O
O, gij stille tijd
O, hangt hem op
O Heer, d'avond is neergekomen
O, hoe zoet is 't mij bij avond
Oh, then tell me Sean O'Farell
O Kruise de Vlaming
Onder 't blauw der Vlaams Ardennen
O, nooi van die velde
Ons roept de zonne
Onthout, onthout, Vlaenderen dijn recht
is out
Ontwaak, ontwaak, de zon is daar
Ook als de regen gutst in wilde stromen
Op de horizon van 't Houtland
Op een dag in de lente
Op een gitzwarte hengst
Op enen boom een koekoek
Op Kassel aan
Opzij, opzij, opzij
O stuurman
O, vrij studentenheerlijkheid
O, wolken boven 't Scheldeland
Terug naar alfabet
Terug naar inhoud per thema
O, GIJ STILLE TIJD
Cesar Bresgen
1. O gij stille tijd, breng de
avondrust,
Over de heide wijd, Over de heide wijd: Goede nacht.
2. In dit eenzaam uur, ruist het nu zo
zacht,
3. Zo stil dooft het vuur, en alleen de
sterren staan,
HANGT
HEM OP
O hangt hem op, o hangt hem op, o
hangt hem op, des konings lauwerkranse.
Ja onze vorst, ja onze vorst, ja
onze vorst, de held des vaderlande.
O hangt hem op ! Ja onze vorst. Ja onze vorst, de held des
vaderlande.
Gij moet nu dood, gij moet nu dood, gij
moet nu doodeenvoudig tot ons spreken.
Ja zelfs als hond, ja zelfs als
hond, ja zelfs als honderdjarige ons beleren.
Gij moet nu dood, ja zelfs als
hond, ja zelfs als honderdjarige ons beleren.
Gij zijt gemeen, gij zijt gemeen, gij
zijt gemeentevader en ook herder.
En zelfs een Zwijn, en zelfs een
Zwijn, en zelfs een Zwijndrechts burger helpt gij verder.
Gij zijt gemeen, en zelfs een
zwijn, en zelfs een Zwijndrechts burger helpt gij verder.
Gij moet nu weg, gij moet nu weg, gij
moet nu wegbereider voor ons blijven
Der Belgen vorst, der Belgen
vorst, der Belgen vorstenzoon zal nooit verdwijnen.
Gij moet nu weg, der Belgen vorst,
der Belgen vorstenzoon zal nooit verdwijnen.
AVONDLIED
naar Cantique des patrouilles
O Heer, d avond is neergekomen, de zonne zonk, het
duister klom.
De winden doorruisen de bomen en verre sterren staan alom.
Wij knielen neer om U te zingen in t slapend woud ons avondlied.
Wij danken U voor wat wontvingen. Wij vragen, Heer, verlaat ons niet.
Knielen, knielen, knielen wij neder, door de stilte weerklinkt onze bee.
Luistrend fluistren kruinen mee, en sterren staren teder.
Geef ons, Heer, zegen en rust en vree.
O, HOE ZOET IS 'T MIJ
W.C. Schulz
O, hoe zoet is 't mij bij avond, mij bij
avond,
Als ter ruste klokken luiden,
klokken luiden:
Bim bam, bim bam, bim bam.
THE RISING OF THE
MOON
1. Oh, then tell me Sean O'Farell, tell me why you hurry so ?
Hush,
me buchall, hush ans listen and his cheeks were all aglow.
I
bear orders from the captain, get you ready quick and soon,
For
the pikes must be together by the rising of the moon.
By the rising
of the moon, by the rising of the moon,
(herhaling laatste zin van strofe).
2. Oh, then tell me Sean O'Farell, where the gathering is to be,
"In
the old spot by the river, right well known to you and me."
One
more word for signal token, whistle up the marching tune,
With
your pike upon your shoulder, by the rising of the moon.
