. Waar
Uilenspiegel grapjas was, waar Ruusbroec zijn gebeden las,
waar
Hadewych, die vrome non, een hoog gesprek met God begon,
3. Waar dichters
met het hart vol pijn nog lang niet uitgeschreven zijn,
waar onder
elke nieuwe boom de zerk ligt van een oude droom,
LIMBURGS
VOLKSLIED
G. Krekelberg - H. Tijssens
1. Waar in 't bronsgroen eikenhout, 't
nachtegaaltje zingt;
Over 't malse korenveld, 't lied des
leeuw'riks klinkt.
Waar de hoorn des herders schalt,
langs des beekjes boord:
Daar is mijn Vaderland, Limburgs dierbaar oord. (bis)
2. Waar de brede stroom der Maas, statig
zeewaarts vloeit;
Weeld'rig sappig veldgewas,
kost'lijk groeit en bloeit;
Bloemengaard en beemd en bos,
overheerlijk gloort:
3. Waar der vad'ren schone taal, klinkt
met held're kracht;
Waar men kloek en fier van aard,
vreemde praal veracht;
Eigen zeden, eigen schoon, 't hart
des volks bekoort:
4. Waar
aan t oud Oranjehuis t volk blijft hou en trouw,
met ons roemrijk Nederland een in
vreugd en rouw.
Trouw aan plicht en trouw aan volk
heerst van zuid tot noord
VOOR VLAANDEREN...NATUURLIJK !
Luk Bellens
Waar is het land van Timmermans en
Streuvels, waar eens de weiden wiegden als de zee ?
Waar zijn de Kerels van weleer
gebleven, zo klinkt de noodroep over Vlaand'ren heen.
Maar reik een hand, m'n vriend, en
maak een nieuw begin.
Wij bouwen samen aan een nieuwe
tijd. En wat ons leidt ?
Het doel dat ons voor ogen staat:
ons Vlaand'ren natuurlijk, natuurlijk en vrij !
Want 't land van nu is ook het
land van later. De twijg moet morgen als een boom opstaan.
Het Vlaand'ren morgen is wat wij
het maken, maak 't mooi als weleer en vrij zijn weg te gaan.
Dat is het hoogste doel, waar ook
de tijd ons voert.
Geen staat is sterker dan een volk
kan zijn.
Eens wordt de droom, de waarheid
van de nieuwe dag: voor Vlaand'ren natuurlijk, natuurlijk en vrij.
![]()
HET LIED DER
VLAMINGEN
Emmanuel Hiel - Peter Benoit
1. Waar Maas en Schelde vloeien, de
Noordzee bruist en stormt;
waar vred' en kunsten bloeien, de
vrijheid mannen vormt;
waar velden, wouden, weiden, als
gaarden rijk beplant,
de weeld' en vreugde verspreiden:
daar is, daar is ons vaderland, daar is ons vaderland.
2. Daar stijgen uit t verleden de
Kaerl en Clauwaert op;
zij hebben stout gestreden, verplet
den vreemden kop;
hun goed, hun bloed, hun leven, met
mildheid steeds verpand,
om ons te kunnen geven het vrije,
vrije vaderland, het vrije vaderland.
3. O Nederland, o vrijheid, gij adelt ons
gevoel;
wij zweren ook met blijheid: uw
toekomst is ons doel!
Wij zullen, jonge scharen, steeds
onze plicht gestand,
met hand en hart bewaren het heilig,
heilig vaderland, het heilig vaderland.
OMDAT
IK VLAMING BEN
Lambrecht Lambrechts - M.
Matthyssens
1. Waarom, waarom, waarom, ik voor geen
vreemden buig,
Waarom ik met Van Maerlant juich,
zijn leuze voor de mijne erken, (2 maal)
Omdat ik Vlaming ben, omdat ik Vlaming
ben, omdat ik Vlaming ben !
2. Waarom, waarom, waarom, ik bij
mijn stille haard,
De taal der vad'ren heb bewaard, en
aan geen and're toon gewen, (2 maal)
3. Waarom, waarom, waarom, ik aan mijn
kind'ren leer:
Maak Vlaand'ren groot gelijk weleer.
