N
Naam van mijn land
Naar de hoogten stijgen klachten
Naar het evenbeeld der
vlammen
Naar het evenbeeld van Freya
Naar Oostland willen wij rijden
Naar wat
de dennen fluisteren
Neemt mij in
der hand
Ni, Breiziz a galon,
karom or gwir vro
Niets kan ons roven
Nooit geremd, nooit vertraagd
Noordland, lange winternachten
Nu dan aan 't smullen, werp 't kommervolle masker af
Nu dreunt weer de mars der
kolonnen
Nu het lied der Vlaamse
zonen
Nu is 't de tijd
Terug naar alfabet
Terug naar inhoud per thema
EED
Ferdinand Vercnocke Jos.
De Maeght
Naam van mijn land, naam van mijn land, in
brand en bloed geboren,
Bij u heb ik gezworen: ik blijf uw roem gestand.
Bij u heb ik gezworen: ik blijf uw
roem gestand !
Taal van mijn land, taal van mijn land,
waarin de vadren spreken.
De boodschap moet ik breken, die in
mijn ziele brandt.
De boodschap moet ik breken, die in
mijn ziele brandt !
Volk van mijn land, volk van mijn land, in
u ben ik verloren.
Op de bres zult gij mij horen, bij
rode, rode kamp.
Op de bres zult gij mij horen, bij
rode, rode kamp !
GEDENKEN
Naar de hoogten stijgen klachten, verre berken luisteren mede.
Blije dagen worden nachten, dromen
eindgen heden.
Vorm een sterke kring van getrouwen rond wie droeg het hoofd omhoge.
Wie uit dromen daad kon bouwen kan
op vrienden bogen.
Vrienden schutten nu die blijven,
geven adelwoord zijn waarde,
Zullen levenswielen drijven. Zaad
ontstijgt de aarde.
Blijf gedenken wie bij leven stut en
schouder gaf aan erven.
Wie slechts handen droeg om te geven
kan in vrede sterven.
HERNIEUWING
F. Jacob - W. De Beer
Naar het evenbeeld der vlammen, in een
joelvuur laaiend hoog,
Mensen richt ook uw verlangen,
naar de klare hemel hoog.
Naar het evenbeeld der sterren, tot een
lichtkrans saamgebracht,
Mensen, wees ook gij gemeenschap,
vol met nieuwe levenskracht.
Weerom is het uur gekomen, tot het
wenden van de tijd,
Zegen, Heer, de zuiv're krachten,
nu en in de eeuwigheid.
![]()
LEVENSWET
Jan W. Robrecht Hans
Baumann
1. Naar het evenbeeld van Freya, Hoge
moeder van de min
schenkt gij kindren aan wie
liefde, aan wie levenstrouw geeft zin.
Hoge Vader, Asgaardkoning, hebt de
Bifrost uitgezet,
Geeft in Midgaard mensen loning
wen zij leven naar uw wet.
2. Gooit de hamer, rolt zijn wagen, door
een dreigend wolkenkleed.
Zo de heer der luchten Thor
maakt ons tot levensstrijd gereed.
3. Ban de Loki uit onz harten,
slechts wie nooit gebroken t woord,
kan zich Balders jeugd
verwerven, groeit in levensadel voort.
NAAR OOSTLAND
Naer Oostland willen wij rijden, naer Oostland willen wij mee.
Al over die groene heiden, fris
over die heiden ! Daer is er een betere stee.
Als wij binnen Oostland komen, al onder
dat hoge huis fijn,
Daer worden wij binnen gelaten,
fris over die heiden ! Zij heten ons willekom zijn.
Ja willekom moeten wij wezen, zeer
willekom moeten wij zijn.
Daer zullen wij avond en morgen,
fris over die heiden ! Nog drinken de koele wijn.
Wij drinken de wijn er uit schalen, en
't bier ook zo veel ons belieft;
Daar is het vrolijk te leven, fris
over die heiden ! Daar woont er mijn zoetelief.