3. Out from many a
mudwall cabin, eyes where watching through the night;
Many
a manly heart was throbbing for the blessed warning light.
Murmurs
passed along the valley like the banshee's lonely croon,
And
a thousand blades were flashing at the rising of the moon.
4. There beside
the singing river that dark mass of men were seen,
Far
above the shining weapons hung their own beloved green.
Death
to every foe and traitor, forward strike the marching tune.
And,
Hurray, my boys for freedom, 't is the rising of the moon.
5. Well they
fought for poor old Ireland and full bitter was their fate.
Oh
what glorious pride and sorrow fills the name of ninety-eight.
Yet,
thank God, while hearts are beating in manhood's burning noon,
We
will follow in the footsteps at the rising of the moon.
O KRUISE, DE VLAMING
A. Scheiris
O Kruise, de Vlaming door moeders hand
op 't voorhoofd gedrukt en in 't hart gepland.
O Kruis voor de nachtrust, o Kruis
voor het werk,
O Kruis aan de haardstee, o Kruis
op de kerk.
Geen hand zal U schenden, geen
stormengeweld,
dat kruisbeeld in Vlaand'ren ooit nedervelt,
Dat kruisbeeld in Vlaand'ren ooit
nedervelt.
Eens velde de vijand het kruisbeeld terneer,
toen grepen ons jongens naar vaders geweer.
En moeder verborg hun haar
vliemende smart,
en spelde hun bevend het kruis op het hart.
O gaat nu, mijn kind'ren, en
strijdt voor Gods kruis,
Het voer' u ten zege, en 't breng
u weer thuis,
het voer' u ten zege, en 't breng u weer thuis.
Niet één heeft het hoofd voor de kogel
gebukt,
zij vielen, het kruis aan hun lippen gedrukt.
Het kruis op de borst was wel rood
van hun bloed,
Doch sterven voor 't kruis dat is
Vlamingenmoed.
O, moeder en ween niet in 't
eenzame huis,
uw kind is gestorven in d'armen van 't kruis,
Uw kind is gestorven in d'armen
van 't kruis.
VLAAMSE ARDENNEN
Omaar Waegeman - Emiel Hullebroeck
1. Onder 't blauw der Vlaams' Ardennen
waait een kloeke, brede wind.
In de dalen, over d'heuvels klinkt
een helder lied gezwind.
Hallali ! Hallali, Halli, Halla ! Hallali ! Hallali, Halli, Halla !
2. Rustig stuwt de trouwe
Schelde door het dal met zacht geruis.
Aan uw haarden, in uw velden,
voelde zich een Keizer thuis.
3. Hoor aan d'einder 't diepe schallen:
horens roepen tot de jacht !
Hop ! En laat de roeren knallen, dat de zon u
tegenlacht.
NOOI
VAN DIE VELDE
Eitemal - Volkswysie
1. O Nooi van die velde, wat is jy tog
skoon !
Ek het jou in stede nog nimmer sien woon,
Maar ver op die velde, waar son
altyd skyn,
is mooier die noointjies en beter die wyn.
Tra la la la ...
2. O Nooi van die velde, wat is jy tog
mooi !
Met wange wat gloei van die môre se rooi.
Daar ver op die velde, waar son
altyd skyn,
is rooier die lippies en rooier die wyn.
3. O Nooi van die velde, jou kus en jou
lag,
soos water wat kabbel oor klippies so sag.
Daar ver op die velde, waar son
altyd skyn,
is soeter die soentjies en soeter die wyn.
4. O Nooi van die velde, jou oë behou
die gloed van die hemel se sonnige blou.
As selfs op die velde die somer
verdwyn,
bly warm die liefde en warm die wyn.
ONS ROEPT DE ZONNE
E. Verstraete (naar A.Thieme)
G. Blumensaat
Ons roept de zonne, ons roept de aarde,
ons lokt de weg in het bloeiende land,
Ons lokt de weg in het bloeiende
land.