Waarom ik hopend juich met hen, (2 maal)
4. Waarom, waarom, waarom, ik 't goede
Vlaamse diet,
Mijn hart blijf schenken en mijn
lied, mijn adem en mijn wakkere pen, (2 maal)
JOEL
!
Jan W. Robrecht
1. Waar stormen huilend, klagend jagen,
winternacht de aarde hult,
weerklinkt het volkse biddend vragen
naar weergeboorte: Joel !
Laai hoog, bevrijdende vlammen, laai hoog.
Rol neer verschroeiend rad, rol neer.
Onz harten branden open,
van vrijheid zingen volkren:
Noordland en zege.
2. Waar wilde goden t hart
vervullen, zonnewende t lot bestemd,
ontluikt uit ijzig kou
verstarring weer t vechtersharte: Joel !
WAARVAN GAAN DE BOEREN ZO MOOI
Waarvan gaan de boeren, de boeren, waarvan gaan de boeren zo
mooi?
Ze dorsen het koorn en verkopen het strooi;
Daarvan gaan de boeren, de boeren, daarvan gaan de boeren zo mooi.
Waarvan hebben de boeren, de boeren, waarvan hebben de boeren
veel geld?
Ze karnen de botr en verkopen de melk;
daarvan hebben de boeren, de boeren, daarvan hebben de boeren veel geld.
Waarvan drinken de boeren, de boeren, waarvan drinken de
boeren de wijn?
Ze vetten het kalf en verkopen het zwijn;
Daarvan
drinken de boeren, de boeren, daarvan drinken de boeren de wijn.
MEETJESLAND
Clem De Ridder - Lode Dieltiens
Waar staan al de einders met popels beplant die wijzen de weg naar de hemel ?
Het waterland, het lijsterland, ons enig, eeuwig
Meetjesland,
te mooi om te verandren, te mooi om te
verandren.
Waar is het dat dromen en sprookjes ontstaan des avonds
in t schijnsel der vuren ?
Waar zal men in meimaand ter bedevaart gaan als ziekte en nood blijven duren ?
Waar schuiven de vaarten door velden en bos zo traag tussen
welige dijken ?
Waar
schieten de spoelen zo lustig en los als t Eeklo, de stad van de eiken ?
WAHRE FREUNDSCHAFT
Wahre Freundschaft soll nicht
wanken, wenn sie gleich entfernet ist.
Lebet fort noch in Gedanken, und die
Treue nicht vergisst.
Keine Ader soll mir schlagen, da ich
nicht an dich gedacht.
Ich will für dich Sorge tragen, bis
zur späten Mitternacht.
Wenn der Mühlstein träget Reben, und
daraus fliesst kühler Wein;
Wenn der Tod mir nimmt das Leben,
hör ich auf dir treu zu sein.
Vrije interpretatieve vertaling:
Ware vriendschap zal niet wank'len
als ze wederzijds ontstaat,
maar leeft voort nog in gedachten door een trouw die nooit vergaat.
Mijn hart zal niet meer slagen als
ik niet meer aan u denk.
'k Blijf voor u steeds zorgen dragen, u die ik mijn vriendschap schenk.
Zijn we door de strijd van 't leven
meer gelouterd en gerijpt,
en komt dan de dood ons scheiden: onze trouwe vriendschap blijft.
BELOFTELIED
Wim Verreycken
Wanneer in 't Oosten weer de zonne
daagt,
en in de nieuwe dag weer de Blauwvoet jaagt,
hernieuw 'k mijn heil'ge eed:
"Trouw aan het volk van Nederland,
Trouw aan de Levenswet, Trouw aan
ons Jeugdverbond !"
Deze eed in ons harte gebrand,
wordt een pijler voor 't nieuwe vrije vaderland.
Laat lauwheid steeds klagen, laat
lafheid versagen,
wij blijven onze eed gestand, in
't eigen Vlaanderland:
Volk wordt staat !
