S
Sa, laat ons vrolijk wezen
Schipperke van de Schelde
Schoon is de jeugd
Schoon is het morgenrood
Schoon klaart de dag
Schoon lief
hoe ligt gij hier en slaapt
Schoon lieveken
Sint Jozef bereidde die wondere nacht
Slaat op de trommele
Sneeuw legt weer zijn blank tapijt
Sta in de morgen
Stap in wie van de wereld een mooie brok wil zien
Stemmen zwijgen
Stormvogels aan
het Dietse strand
Terug naar alfabet
Terug naar inhoud per thema
SA, LAAT ONS VROLIJK WEZEN
Sa, laat ons vrolijk wezen, op
Sint-Antonius feest, feest, feest,
Op Sint-Antonius feest.
Sint-Antonius en de duivel waren gemeen,
En ze dansten om het zeest, zeest,
zeest, en ze dansten om het zeest.
Eén van Lucifers posturen, die wilde
vrolijk zijn, zijn, zijn,
Die wilde vrolijk zijn. Hij droeg
een ijzer braadpan op zijn hoofd,
En een vaatje brandewijn, wijn,
wijn, en een vaatje brandewijn.
A vous !, zeid' hij, Sint-Antoneke, 't
is een glazeke tegen de vaak, vaak, vaak,
't Is een glazeke tegen de vaak.
Sint-Antonius riep: "'k een mag geen brandewijn",
En hij goot het tegen zijn kaak,
kaak, kaak, en hij goot het tegen zijn kaak.
Dat was om hem te kwellen, door 't nemen
van de drank, drank, drank,
Door 't nemen van de drank.
Sint-Antonius greep de duivel bij de steert,
En hij schreeuwde wel zes uren
lang, lang, lang, en hij schreeuwde wel zes uren lang.
SCHIPPERKE VAN DE SCHELDE
E. De
Ridder - M. Veremans
1. Schipperke van de Schelde, schipperke lief: ohe! k
Wou zo graag nog over, zeg mag ik met je mee?
Op het woelend water vrees ik geen gevaar, als ik u zie zitten aan het riemenpaar.
Op de Schelde danst een
bootje over tuimelgolfjes heen,
en het draagt twee jonge mensen, ja wie weet
waarheen?
Wie weet waarheen, wie weet waarheen, ha, ha,
waarheen?
2. Schipperke van de Schelde, t schipperke lief heur
zei: k neem je veilig mede ginds naar de overzij.
Kijk mijn riem hoe snedig die door t water plast, en hoe licht mijn bootje draagt je
lieve last.
3. Schipperke van de Schelde, schipperke lief, je fooi.
t Was wel kort het tochtje doch het was enig mooi.
Jij moet niet betalen zei de veerman toen, maar hij bood zijn wang aan en hij kreeg een
zoen.
WERE DI !
E.
De Ridder - Armand Preud'homme
1. Schoon is de jeugd, die zelf zich eert,
sterk als gedegen staal.
Vredig van aard, maar die zich
weert, vecht voor heur ideaal.
Were di, kameraad ! Were di, kameraad !
Eerst te woord, dan ter daad, Were di, kameraad !
Were di, waar gij zijt ! Were di,
sta bereid !
Were di, waar het lot u ook leidt, Were di !
2. Flink is de jeugd, die durft en wil wat
heur behoort in recht.
Nooit zich vergooit voor vreemde
wil, taai om heur waarden vecht !
3. Rijk is de jeugd die denkt en strijdt,
om wat nog komen moet.
Kloek en beraden zich bereidt,
harten en zielen hoedt.
SCHOON IS HET MORGENROOD
Schoon is het morgenrood, dat in ons ogen glinstert.
Fris is de morgenwind, waarin de
wimpels slaan !
En in ons ogen bloeit de lente open,
als meisjesscharen door de velden gaan.
Een hart vol zonneschijn, een veldweg
door de heide.
Een verre horizon, waar witte
wolken staan.
En in ons zingen bloeit de vreugde
open,
als meisjesscharen door de morgen gaan.
De jeugd, o meisjesdroom, is als de
witte bloesem,
die na de lentetijd, zo vluchtig
weer verdwijnt.