Volk dat eens uw meie moge gloren,
Reike de broeder, de broeder de
hand,
reike de broeder, de broeder de hand.
Ratlen de radren, sombre
machinen,
zingen het lied van de nieuwe tijd,
Zingen het lied van de nieuwe tijd.
Broeders wij willen de toekomst dienen,
Trouw onze gouwe, ons volk en ons
bloed,
trouw onze gouwe, ons volk en ons bloed.
Ons roept de zonne, ons roept de aarde,
ons lokt de weg in het groenende land,
Ons lokt de weg in het groenende
land.
Voelen wij toch het leven bloeien,
Reik nu als broeder, de broeder de
hand,
reik nu als broeder, de broeder de hand.
Onthout, onthout, Vlaenderen: dijn recht is out !
Peinst omme De Coninc, omme Jan Breydel.
Wi en willen geen anderen breydel, ware hi van goud.
Betrout, betrout, Vlaenderen, dijn recht is out !
Jonc sijn dine crachte, coene leghet die coninc in die wachte.
Die leeuwe danset in den banieren.
Laet ons, jonc vlaamsch, vri vlaamsch gheslachte,
Toter eren van de Coninc vieren.
ZONSOPGANG
(Ook geschikt als hoornsignaal)
Ontwaak, ontwaak, de zon is daar.
Haar stralen verdrijven de nevels in t woud.
De nacht is voorbij, de dag weer nabij.
Ontsteek een vuur voor t nieuw jaar !
VREUGDEBRON
Wim Verreycken - Duitse melodie
1. Ook als de regen gutst in wilde
stromen, alsof hemel traant in groot verdriet,
nog lokken groene wegen tussen
bomen, vluchten wolken voor ons vrije lied.
Zon, zon, vreugdebron, warm onze harten,
blij en jong.
Zon, zon, vreugdebron, warm
onze harten jong.
2. Gepakt met ransel, broodzak,
wandelschoenen, vinden wij een weg door Vlaanderland.
Wij laten vreugde horen in onz'
tonen, op kadans van treden in het zand.
3. Ruim nu de baan voor al wie jong van
harte, wil verkennen nieuwe einder vrij.
Kom lach de hemel open, ban de
smarten, al wie met ons wand'len wil: kom bij.
4. Wijl nu de Blauwvoet vlucht uit
grauwe steden en de huisgebonden burger zucht,
dan zoeken wij naar paden
onbetreden, ons Houzee doorbreekt de grijze lucht.
AMNESTIE
F.
Meertens - Armand Preud'homme
Op een dag in de lente, hebt g'Uw zoon
zien vermoorden.
Moeder Maria, Moeder Maria.
Alle handen die sloegen, alle
voeten die stampten,
't waren handen en voeten van 't
volk van Uw Zoon.
't Waren handen en voeten van 't volk van Uw Zoon.
Op een dag in de lente, zijn zovelen bezweken.
Moeder Maria, Moeder Maria.
In de kampen en kooien, in de
straten van Vlaand'ren,
spijts we samen toch baden in
bomvolle kerk.
Spijts we samen toch baden in bomvolle kerk.
We verwachten een lente, maar wanneer
zal hij komen ?
Moeder Maria, Moeder Maria.
Dat we allen in Vlaand'ren zoals
gij eens vergeven,
en de haat in de harten van allen
verdwijnt.
En de haat in de harten van allen verdwijnt.
HOUTLAND
F.R. Boschvogel - M. Veremans
1. Op de horizon van t Houtland donkert t zoele
sparrenbos,
met zijn zondoorlichte lanen en de geur van hars en mos.
Met de bloei van brem en bramen en t gevlerk van een fazant,
schenkt het schoonheid en vertroosting als een oude lustwarand.
Houtland, stoutland,
goed en bloed van t vroegste Vlaanderland.
