T
Taai als het leder
Te Kieldrecht, daar zijn de meisjes koene
't Gedrocht van achttiendertig
't Geloof in de wiekende
Blauwvoet
Tijl trekt pijpend door
de velden
Tineken van Heule ons maartje
't Is goed in 't eigen hart te kijken
't Is tijd, er moet in 't Vlaamse
land
Toen de Hertog Jan
kwam varen
Toen eertijds fiere Vlamen
Trara, zo blazen de jagers
Trek aan de riemen, wij varen
't Ros Beyaerd
Trots reiken eiken hogewaarts
't Verweer dat weet wat
't hebben wil
Twee kraaien vliegen over 't land
Ty kazala
't Zijn weiden als wiegende
zeeën
Terug naar alfabet
Terug naar inhoud per thema
VERBONDSLIED A.D.J.V.
Herman Wauters
Taai als het leder en hard als het
staal, opene blikken en fier onze taal,
't Hart vol verlangen naar schoner
en groot,
Zo kampt Jong-Dietsland zijn volk
uit de nood !
Kameraad uit alle standen, breek
met ons het laf verraad.
Zet je in, met hart en handen, 't
Dietse volk wacht op je daad.
Voor 's volks ere nu te were,
houwe trouwe, 't zal wel gaan.
Bouw met ons de Lage Landen. Volg
het A.D.J.V. sluit aan !
Te Kieldrecht, te Kieldrecht daar zijn de
meisjes koene,
zij vrijen tot de middernacht en slapen tot de noene.
Ik maai, is dat niet fraai, en slapen tot de noene.
Als zopstaan, als zopstaan ze
kijken naar de wolken,
zij zeggen: wel hoe laat is t al ?, mijn koe staat ongemolken.
Ik maai, is dat niet fraai, mijn koe staat ongemolken.
Als z uitgaan, als zuitgaan
komt haar de koster tegen,
Wel koster zeg hoe laat is t al, wat uur is t daar geslegen ?
Ik maai, is dat niet fraai, wat uur is t daar geslegen.
Het uur dat daar geslegen is dat kunt
gij wel bemerken,
de hoogmis is al lang gedaan en t volk komt van der kerken.
Ik maai, is dat niet fraai, en t volk komt van der kerken.
En als zij komen in de wei, zij zeggen:
koeike blare,
ik ben hier met mijn lieveken en zal u dat niet varen ?
Ik maai, is dat niet fraai, en zal u dat niet varen ?
![]()
LEIDERSLIED
Wim Verreycken
1. 't Gedrocht van achttiendertig dacht
Vlaanderen vernield.
Verdeeld, terneergeslagen, en
hopeloos ontzield.
Maar sterker dan de kerker, veel
sterker dan de haat,
was Vlaamse houwe trouwe: 't is
België dat vergaat.
Dit volk wil geleid, naar vrijheid
gestuurd. Geef het nieuwe leiders.
Een jeugd staat bezield door
strijdbanier: één rond nieuwe leiders.
2. Heropgestane jong'ren, rond
weerbaarheid vereend,
verov'ren weer de toekomst, houzee:
een zegekreet.
Laat blijheid ons besturen, waar
Uilenspiegel gaat.
Zie jong de zonne rijzen: een gouden
dageraad.
3. Geloof in idealen, gedragen door een
kind.
Het erfgoed van de Vlamen, behoed in
tijdenwind.
Begeesterd door een Blauwvoet, door
eigen V.N.J.,
zo dragen leidsters, leiders, een
grootse opdracht mee.
RECHT NAAR ONS DOEL
Wim Verreycken - Rover
1. 't Geloof in de wiekende Blauwvoet,
die storm en wind doorsnelt,
leidt ons door de donkerste
tijden, een man wordt nooit geveld !
Naar ons doel, het wachtwoord der
Geuzen.
Naar ons doel, een opdracht, een leuze.
Naar ons doel, van heide tot
zee:
V.N.J. Recht naar ons doel !
2. De opdracht tot werken en dienen,
voor Dietsland, grootse droom,
kan enkel het harte bekoren, van
durvers zonder schroom !
3. Door 't dreigen der grauwe luchten,
weerklinkt een zonnelied.
Het klagen en treuren en zuchten,
maakt plaats voor 't blije diet !
4. Ons grijs en zwart en oranje, gevormd
tot vechterskleed.
Banieren blauw en blanje, tot
vlaggewoud gesmeed !