Toch blijft die tijd voor ons de
schoonste uit ons leven,
als meisjesscharen door de velden
gaan.
WIJ
ZIJN BEREID
Roger
Lammens - Jef Tinel
Schoon klaart de dag, hoog waait de vlag.
Wie niet dapper is kan bij ons niet
staan;
wie niet durven kan moet ten onder gaan.
Komt straks de harde strijd: wij
zijn bereid !
Eens komt het uur, gloeiend als vuur,
Dat de vijand grimmig voor ons staat
en het uur der Dietse zege slaat.
Komt straks de harde strijd: wij
zijn bereid !
Trouw tot de dood ! Dietsland wordt groot.
Als gij morgen valt en ik blijf
alleen,
kameraad, 'k blijf trouw en ik vecht voor twee.
Komt straks de harde strijd: wij
zijn bereid !
SCHOON LIEF, HOE LIGT GIJ HIER EN SLAAPT
Schoon lief, hoe ligt gij hier en slaapt in uwen eerste drome ?
Wil opstaan en de mei ontvaân, hij staat hier al zo schone.
k En zou voor gene mei opstaan, mijn vensterke niet ontsluiten.
Plant uwe mei waar t u gerei, plant uwe mei daar buiten.
Waar zou k hem planten of waar doen ? t Is al op s heren
strate.
De winternacht is koud en lang, hij zou zijn bloeien laten.
Schoon lief, laat hij zijn bloeien staan, wij zullen hem begraven,
Op t kerkhof bij de eglantier, zijn graf zal rozekens dragen.
Schoon lief en om die rozekens zal t nachtegaaltje springen,
En voor ons bei in elke mei zijn schoonste liedekens zingen.
Schoon lieveken waar waarde gij de eerste meienacht,
dat gij mij gene meie bracht ?
De eerste meienacht, schoon lief dan was ik ziek,
schoon lieveke ik kon er van mijn beddeke niet.
Schoon lieveke waar waarde gij de tweede meienacht,
dat gij mij gene meie bracht ?
De tweede meienacht zocht ik een eglantier,
schoon lieveke sta op en uwe mei is hier.
k En sta er toch voorwaar voor uwe schone mei niet op,
of ik zal er mijn venster niet ontsluiten.
Uw mei die komt te laat, plant vrij hem op de straat,
schoon lieveke plant uwe mei daar buiten !
SUSA NINA
J.
Simons - Armand Preud'homme
1. Sint Jozef bereidde die wondere
nacht,
van 't zuiverste strooisel een beddeke zacht.
Daarop heeft Maria met schamele
vlijt,
haar schreiende kindje te slapen geleid.
Susa Nina, 't Hemelse hof in een arme stal !
En engelen wieken naar 't
aardse dal,
en vullen de sferen met feestgeschal.
Susa Nina, voor de Koning van
't heelal !
2. De herders ontwaakten in 't
schitterend licht,
aan hen werd de troostende
boodschap gericht.
Een boodschap van vrede vanuit 't
paradijs:
aan allen de goeden van wille zij peis !
3. Drie Koningen kwamen naar 't kind van
heel ver,
zij volgden het licht van de
stralende ster.
Zij hebben de Godmens, de Koning
aanschouwd,
en offerden wierook en myrrhe en goud.
4. Nog steeds brengt het kindje zijn
boodschap van vree,
voor alle goedwilligen onder ons
mee.
Een boodschap van vrede, van
heldere kracht,
een boodschap van licht in de donkere nacht.
SLAAT OP DE TROMMELE
Slaat op de trommele, van
dirredomdeine, slaat op de trommele, van dirredomdoes.
Slaat op de trommele, van
dirredomdeine, vive le Geus, is nu de leus !
Vive le Geus ! Wilt christelijk leven, vive le Geus ! Houdt fraaie moed.
Vive
le Geus ! God behoed' u voor sneven, vive le Geus ! Edel Christenbloed !
Oflaat intijds nog, Gods woord te
krenken, oflaat intijds nog uw goddeloos spel;
Oflaat intijds, och wilt u
bedenken, oflaat intijds, valt God niet rebel.