Houtland, stoutland, Houtland hou je goed.
en in t ruisen van de kruinen bruist de oude vrijheidsbrand.
Langs de heirweg voeren Gullik en de Fries hun volk door t hout!
Zie ze slaan bij Kassel, Kortrijk, neer de vijand, stout en boud.
3. Tegen t schut der groene verten vecht de boer, het
hart vol vuur,
tegen droogte, schraalheid, onkruid, tot zijn laatste levensuur.
Volk van trimards, brikkenbakkers, dat het zweten niet ontziet,
door uw bruinverweerde handen zingt de arbeid als een lied.
4. Duivenmelkers, haantjekraaiers, spel en sport en
kermisstoet.
Vinkenzetters, Breugelvierders, t leven is bij ons zo zoet.
In de vrome herfstzonstralen brede dorpen, vrij en blij.
Maar het schoonste van ons Houtland zijn de meisjes in de mei.
VLAAMSE DODENDANS
L. Van de Lende - Duitse
melodie, 1916
1. Op een gitzwarte hengst daar rijdt de
dood, dicht en grauw is zijn masker als lood.
Als de soldaten het veld in
marcheren, laat hij zijn ros ernaast galopperen.
Vlaand'ren in nood ! In Vlaand'ren rijdt de dood !
In Vlaand'ren rijdt de dood !
Lalalala, lalalala.
2. De dood kan ook de trommen slaan,
zijn roffel de harten sneller doet gaan.
Hij trommelt luid, hij trommelt
luid ! Nu trommelt hij op een dodenhuid !
3. Toen hij zijn eerste roffel sloeg,
het bloed van al hun harten joeg.
En toen de tweede roffel klonk, de
landsknecht in zijn graf verzonk.
4. De derde roffel zolang ging, tot hij
van God de zege ontving.
De derde roffel is traag en
klinkt, alsof een moeder haar kind toezingt.
Op ene boom een koekoek, simsaladim
bom bam saladom, saladim
Daar kwam een jonge jager, sim daar kwam een jonge jager aan.
Hij schoot de arme koekoek, sim hij schoot de arme koekoek dood.
Maar als een jaar verlopen, sim maar als een jaar verlopen was.
Toen was de koekoek weder, sim toen was de koekoek weder daar.
Hij floot de arme jager, (fluiten) sim hij floot de arme jager uit.
OP KASSEL AAN
Erbe - Fritz Sotke
1. Op Kassel aan, in donk're nacht, heia
oho.
Trekt traag de Franse legermacht, heia oho.
Trouw en eer, schild en speer, haal het
witte lelievaandel neer.
Trouw en eer, schild en speer,
haal de witte lelie neer !
2. Als rood de zon in 't westen zinkt,
heia oho.
Zo menig lied bij 't kampvuur klinkt, heia oho.
3. In Vlaand'ren vlamt de hemel rood,
heia oho.
Daar sterft de vrijheid nooit de dood, heia oho.
4. Op Kasselberg heerst rouw en nood,
heia oho.
De hoofdman Zannekin is dood, heia oho.
DE
POPPENSTOET
E. De Ridder - Armand
Preud'homme
1. Opzij !
Opzij ! Opzij ! De poppenstoet
gaat hier voorbij !
Ze komen recht uit speelgoedland,
daar zijn ze, dansend hand in hand.
En Zwarte Piet marcheert van voor,
nog zwarter dan een ouwe moor.
Een Zeeuwse boer, een Eskimo, Roodkapje en Pinnokkio.
Een Indiaan, een kapitein, een
Mexicaan, een Harlekijn.
een edelvrouw, een nob'le heer,
en Mickey Mouse met Teddybeer.
2.
Ohee ! Ohee !
Ohee ! Wie stapt er
met de stoet niet mee ?
Trompetten klinken, hoog en hel,
tezaam met trom en rinkelbel.
En klein en groot aan 't dansen
gaat, wijl Harlekijntje slaat de maat.