HET LIED VAN TIJL
L. De Vocht - Van Kerckhoven
1. Tijl trekt pijpend door de velden,
lalalala, lalalala, lala.
Tijl moet ons een boodschap
melden, lalalala, lalalala, lalalala, la.
Jeugd blijf volk en land gestand,
in ons duurbaar Vlaanderland.
lalala, lalala,
lalala, la. Tijl houzee,
houzee, houzee !
Lalala,
lalala, lalala, la. Tijl
houzee, houzee !
2. Tijl werft dringend jonge
helden, lalalala, lalalala, lala.
Die weer moed en geestdrift
melden. lalalala, lalalala, lalalala, la.
Jeugd door u wordt Vlaand'ren
groot, Red uw duurbaar volk in nood.
TINEKEN
VAN HEULE
R. De
Clercq - Emiel Hullebroeck
Tineken van Heule, ons maartje, kan werken gelijk een paardje,
kan melken, kan mesten, kan schuren gelijk de besten.
Tineken van Heule, ons maartje, staat hoog in de gunst van mijn vaartje.
En als moederke haar prijst, dat mijn zuster er om krijst,
dan lach ik een beetje in mijn baardje.
Liever dan een vis die
in een goudzee zwemt, liever dan een vogel die geen sparen kent,
liever dan een freule, Tineken van Heule, Tineken
ons maartje in zijn hemd.
Liever dan een vis die in een goudzee zwemt, liever
dan een vogel die geen sparen kent,
liever dan een freule, Tineken van Heule, Tineken
ons maartje in zijn hemd.
Tineken heeft geld noch goedje, noch landeke, noch pandeke,
noch koetje.
Noch huisje, noch kruisje, noch een lappeke voor op mijn buisje.
Tineken heeft geld noch goedje, maar een hemel is haar lachen en haar groetje.
Als ze trippelt naar de bron met haar emmer in de zon,
en haar klompeke vast aan haar voetje:
Tineken van Heule mijn minneke, op u staat mijn zoetste
zinneke.
U lust ik, u kust ik, op uw harteke bouw en rust ik.
Tineken van Heule mijn minneke, mijn poezelig dubbel kinneke,
leg uw handeke in de mijn en een bruiloft zal het zijn,
van een boer en een schoon boerinneke.
AVONDSTEMMING
Alice Nahon - Pheil
't Is goed in 't eigen hart te kijken,
nog even voor het slapengaan.
Of ik van dageraad tot avond, geen
enkel hart heb zeer gedaan,
Geen enkel hart heb zeer gedaan.
Of ik geen ogen heb doen schreien, geen
weemoed op een wezen lei.
Of ik aan liefdeloze mensen, een
woordeke van liefde zei,
Een woordeke van liefde zei.
En voel ik in het huis mijns harten, dat
ik een droefenis genas,
Dat ik mijn armen heb gewonden,
rondom een hoofd dat eenzaam was,
Rondom een hoofd dat eenzaam was.
Dan voel ik op mijn jonge lippen, die
goedheid lijk een avondzoen.
't Is goed in 't eigen hart te
kijken, en zo zijn ogen toe te doen,
En zo zijn ogen toe te doen.
STRIJD
Jan Hammenecker - Arthur
Meulemans
1. 't Is tijd ! Er moet in 't Vlaamse
land, een razend lied ontvlammen,
Dat rolt gelijk een zee van vuur
wegspoelend dijk en dammen !
Zo dreun dan lied en bulder luid gelijk een schreeuw der leeuwen:
" 't Zij Vlaams, 't zij
Vlaams, ons Vlaamse land, ons heilig land, en 't blijve zo !
Ons Vlaamse land, ons heilig
land, en 't blijve zo voor 'd eeuwen !"
2. Oh ! Stormt het uit in éne schreeuw,
dit lied waarin ons willen,
Zich opricht als een woeste leeuw,
door gene kracht te stillen !
3. 't Heeft al te bijster lang geduurd,
dat wij lafhartig bleven.
Zo bleef ons land door onze
schuld, beroofd van eigen leven.
4. Ons doen zal ook, gelijk ons lied,
alkrachtig machtig streven.
Voor 't Vlaamse land en nooit of
nooit, zal dit ons doen begeven.
HET LIED VAN HERTOG JAN
H. Beex - Fl. Van de Putt
Toen de Hertog Jan kwam varen, te peerd
parmant, al triumfant,
Na zevenhonderd jaren, hoe zong
men t' allen kant:
Harba lorifa, zong de hertog,
harba lorifa.