NAAR WAT DE DENNEN FLUIST'REN
Jozef
Simons - Armand Preud'homme
Naar wat de dennen fluist'ren die buigen
kruin aan kruin,
Zit ik zo vaak te luist'ren, in 't
buntgras van het duin.
Hoe zon en zomer pralen, op 't
purper van de hei;
Wat toverkleur zij malen, maar
alles gaat voorbij. (2 maal)
De winter komt gedrenteld, en weg is 't
paradijs.
De wereld ligt gewenteld, in
sneeuw en vorst en ijs,
Waarboven koude starren, op
nachtelijke pij,
Al tintelende marren, maar alles
gaat voorbij. (2 maal)
Wij zien hoe t mensenleven
verstuift aan onze voet.
De jongen piepen even zo d'oude
voren doet.
De grijsaard blikt met weemoed
terug langs weg en hei.
En zucht met stille deemoed: nog
sluiten en voorbij. (2 maal)
NEEMT MIJ IN DER HAND
Uit: Valerius Nederlandse
Gedenkklank
Wat ons hier in 't land, al is
wedervaren.
1. Ni, Breiziz a galon,
karom or gwir vro, brudet eo an Arvor dre ar bed tro-dro
Dispont kreiz ar brezel on tadou ken mad a skuilhas eviti o gwad.
O Breiz, ma Bro, me gar
ma Bro !
Tra ma vo mor vel mur 'n he zro, ra vezo digabestr ma Bro.
2. Ar vretoned a zo tud
kalet ha krefiv n'eus pobl ken kalonek a zindan an nefiv
Gwerz trist, son dudius a ziwan eno. O pegen kaer, ez out, ma Bro.
3. Breiz, douar ar sent koz,
douar ar varzed, n'euz bro all a garan kement 'barz ar bed
Pep menez, pep traonien d'am halon zo kër enno kousk meur a Vreizad ter.
4. Mar d'eo bet trehet Breiz
er brezeliou braz, he yez a zo bepred ken beo ha biskoaz
He halon virvidik a lamm hoaz 'n he hreiz dihunet out breman, ma Breiz.
NIETS KAN ONS ROVEN
Naar Karl Bröger Heinrich
Spitta
Niets kan ons roven, t heidens
geloven in eigen aard.
Eigen te houden, grootser te
bouwen: woord wordt tot zwaard !
Mochten wij sterven, weten onz
erven wat plicht gebiedt:
Eigen te houden, grootser te
bouwen: Noordland sterft niet !
Jan W. Robrecht Hans
Baumann
Nooit geremd, nooit vertraagd, wordt de
aard rondgejaagd.
Elke dag volgt een nacht. Weent de maan ?
Zon die lacht !
En na elk groot verdriet volgt dit
vrolijkmakend lied.
Neemt de dood daar een vriend, schenkt
het leven hier een kind.
En na regengeween dringt de zon
door wolken heen.
Ach, wie boos gaat tekeer, weet
dan: liefde komt steeds weer.
NOORDLAND
Jan W. Robrecht Hans Baumann
Noordland, lange winternachten, dwingen
tot diepe rust.
Haardvuren, laaiende vlammen, noden
tot levenslust, noden tot levenslust.
Over velden en landauwen straalt weer een
helle zon,
Tonend aan jonge geslachten waar
onze zeg begon, waar onze zeg begon.
Hoor nu t dreunen van de trommen,
roepend tot nieuwe slag.
Samen met fijfers en trompetten,
groetend de jonge dag, groetend de jonge dag.
OUD TAFELLIED
X. Janssens Chr.W. Kindleben
1. Nu dan aan t
smullen, werpt t kommervolle masker af
Edite, bibite,
collegiales, post multa saecula pocula nulla,
2. Geen koers in
dHalle, de prof heeft in de kele zeer,
3. Jubelt als zotten, broers, binst uw jongheid
zoet en schoon,
4. Op vette akkers schieten de botten
weeldrig uit,
(oorspronkelijk Duits)
1. Ca ça geschmauset, lasst uns nicht rappelköpfisch sein, wer nicht mithauset der bleibt daheim.
Edite, bibite....