GERTJIE
G.F.Root
1. Wanneer kom ons troudag, Gertjie,
Gertjie, hoe's dit dan so stil met jou ?
Ons is so lank verloof al, Gertjie,
Gertjie, dit is tyd dat ons gaan trou.
Glo tog, Gertjie, ek sal nooit nie, nooit
nie,
nog langer aan jou sleeptou bly nie, bly nie.
Jy dink miskien: ek kan nie dood
nie, dood nie,
maar my jare gaan verby.
2. 'k Hoor, jy is verliefd op Sarie,
Sarie, maar die pret moet jy laat staan !
O, pas maar op vir Pieter en Danie,
Danie: hul is kêr'ls wat somaer slaan.
3. Jy weet, as ons Sondags kuier, kuier,
agter om die kop verby,
Dan sê ek: Nonie, lig jou sluier,
sluier, kom en gee 'n soen vir my.
4. So laat ons die pret maar staan, staan,
ons moet maar die soen laat bly;
Ek sal my eie pad dan kry maar, kry
maar, en jy kan na Sarie vry.
LANGS
DE DIJKEN
Tijl Van Brabant - A. Preudhomme
1. Wat ga jeen zondagachternoen langs de dijken, langs
de dijken,
wat ga jeen zondagachternoen langs de Scheldedijken doen ?
k Zie er een schuitje in het riet, maar mijn lief en zie ik niet.
k Zie er een schuitje in het riet, maar mijn lief en zie ik niet.
De karekiet, wiet, wiet,
zingt in het riet, wiet, wiet.
Van triele, van triele, van trielewiet !
De karekiet, wiet, wiet, zingt in het riet,
wiet, wiet.
Zijn leutig liefdelied.
2. Ach moet ik blijven hier alleen, langs de dijken, langs de
dijken,
ach moet ik blijven hier alleen, is uw hartje dan van steen ?
Wilt gij mijn bede niet verstaan, wel dan zal ik verder gaan.
Wilt gij mijn bede niet verstaan, wel dan zal ik verder gaan.
3. Hoe zou mijn hartje zijn van steen, langs de dijken, langs
de dijken.
Hoe zou mijn hartje zijn van steen, zoals gij en min ik geen.
Kom in mijn schuitje dicht bij mij, ruk aan de riemen, t is hoogtij.
Kom in mijn schuitje dicht bij mij, ruk aan de riemen, t is hoogtij.
WAT VOOR VIJAND DURFT ONS NAKEN
Wat voor vijand durft ons naken, vier
gebroeders op een peerd.
Ieder moet het vechten staken, als wij spelen met ons zweerd.
Wij en achten gene slagen, gene scheuten in de strijd,
want ons harnas kan t al dragen, daar een ander zich voor mijdt.
Wij en zijn van honderd mannen, wel
bewapend, niet bevreesd.
Als wij maar de toom ontspannen dan weert zich ons peerd het meest.
Het kan lopen, het kan springen, het kan vliegen door het zand,
gene mens en kan het dwingen, want t heeft altijd doverhand.
Tsa, Ros Beiaard, toont uw krachten en
spaart uwe benen niet.
Toont dat ieder hem moet wachten die uw sterke leden ziet.
Slaat van achter, slaat van voren, recht u op, t is ons bevel.
Als wij steken met de sporen, toont dat gij voor ons zijt snel.
Wij en zullen niemand wijken, wat voor
vijand ons komt aan.
Ieder moet zijn wapens strijken als wij met ons zweerden slaan.
Onze iever is te achten om t geluk en onderstand
die wij zoeken en betrachten voor het Mechels vaderland.
![]()
DE KEMPEN
J. Dumoulin - Emiel
Hullebroeck
Wat zijt gij schoon, o Kempenland, met
uwe vlakke heiden.
Met uwe dreven, bos en land, met
uwe groene weiden.
O land waar ik geboren ben, gij
zijt het schoonste dat ik ken.
Uw torens prijken over 't veld, zo
lachend ons in d'ogen.
Waar ge de werkman hoop voorspelt,
en troostend wijst ten hoge.