Na zevenhonderd jaren, in dit edel
Brabants land.
Hij kwam van over 't water, de
Scheldevloed, aan wal te voet,
t' Antwerpen op de straten, zilver
veren op zijn hoed.
Harba lorifa, zong de hertog,
harba lorifa.
t' Antwerpen op de straten, lere
leerzen aan zijn voet.
De standaard was de gouwe, die waaide
dan, die draaide dan,
Die droeg de Leeuw met klauwen;
wij zongen alle man:
Harba lorifa, zong de hertog,
harba lorifa.
Die droeg de Leeuw met klauwen, ja
de Leeuw van Hertog Jan !
GOEDENDAG
Wim Verreycken
1. Toen eertijds fiere Vlamen, gekrenkt
in vrijheidstrots,
de Goedendag opnamen, pal stonden
als een rots !
Een rots die elke Klauwaard, in al
omvattend diet,
hoog boven elke lelie, zichzelf
verheffen liet.
De slag der Guldensporen, een
eerste zegepraal,
liet ieder Leliaerd horen, de oude
stormerstaal:
Breken, buigen, barsten ! Moet de
dwingeland die ons haat.
Breken, buigen, barsten ! Het
Vlaamse volk wordt staat.
2. Wij staan weer op een kouter, weer
dreigt de Lelievlag.
Onz' stemmen klinken stouter, en
luider: Goedendag !
Wij haten elke lafheid, vertrappen
elk verraad.
Slechts die voor vrijheid
strijden, zijn Vlaamse achting waard.
Die lelie uit het zuiden, vermomd
in belgenvaan,
hoort nu de stormklok luiden, een
oude droom breekt baan:
Trara, zo blazen de jagers, trara, trara !
Als zij in het groene woud jagen gaan, trara, trara !
OHE
KAMERAAD
E.H. Dockx - Armand
Preud'homme
1. Trek aan de riemen, wij varen, flink
op de maat van een lied.
Klieft onze boot door de baren,
weg alle zorgen en verdriet.
Ohé kameraad, ohé
kameraad, vaar mee kameraad, vaar mee kameraad.
De zeilen haal op, haal op. De
vlag in de top, in de top.
Ohé kameraad, ohé kameraad, vaar mee kameraad, vaar mee kameraad.
De zeilen haal op, haal op. De vlag in de top, in de top !
2. Zijn wij niet jong en vol leven, wij
vrezen regen noch zon.
Stormen, zij doen ons niet beven,
't druipende nat: "'k lach er om".
3. Dreigen de stormen van 't
leven, Vikings dan goed opgelet.
Volgt het parool u gegeven. 't
Klinkt: "Sta je man, sta je wet !"
t Ros Beyaerd doet den ronde in de stad van Dendermonde,
die van Aelst die zijn zo kwaed omdat hier t Ros Beyaerd gaet.
De vier Aymonskinderen jent met blancken
sweirt in dhandt,
ziet ze rijden, t zijn de
schoonstal van ons landt.
t Ros Beyaerds ooghen voncklen, sijne breede mane kroncklen
en hij wend hem fraey en vlugh met vier broers op sijnen rugh.
t Ros Beyaerd is ons glorie, en benijdt ghons die victorie,
Aelst, ghij hebt nog min verstand als ons ridderros Vaillant.
TROTS
REIKEN EIKEN
Jan W. Robrecht Hans
Baumann
Trots reiken eiken hogewaarts, hun
bladerdak beschut
wie t harte geeft aan eigen
aard, harte aan eigen aard,
en eigen sibbe stut.
Waar kinderlach ten hemel klinkt met
leeuwrik stijgt naar t zwerk,
Waar gaard en veld van zomer
zingt, gaard van de zomer zingt,
daar werd het woud tot kerk.
Draag blij gezin de
toekomst goed, misprijs wat laf en min.
Draag in blazoen de stille moed,
draag weer de stille moed,
wees sterk, bewaar en win.
Geef adel aan wat adel draagt, het
moederhart in zorg.
Die schouder van de man toch
schraagt, schouder van man toch schraagt,
die trouwe zij uw borcht.
HET VLAAMS VERWEER
1. 't Verweer dat weet wat 't
hebben wil: de eendracht in de rangen.