2. Auf, auf, ihr Brüder,
erhebt den Bacchus auf den Tron, und setzt euch nider, wir trinken schon.
3. Denkt oft, ihr Brüder, an unsre Jugendfröhlichkeit, sie kehrt nicht wieder, die
goldne Zeit !
DE MARS DER KOLONNEN
Herbert Napiersky
Nu dreunt weer de mars der kolonnen de
trommelknaap vooraan.
En helder verrijst nu de zonne,
een stralende morgen breekt aan.
En niemand van ons die ooit heeft
versaagd of moede naar de weg gevraagd,
waar ons de trommel voert.
En voor ons wappert het vaandel in 't
ijle morgenblauw.
Wij zijn door het vaandel
verbonden in kameraadschap en trouw.
En niemand van ons die ooit heeft
versaagd of moede naar de weg gevraagd,
waar ons het vaandel voert.
DE
BLAUWVOET
Albrecht Rodenbach - Emiel
Hullebroeck
1. Nu het lied der Vlaamse zonen, nu een
dreunend kerelslied,
Dat in wilde Noordertonen, uit het
diepst ons herten schiet.
Ei ! Het lied der Vlaamse zonen, met zijn wilde Noordertonen,
Met het oude Vlaams hoezee:
vliegt de Blauwvoet ? Storm op zee !
2. 't Wierd gezeid dat Vlaand'ren
groot was, groot scheen in der tijden wolk.
Maar dat Vlaanderland nu dood was,
en het vrije kerelsvolk.
3. Maar daar klonk een stemme krachtig
over 't oude Noordzeestrand.
En het stormde groots en machtig in
dat dode Vlaanderland !
4. En hier staan wij, 't hoofd omhoge,
vuisten sidd'rend, kokend bloed,
Vlamme in 't herte, vlam in d'oge,
en ons naam ons trillen doet.
5 Van de blonde Noordse stranden, dwang en buigen ongewend,
onze vaders herwaarts landden, leden, streden, ongetemd.
6 Ja, wij zijn der Vlamen zonen, sterk van lijf en sterk van
ziel,
en wij zoun nog kunnen tonen hoe de klauw der Klauwaarts viel.
7 Op ons vane vliegt de Blauwvoet, die voorspelt het
zeegedruis,
en de Leeuw er met zijn klauw hoedt t lieve dierbaar Christikruis.
8. Weg de bastaards, weg de
lauwaards, ons behoort het Noordzeestrand.
Ons, de Kerels, ons de Klauwaards,
leve God en Vlaanderland.
DE HEIDE BLOEIT
Jef
Simons - Armand Preud'homme
1. Nu is 't de tijd, dat in onz' oude
Kempen,
de heide bloeit, zo ver het oog maar schouwt.
Purper van kleur, een klaarte niet
te dempen,
zo wijd de vlakte 't vergezicht ontvouwt.
De zomer gloeit, jochei ! De heide
bloeit, jochei !
De lucht is blauw op alle
kimmen, jochei ! De zonne danst, jochei !
De heide glanst, jochei ! En
alle dennebossen glimmen, jochei !
2. Nu is 't de tijd, dat hoog op alle
wegen,
de graanoogst danst, en schommelt naar de schuur.
Garven gegroeid uit arbeidsmilde
zegen,
en 't welig koest'rend gouden zonnevuur.
3. Nu is 't de tijd, dat zon en zomer
pralen.
De boomgaard buigt zijn zwaargeladen kruin.
Helder weerklinkt de roep der
wielewalen,
en zilv'ren berken wuiven op het duin.
4. Nu is 't de tijd, van trekken en van
treden.
Een vrolijk lied geeft vleugels aan de voet.
En al wie keert brengt
vreugdestralend mede,
een tuiltje hei en frisse levensmoed.