Gij schenkt uw kind'ren kracht en
moed, en maakt hen d'arbeid licht en zoet.
Uw echte kind'ren blijven trouw, aan
deugd en taal en zeden.
Daarom is uwe lucht zo blauw, en
leeft men hier tevreden.
Ja daarom blijft uw vroom
geslacht, begaafd met wijsheid, moed en kracht.
VLAANDEREN DIERBAAR LAND
Frans Liekens - Jan Broeckx
1. Wat
zingt die hoge toren toch, die draagt der eeuwen kroon?
Zijn lied is smart, zijn lied is
rouw, om Vlaandrens diepe hoon.
O heerlijk land van t oude
diet, maak zegezang van t bronzen lied.
Vlaandren,
dierbaar land, verbreek uw band, o Vlaandren.
Vlaandren, dierbaar land,
verbreek uw band, Vlaanderland !
2. Wat
zingt die trouwe Schelde toch al slingrend door het land,
waar Vlaandrens rijkdom
wiegewaagt in gouden zonnebrand?
De Schelde roept o Vlaming
waak, het geldt uw eigen aard en spraak.
3. Klink
dreunend dan, o torenzang, en golvenlied ruis voort;
giet trots en fierheid in het hart
van die uw stemmen hoort.
Maak Vlaandrens volk, zo lang
geknecht, gereed ten strijd voor taal en recht.
AVONDLIEDJE
Jef Lesage - Jos Mertens
Wazig avondduister, weemoed in mijn
hart.
Wonder windgefluister streelt mijn stille smart.
Eindeloze luchten, vale
sterrenglim.
Bange vogels vluchten, naar een veil'ge kim.
Over land en gouwen rust een diepe vree.
Doet mijn handen vouwen als bij vrome bêe.
'k Hoor een koehoorn schallen in
een verre wei.
Bij het avondvallen voel ik God nabij.
WEES WELKOM, LIEVE SCHONE
MEI
Fr. Schubert (canon)
Wees welkom lieve schone mei, de vogels
zingen u ter eer.
Wees welkom lieve schone mei, voor u weerklinkt hun lofgezang.
Wees
welkom lieve schone mei, voor u weerklinkt hun lofgezang.
Wie gaat mee, gaat mee over zee ? Houd het roer recht ! Fris
blaast de wind langs de ree.
Blijft gin t nest, in t nest met de rest ? Houd het roer recht !
Ons lijkt de zee t allerbest.
Wie wat worden wil, wel die zit niet stil, nee, hij trekke t zeegat uit, zie
hem wacht rijke buit.
Voor u uit het oog en omhoog, houd het roer recht ! Dat u geen storm verrassen
moog.
Met het oog in t zeil en voor niemand veil, stuurt de zeeman t zwemmend
paard nooit voor iemand vervaard.
Hier is t veld, is t veld voor de held, houd het roer recht ! Hier
toont de man wat hij geldt.
Onder t zeemansbuis daar is moed nog thuis, in zijn vuist ligt heel zijn lot,
niemand vreest hij dan God.
![]()
WEL ANNEMARIEKEN
1. "Wel Annemarieken, waar gaat
gij naar toe?
Wel Annemarieke, waar gaat gij naar toe?"
"'k Gane naar buiten al bij de
soldaten!"
Hopsasa,
fallala, Annemarie ! (bis)
2. "Wel Annemarieken, wat gaat gij
daar doen?
Wel Annemarieken, wat gaat gij daar doen?"
"Haspen en spinnen, soldaatjes
beminnen!"
Hopsasa,
fallala, Annemarie! (bis)
3. "Wel Annemarieken, hebt gij er
geen man?
Wel Annemarieken, hebt gij er geen man?"
"Heb ik geen man, ik krijge
geen slagen!"
Hopsasa,
fallala, Annemarie ! (bis)
4. "Wel Annemarieken, hebt gij er
geen kind?
Wel Annemarieken, hebt gij er geen kind?"
"Heb ik geen kind, ik moete
niet zorgen!"