3. Hoera !
Hoera ! Hoera ! Nu komt de Sint
bij ons weldra !
En ieder wordt door hem bedacht, als
hij op tocht gaat deze nacht.
Daarom ook danst de hele stoet zo
blij de avond tegemoet.
O STUURMAN
Hannes Kraft
1. O stuurman, stuurman, zeg ons toch, wanneer steken wij van
wal?
Als in de mast weer de vlaggen waain, en liefjes terug op de oever staan,
dan steken wij van wal.
Keervers:
He-ho, hei-o-ho! Ja de zee is zo groot en de hemel zo wijd,
en de stuurman die weet wat matrozen bevrijdt.
Wij zijn vrij, verwinnen de zee, ahoi, wij zijn vrij, verwinnen de zee!
2. O stuurman, stuurman, zeg ons toch, waar gaat de reis nu
heen?
Het roer houd ik langs de sterrenbaan, de kapitein geeft de koers mij aan,
daar gaat de reis nu heen.
3. O stuurman, stuurman, zeg ons toch, hoe ver is t nog
naar huis ?
Voor dene na, voor de ander ver, aan dhemel licht weer een helle ster,
zo ver is t nog naar huis.
4. O stuurman, stuurman, zeg ons toch, waarom zijn wij zo vro?
Naar dheimat waait ons een goede wind, daar vinden wij lief of vrouw en kind,
daarom zijn wij zo vro
OUDE ROLDERSKLACHT
1. O vrij-studentenheerlijkheid, waar zijt gij thans verzwonden ?
O, keer nog eenmaal, schone tijd,
zo vrij, zo ongebonden !
Ik zoek u langs mijn wegen weer,
en vind uw sporen nimmermeer !
O jerum, jerum, jerum, O
quae mutatio rerum !
O jerum, jerum, jerum, O quae mutatio rerum !
2. Waar zijn zij die voor het Werchters
bier hun laatste cent verdronken,
Als wereldbazen op de zwier, met
volle potten klonken ?
Zij gingen, 't hart gebroken,
voort, van hier naar 't stil geboorteoord.
3. Daar ligt er een als man van plicht,
op een buro gebogen;
Een ander ontplooit met koud
gezicht zijn schoolmeestersvermogen.
Wie dacht ooit dat een schurk zo
fijn, zou zo pedant geworden zijn ?
4. Een dokter preekt de matigheid, en
was hier grote rolder;
Ministers gaan met statigheid, en
woonden hier op zolder;
De rechter straft nu
drankmisbruik, en vroeger sliep hij met de kruik !
5. Sa vrienden, reikt elkaar de hand,
opdat hij zich vernauwe,
Der trouwe vrienschap heil'ge
band, de heil'ge band van trouwe.
Klinkt aan en heft omhoog het
glas, nog leeft het oud studentenras.
Bibamus
laet, merum, non est mutatio rerum !
Bibamus laet, merum,
non est mutatio rerum !
SCHOON SCHELDELAND
Bert Peleman - Armand Preudhomme
O wolken boven t Scheldeland, o wilgen langs de
waterkant.
O zuivre brand, o heilge brand, o deining door mijn vaderland.
Mijn Scheldeland, mijn heimatland, in u ruist nu het lied der zee.
Gij voert mijn gaafste dromen mee.
O Scheldeland, o golvenbrand, mijn sterke stroom, mijn zoetste droom.
O Scheldeland, o golvenbrand, in u bloeit mijn land !
O dijken van mijn Scheldeland, o lelies aan de waterkant.
O zuivre brand, o heilge brand, o deining door mijn vaderland.
Mijn Scheldeland, mijn heimatland, om u weeft gij een wolkenstoet.
De meivis brengt ons uwe groet.
O Scheldeland, o golvenbrand, mijn sterke stroom, mijn zoetste droom.
O Scheldeland, o golvenbrand, in u bloeit mijn land !