(Oflaat: laat af, houd op)
SNEEUW LEGT WEER ZIJN
BLANK TAPIJT
Herbert Napiersky
Sneeuw legt weer zijn blank
tapijt en de nachten zwijgen,
omdat wij in deze tijd, omdat wij in deze tijd,
voor de stilte neigen, voor de stilte neigen.
Groent een den trots
winterpij diep in 't woud verborgen,
dat maakt onze harten blij, dat maakt onze harten blij,
als een helle morgen, als een helle morgen.
Op zijn takken plaatsen wij
kaarsen die als baken
naar de stille eeuwigheid, naar de stille eeuwigheid,
onze harten raken, onze harten raken.
DAGLIED
Renaat Van Daele - Armand
Preud'homme
Sta in de morgen de lach op 't gelaat,
sterk voor uw volk, fris voor uw taak !
Draag van de morgen het lichtend
gewaad over uw volk, over uw taak.
Groot zult ge zijn in het rijzend gebouw.
Groot zult ge zijn in het rijzend
gebouw, rots in uw eer, reus in uw trouw !
Sta in de dag de zon op 't gelaat, sterk
voor uw volk, fris voor uw taak !
Stel met uw broeders de dienende
daad, bouw voor uw volk, wroet aan uw taak !
Sta in de avond de vrêe op 't gelaat,
zing met uw volk, zing om uw taak !
Voel dat ge weer op de wereld
bestaat, eén met uw volk, rijk om uw taak !
DE
AUTOCAR
Eugeen De Ridder
- Armand Preud'homme
Stap in wie van de
wereld een mooie brok wil zien.
Met buren en
vriendinnen tezamen dus op reis.
En we rijden, rijden,
rijden, rijden, rijden, nu wat vlugger dan met 't oude ossenspan.
En we rijden, rijden,
rijden, rijden, rijden, boereknechten, boeremeiden.
En we rijden, rijden,
rijden, rijden, rijden, rijden, rijden, rijden, rijden, rijden, rijden, rijden an.
En we wiegen, en we
wiegen, en we vliegen, en we vliegen, en we zweven, en we zweven,
en we beven, en we
beven, en we draaien, en we zwaaien, en we draaien en we zwaaien,
en we hotsen en we
botsen, en we hotsen en we botsen, en we oh hop, stop, Teut, teut, teut.
En we rijden, rijden,
rijden, rijden, rijden, boereknechten, boeremeiden,
En we rijden, rijden,
rijden, rijden, rijden, rijden, rijden, rijden, rijden, rijden, rijden, rijden an.
Daar ginder vloeit
de Nete gelijk een zilverdraad,
Ginds blinken
al de vennen, Sint Dymphna, ach hoe schoon,
Hier sluimert een
begijnhof, daar droomt er een abdij,
Maar dorstig
maakt zo'n reisje, naar Olen blijgezind.
WIM MAES
Jan W. Robrecht Hans
Baumann
Stemmen zwijgen, woord kan nooit
verklaren:
daad van wie gaf zijn hart en zijn geest.
Rond een graf van adel, één om
t woord gegeven,
wordt uw trouw tot zegefeest.
Heimwee naar de trouwe der vadren.
Volk van mijn Vlaandren, groot was zijn eer.
Rond een graf van adel, één om
t woord gegeven,
dragen wij uw teken weer.
Erven dragen opwaarts uw vaandel.
Zaad van gedachten kiemd in onz ziel.
Rond een graf van adel, één om
t woord gegeven,
volgt een volk zijn levenswiel.
Stormen hullen donker lage landen.
Blijf baken, lichtend naar deigen aard.
Rond een graf van adel, één om
t woord gegeven,
strijdend volk is vrijheid waard.
STORMVOGELS
J. Coene - Robert Götz
Stormvogels aan het Dietse strand, geen
storm heeft u verdreven.
Strijdend in stormen houdt gij
stand, ons leert gij schoon te leven.
Zo gaan wij weren met zwaarden goed, de
vijand van ons erve.
Zannekin zendt u met de groet: wij
winnen of wij sterven.
Gij volgt ons in het groot geweld. De
goede zwaarden blinken.
Sterven wij op het Kasselveld, wij
zien uw vleugel winken.
Brengt onze groet in vlugge vaart, wij
hebben vroom gestreden.
Roept uwe zonen bij dit zwaard, dat
zij het sterker smeden.