Hopsasa,
fallala, Annemarie! (bis)
5. "Wel Annemarieken, hebt gij er
geen lief?
Wel Annemarieken, hebt gij er geen lief?"
"'k Heb er niet één, ik heb
er wel zeven!"
Hopsasa,
fallala, Annemarie ! (bis)
WENDENACHTEN
Fred Rossaert
Wendenachten op de heide, kameraden,
laten wij ons verblijden.
1. Laten wij de Joeltijd vieren, groene
twijgen halen uit het woud.
Kransen vlechten, dennebomen
sieren, zagen, hakken de blokken hout.
2. Laat ons over vreugdevuren springen,
want het voorjaar is weldra in 't zicht.
Bij de haard de zege weer
bezingen, van het leven, van het licht.
3. Laten wij ook wenden onze harten, en
met vreugde vullen onze zin.
Om opnieuw in wonderlijke
klaarten, te beginnen het eeuwig begin.
Early in the morning ?Hooray and up she rises, (3 maal)
Early in the morning.
2. Put him in the
long-boat untill he's sober, (3 maal)
3. Pull out the
plug and wet him all over, (3 maal)
4. Put him in the
scuppers with a hosepipe on him, (3 maal)
5. Heave him by
the leg in a runner bowlin', (3 maal)
6. Thats w'll do
with the drunken sailor, (3 maal)
When boyhood's
fire was in my blood, I read of ancient freemen.
For
Greece and Rome, who bravely stood, threehundred men and three men.
And
then I prayed I yet might see our fetters rent in twain,
and
Ireland, long a province, be a nation once again.
A
nation once again, a nation once again,
and
Ireland, long a province, be a nation once again.
So as I grew from boy to man, I bent me to that bidding,
My
spirit of each selfish plan and cruel passion ridding.
For
thus, I hoped some day to aid. Oh, can such hope be vain ?
When
my dear country shall be made a nation once again.
A
nation once again, a nation once again,
when
my dear country shall be made: a nation once again.
ARTEVELDELIED
N. Destanberg
- F.A. Gevaert
Wie herbracht hier de rust op een teken van zijn hand ?
Wie verbond al de burgers als broedren in één band ?
t Was de held, t was de held, en de roem van ons land!
Hij herbracht hier de rust op een teken van zijn hand.
Wie vond werk voor her volk, door het lijden overmand ?
Wie verbond aan het bijvrige Vlaandren t Britse strand ?
t Was de held, t was de held, en de roem van ons land.
Hij vond werk voor het volk, door het lijden overmand.
Wie stond recht als ons Vlaandren verraden lag aan band
?
En wie sloeg op zijn beurt de tirannen neer in t zand ?
t Was de held, t was de held, en de roem van ons land.
Hij stond recht als ons Vlaandren verraden lag aan band.
WIE KAN ZEILEN ZONDER
WIND
Zweedse melodie
Wie kan zeilen zonder wind,
roeien zonder riemen ?
Wie kan scheiden van een vriend, zonder een traan te laten ?
Ik kan zeilen zonder wind,
roeien zonder riemen,
maar niet scheiden van een vriend zonder een traan te laten.
DE STORM VAN MUNSTER
Lied over de stad die in 1535, na bezetting door de wederdopers, weer in
handen van de bisschop kwam.
Wie was diegene die die
loverkens brak, ende die ze aan zijn narrekappe stak ? Het wil hem
openbaren.
Wij riepen dat kruise al van de hemel aan, wij vrome landsknechten alle.
Het was op ene maandag dat
men de storm voor Munster zag, omtrent de zeven uren.
Daar bleef zo menig landsknecht dood te Munster onder de muren.
Die storm die duurde een
korte tijd totdat die metten waren bereid, die metten waren gezongen;
toen schoten wij daar drie bussen los, alarm zo sloegen de trommelen.
Die landsknechten waren in
grote nood, daar bleef er wel drieduizend dood in anderhalver uren.
Is dat niet een grote schare volks, nog en zal geen landsknecht treuren.