Om halfheid door ons flink gedril,
door daden te vervangen.
Wij slaan het juk aan spaand'ren,
en bouwen vrij Vlaand'ren.
En is het hard om slagen, geen
nood, eens lukken wij.
Wij zijn de mannen van 't Verweer,
ons groeien brengt de eendracht weer.
Zolang 't Verweer nog zingen kan, zolang
't Verweer nog stappen kan,
zolang 't Verweer nog kloppen
kan, krijgt fascio de schrik ervan.
Vooruit en onversaagd, als
Vlaand'ren kerels vraagt.
2. Uit Vlaanderen drijft een kerelsmacht
de vreemde aterlingen.
Bukt Lamme Goedzak voor hun macht, 't Verweer laat zich niet dwingen,
door geen fascistengrillen, of
peerdefamilie.
Laat "la belgique" maar
gillen, 't Verweer blijft steeds paraat,
wanneer de knuppel slaat de maat,
op den belgiek zijn ruggegraat.
Zolang...
...als Vlaand'ren offers vraagt.
HUGIN
EN MUNIN
Jan W. Robrecht
1. Twee kraaien vliegen over t
land, kradibimmel kradibammel kradiboem !
Zij eten graan uit Wodans hand, kradibimmel
kradibammel kradiboem !
t Is Hugin die t
geheugen draagt en Munin die de meningen schraagt,
de kraaien brengen t uit !
2. Vergeet niet dat het eigen land, kradi..,
gewonnen werd op zee en zand, kradi..
Hoor Hugin aan en hoor zijn lied,
wie oren heeft vergeet het niet: de kraaien..
3. Ach Wodan, gij die mij nu vraagt,
kradi.., waarom een heiden wapens draagt, kradi..
Laat Munin zeggen: wees bereid,
slechts laffen vrezen slag en strijd, de kraaien..
4. Waarom nog steeds de heiden weet,
kradi.., dat heidens denken vrijheid heet? kradi..
Omdat het erfgoed werd behoedt en
noot voor leugen wijken moet: de kraaien..
TY
KAZALA
uit Oekraïne
1. Ty kazala u ponedilok, (Ik had je
gevraagd om maandag)
Pidem Razom po barvinok, (bloemen
te gaan plukken)
Ja préjchov tebe
nema, (maar je was er niet,) Pidmanula, pidvela. (ik heb je erg gemist.)
Ty j mene pidmanula, (Ik heb je
gemist,) Ty j mene pidvela. (heel erg gemist.)
Ty j mene molodoho, (Ik ben een
jonge man,) Zuma rozumu zvela. (en jij maakt me gek.)
2. Ty kazala u vivtorok, (Ik had je
gevraagd om dinsdag)
Potsilujech raziv sorok, (me
veertigmaal te zoenen)
3. Ty kazala u seredu, (Ik had je
gevraagd om woensdag)
Pidem razom po tcheredu, (samen
het vee op te halen)
4. Tu kazala u setver, (Ik had je
gevraagd om donderdag)
Pidem razom na kontsert, (samen
naar het concert te gaan)
5. Ty kazala u piathytsju, (Ik had je
gevraagd om vrijdag)
Pustysj mene pid spidnèrs,
(gewoon samen te zijn)
6. Ty kazala u subotu, (Ik had je
gevraagd om zaterdag)
Pidem razom na robotu, (samen te
gaan werken)
7. Ty kazala u nediliu, (Ik had je
gevraagd om zondag)
Pidem razom na vessillia, (samen
onze verloving te vieren)
VLAANDEREN
Willem Gijsels - Renaat
Veremans
1. 't Zijn weiden als wiegende zeeën,
die groenen langs stroom en rivier.
Hier vredige dorpkens, daar
steeën, die rijzen met torens vol zwier.
't Zijn welige velden en wouden,
of vlakten der heide vol rust.
O 'k wil in mijn harte behouden
die schoonheid, mijn opperste lust.
Voor Vlaanderen, Vlaanderen, trille mijn
harte vol geestdrift en vuur.
Mijn land is het land van de
stille, de vreedzame brede natuur.
2. Uit beelden en doeken en zangen, uit
al wat een kunstenaar schiep,
Straalt gij als met tover
omhangen, zo innig gevoeld en zo diep.
Gij spiegelt de aard uwer
kind'ren, gij vindt in hun werken u weer.
Hoe zou mijne liefde vermind'ren,
u minnen doe ik meer en meer.