Wij weken in een wilde veld,
in die schansen hebben wij gevuurd ons geld, enen raad zouden zij ons geven.
Wij riepen Maria, Moeder Gods aan: beschermt ons lijf en ons leven.
Die dit liedeken eerstmaals
zank, hij is een vroom landsknecht genaamd. Hij heeft zeer wel gezongen.
Hij is te Munster aan dans geweest, de rei is hij ontsprongen.
![]()
ADELBLOED
Jan W. Robrecht Hans
Baumann
Wie wil dit volk vernietigen in
smeltkroes om de baat,
Zal ondergaan in schande, zal
ondergaan in schande,
zo eenzaam in laffe haat.
Dit Vlaamse volk zal reine, met Noordse
adelbloed,
De vechtersaard bewaren, de
vechtersaard bewaren,
in eigen volkse moed.
Weer gloeie in uw vlaggen de zegerune
hoog.
Tot boven lage landen, tot boven
lage landen,
een zegeregenboog !
WIE WIL ER MET MIJ NU NAAR DIETSLAND RIJDEN
Jozef Swolfs Armand
Preudhomme
1. Wie wil er met mij nu naar Dietsland
rijden, hij hale het paard uit de stal
en holle met mij langs de velden en weiden, door t woud over bergen en dal.
Want Dietsland is zo schone, zijn volk
de trots der aard,
een parel uit Gods krone door Dietslands jeugd bewaard.
2. Wie wil er met mij ook voor Dietsland
strijden, al was het in bloed en in vuur,
gebroken door laster, door spot en door lijden, vooruit, want het is Dietslands uur.
3. Wij allen, we willen naar Dietsland
rijden al ging het door t dal van de dood.
Klaroenen op kop en met zwaarden die wijden word Dietsland nu machtig en groot.
Wie wil
horen een historie al van ene jonge smid,
Kloppende, kloppende met zijne
hamer,
k
Geef de bras aan alle smeden, ik ga naar de Franse zwier,
Nimmermeer, nimmermeer met mijne
hamer.
t
Is de schoonste aller vrouwen, maar nooit was er zon serpent,
Was ik nog, was ik nog met mijne
hamer.
Nooit
mag ik een pintje drinken, nooit mag ik eens vrolijk zijn,
Was ik nog, was ik nog met mijne
hamer.
Wordt er
somtijds eens gewassen dan moet ik het kind gaslaan,
Was ik nog, was ik nog met mijne
hamer.
Aan de
wieg moet zijn gezongen, alles dient tot mijn verdriet,
Was ik nog, was ik nog met mijne
hamer.
k
Geef de bras aan al het trouwen, werd ik maar eens weduwnaar,
Was ik maar, was ik maar met mijne
hamer.
MOEDERKE ALLEEN
R. De Clercq Emiel Hullebroeck
Wie zal er ons kindeke
douwen, en doet het zijn moederke niet?
Wie zal er zijn dekentjes vouwen, dat t schaars
door een holleke ziet?
Kleine, kleine
moederkalleen, douw, douw, douwderideine,
kleine, kleine moederkalleen, kan van uw
wiegske niet scheên!
Wie zal naar ons kindeke
kijken, die blozende stoute kapoen?
Wie zal er zijn hemdekens strijken, zijn haarke in
krullekens doen?
Wie zou voor ons kindeke
derven haar laatste kruimelke brood?
Wie zou er, wie zou er voor sterven, en lachen op kind
en op dood?
1. Willen wij, willen wij t haasken
jagen door de hei ?
Ja het haasken gij en ikke, door de dunne, door de dikke,
t haasken willen wij jagen gaan, t haasken willen wij jagen gaan.
Deur haasken, loddelijk haasken, deur
haasken, door de hei.
Deur haasken, loddelijk haasken, deur haasken, door de hei !
2. t Haasken blij, t haasken
blij kwam gelopen door de hei,
onder t groen geboomt gezeten waren zij geheel vergeten
wat ze moesten jagen gaan, wat ze moesten jagen gaan.
3. t Haasken blij, t haasken
vrij wil maar spelen door de hei,
t jagerken dat is gevangen door haar schone rode wangen.
t Meiske wilde hem jagen gaan, t meiske wilde hem jagen gaan.
WILT HEDEN NU TREDEN
Uit: Valerius Nederlandse
Gedenkklank
Wilt heden nu treden voor God den Here,
Hem bovenal loven van herten zeer.
En maken groot Zijn lieven namen
ere,
Die daar nu onze vijand slaat terneer.
Ter ere ons Here wilt al uw dagen,
dit wonder bijzonder gedenken toch.
Maakt u, o mens, voor God steeds
wel te dragen,
doet ieder recht, en wacht u voor bedrog.
Bid, waket en maket dat g'in de
bekoring,
en 't kwade met schade toch niet en valt.
Uw vroomheid brengt, de vijand tot
verstoring.
Al was zijn rijk nog eens zo sterk bewald.
WIMPELS WAAIEN OVER VLAANDEREN
Wim Verreycken
Wimpels waaien over Vlaand'ren, heija
oho (Stormend vooraan)
Oranje blanje blauwe vaandels,
heija oho (Het VNJ)
1. Zwart als de aarde, grijs als de
luchten, oranje als de avondzon.
Zie j'ons in Vlaamse vrije gouwen.
Houzee het VNJ !
2. Noordzee de duinen, Kempen de heide,
Laagland gij blijft mij eeuwig lief !
Leef in je kind'ren nu en immer.
Houzee het VNJ !
3. Wij smeden banden, nooit meer te
breken, ons bindt de eigen Blauwvoetvlag.
Handen tot vuisten, wal van
trouwen: Houzee het VNJ !
WINDEN WAAIEN
Felicitas Kukuck - Zweeds (of Fins ?) zeemanslied
Winden waain, schepen gaan ver in t vreemde land.
En de matroos zijn allerliefste schat blijft wenend staan aan t strand.
En de matroos zijn allerliefste schat blijft wenend staan aan t strand.
Ween maar niet, zoete lief, wis je tranen af.
En denk aan mij en aan de schone tijd die t walverlof ons gaf.
En denk aan mij en aan de schone tijd die t walverlof ons gaf.
Nee geen hout, ook geen goud, k breng toch liefde mee.
Wanneer ik morgen in je armen rust, trug van de wijde zee.
Wanneer
ik morgen in je armen rust, trug van de wijde zee.
DIE MOORSOLDATEN
Rudi Goguel, Johan Esser, Wolfgang Langhoff
1.
Wohin auch das Auge blicket, Moor und
Heide nur ringsum,
Vogelsang uns nicht erquicket, Eichen stehen kahl und krum
Wir sind die
Moorsoldaten
Wir sind die Moorsoldaten
2. Hier in dieser öden
Heide
wo wir fern von jeder Freude hinter Stacheldraht verstaut.
3. Morgens ziehen die Kolonnen
graben bei dem Brand der Sonne doch zur Heimat steht der Sinn.
4. Heimwärts, heimwärts jeder sehnet
manche Brust ein Seufzer dehnet weil wir hier gefangen sind.
5. Auf und nieder geh´n die Posten
Flucht wird nur das Leben kosten, vierfach ist umzäunt die Burg.
6. Doch für uns gibt es kein Klagen ewig kann nicht Winter sein,
einmal werden froh wir sagen: Heimat du bist wieder mein.
Dann zieh´n die Moorsoldaten nicht mehr mit dem Spaten ins Moor.
Dann zieh´n die Moorsoldaten nicht mehr mit dem Spaten ins Moor
The
Bogsoldiers
1. Everywhere you watch Bog and marshes all around,
The chirping of the birds does not please us, Oaks are standing bare and crooked.
We are the Bogsoldiers and we move with
the spade into the bog.
We are the Bogsoldiers and we move with the spade into the bog.
2.
Here inside this barren marshes is built up the camp.
Where we are far off every joy are locked up behind barbwires.
3. In the morning all of us go to work in the bog,
Digging under the branding sun but our mind is at home.
4. Homeward, homeward we are yearning to the parents, wife and children.
some chests are widened with a sigh because we are locked up here.
5. Up and down the guards are walking, nobody, nobody can get away,
Escape will cost your life, four times the castle is secured.
6. In spite of all we won´t complain it can´t be an endless winter.
One day we´ll happily say that our home belongs to us again.
Then the Bogsoldiers will never take their spades to the bog again.
Then the Bogsoldiers will never take their spades to the bog again
Le chant des
Marais
1. Loin dans
linfini sétendent de grands prés marécageux.
Pas un seul
oiseau ne chante dans les arbres secs et creux.
Ô terre de
détresse, où nous devons sans cesse piocher, piocher.
2. Dans le camp
morne et sauvage entouré de fils de fer,
il nous semble
vivre en cage au milieu dun grand désert.
Ô terre de
détresse, où nous devons sans cesse piocher, piocher.
3. Bruit de pas et
bruit des armes sentinelles jour et nuit.
Et du sang, des
cris, des larmes, la mort pour celui qui fuit.
Ô terre de
détresse, où nous devons sans cesse piocher, piocher.
4. Tous les jours
la cloche rassemble triste repas de reclus.
Alors nous
parlons ensemble des choses quon ne voit plus.
Ô terre de
détresse, où nous devons sans cesse piocher, piocher.
5. Mais un jour
dans notre vie le printemps refleurira.
Liberté,
liberté chérie, je dirai tu es à moi.
Ô terre
dallégresse où nous pourrons sans cesse aimer, aimer.
De
Moorsoldaten
1. Waarheen wij ook mogen kijken zien wij veen en
hei rondom.
Vogelzang kan ons niet verblijden, bomen staan er kaal en stom.
Wij zijn de moorsoldaten en zwoegen heelder dagen
in t veen,
wij zijn de moorsoldaten en zwoegen heelder dagen, in t veen.
2. Heen en weer zo gaan de posten, niemand kan er
langs voorbij.
Vluchten zou ons het leven kosten, prikkeldraad vier op een rij.
3. Toch zal voor ons ook het uur gaan komen,
t kan niet eeuwig winter zijn ;
dan roepen en zingen w in alle tonen : land van mij ge zijt weer vrij.
TIROLER HEIMATLIED
1. Wohl ist die Welt so gross und weit, und voller Sonnenschein;
Das allerschönste Stück davon,
ist doch die Heimat mein.
Dort wo aus schmaler Felsenkluft,
der Eisack springt heraus,
Von Sigmundskron der Etsch
entlang, bis zur Salurner Klaus.
Heidi, heida, heida, juvivallerallera,
heidi, heida, juvivallerallera.
2. Wo König Ortler seine Stirn, hoch in die Lüfte reckt;
Bis zu des Haunolds Alpenreich,
das tausend Blumen deckt;
Dort ist mein schönes Heimatland,
mit seinem schweren Leid,
Mit seinem stolzen Bergeshöh'n,
mit seiner stolzen Freud.
3. Im Frühling, wenn' im Tal entlang,
aus allen Knospen spriesst;
Wenn auf dem Schlern im
Sonnenhang, der Winterschneeze fliesst:
Da fühl ein eigen Sehnen ich, und
halt es nicht mehr aus.
Es
ruft so laut die Heimat mich, ich wand're froh hinaus.
VOORWAARTS, STORMSOLDAAT !
J.A. Van Kersbergen - Piet Heins
1. Wolken jagen door de luchten, stormen
vegen over 't land.
Schuwe schimmen schichtig vluchten
uit het oude vaderland.
Voorwaarts als de noorderwinden,
storm voorwaarts, stormsoldaat.
Voorwaarts als de noorderwinden,
storm door volk en staat.
2. Regenbuien schrobben straten, spoelen
land en steden nat.
't Vuil en stof der democraten heeft
zijn laatste kans gehad.
3. Tot de misten weer verdwijnen, uit het
Dietse vergezicht.
Tot de zon ook hier zal schijnen, en
ons land weer straalt in 't licht.