K
Kein schöner Land
Kempenland, aan de Dietse kroon
Kent gij lief, de diepe
wat'ren
Kent gij 't land dat, stukgereten
'k Heb mijn wagen
volgeladen
'k Hou van een klein melodietje
'k Bracht in dees herberg een
avondje door (Dronkemanspraatje)
Klagen de hoorns tot eiken als torens
Klitse kletse, klap mijn hand
Kom daar staan die hout al klaar
Kom in 't gelid, kameraad
Kom Jan, kom mee naar huis
Kom, kameraden, kom
Kom lente, lieve lente
Kom mee naar buiten allemaal
Komt hier al bij, aanhoort dees klucht
Komt vrienden in het ronde
Kom vendeljongen
Kom zing met mij een trouwelied
Krambambouli
'k Zoog uit 't glas het laatste nat
Terug naar alfabet
Terug naar inhoud per thema
KEIN SCHÖNER LAND
Kein schöner Land in dieser Zeit;
als hier das uns're weit und breit,
wo wir uns finden, unter die Linden,
zur Abendzeit.
Da
haben wir so manche Stund, gesessen da in froher Rund.
Und taten singen, die Lieder
klingen, im Eichengrund.
Gott mag es schenken, Gott mag es
lenken, Er hat die Gnad'.
Nun Brüder eine gute Nacht, der Herr im
hohem Himmel wacht.
In seiner Güten, uns zu behüten,
ist Er bedacht.
KEMPENLAND
Jozef Simons - Armand Preud'homme
Kempenland, aan de Dietse kroon,
wonderfrisse perel.
Kempenland, welig zoete woon, van
de koene kerel.
1. Op de heide gloort de zon, ons zo
stralend tegen,
of uit hoge hemelbron ruist zo vro
de regen.
Op de heide waait de wind alle
zorgen weg.
2. Op de heide staat een huis rondom in
het lover,
wolken blank of grauw als gruis
trekken traag daarover.
3. Op de heide, zoete meid, hebt ge mij
verkoren.
Bij de gagel voor altijd, mij uw
trouw gezworen.
4. Kempisch volk, zo vroom en blij, schoon
van ziel en lijve;
Harde tijden gaan voorbij, maar een
volk moet blijven.
LAAT ONS LIEFSTE, SAMEN VAREN
Bert
Peleman - Armand Preud'homme
1. Kent gij lief de diepe wat'ren van
mijn schone Scheldeland ?
Waar de golven lichtend klat'ren,
waar de hemel openbrandt ?
Dag en nacht wou 'k er verwijlen
met u liefste aan mijn zij,
lijk de sloepen zachtjes zeilen op
het deinen van de tij.
Laat ons, liefste, samen varen, door
mijn schone Scheldeland.
Met wat bloemkens in uw haren,
bloemkens van de waterkant.
2. Kent gij lief de groene dijken met
het glanzend grazend vee ?
Waar de golven schuimend wijken
voor de wekroep van de zee ?
Dromend bij de wilgentronken heb
'k er steeds aan u gedacht,
wijl de waterlelies blonken in de
zuiv're zomernacht.
3. Zaagt gij lief de sloepen varen
zeilend door mijn Scheldeland ?
In de glans der notelaren bloeiend
langs de waterkant ?
Zon en maan gaat door de wolken,
goud en zilv'rig ruist er 't riet.
En in 't diepst der waterkolken
zingt de vloed zijn toverlied.
RUPELLIED
A. Hadermann
1. Kent gij t land dat stukgereten,
t rokend rood gelaag ontvouwt,
en in harde baggerbeten Vlaandrens baksteen huizen bouwt.
Dat land ligt aan Rupel en Schelde,
t leeft zonder roem, t heeft weinig faam.
Maar in zwoegend werken: t gaf u torens,
t gaf u kerken, Rupelstreek dat is zijn naam.
2. Kent gij t land waar t
hamrend bonken schepen vormt, gereed ter vaart,
staal- en raderwerken ronken, en voor durvers toekomst klaart.
3. Kent gij t land waar mensen wonen,
stug van woord en hard van daad,
waar men altijd moet geloven, helpt u zelf zo t moet, en t gaat.
'K HEB MIJN WAGEN VOLGELADEN
'k Heb mijn wagen volgeladen, vol met oude wijven.
Toen zij op de markt kwamen,
begonnen zij te kijven.
Nu neem ik van mijn levensdagen,
geen oude wijven meer op mijn wagen !
Hop, paardje, hop !
'k Heb mijn wagen volgeladen, vol met
oude mannen.
Toen zij op de markt kwamen,
gingen zij samenspannen.
Nu neem ik van mijn levensdagen,
geen oude mannen meer op mijn wagen !
Hop, paardje, hop !
'k Heb mijn wagen volgeladen, vol met
jonge meisjes.
Toen zij op de markt kwamen,
zongen zij als sijsjes.
Nu neem ik van mijn levensdagen,
steeds jonge meisjes op mijn wagen !
Hop, paardje, hop !
'N
KLEIN MELODIETJE
Jan Van de Kouter - P.G. Haazen
1. 'k Hou van een klein melodietje, waar
de gitaar begeleidt.
Bij dat gezellige liedje, weet ik
van uur noch van tijd.
't Is zo zalig en het is zo zoet, een lichte lentelach in uw gemoed.
't Is zo heerlijk en het doet zo
goed, het melodietje dat u dromen doet.
2. Zitten we samen te turen, stil in de
zwijgende nacht.
Daar bij de smeulende vuren, ruist
er ons liedje zo zacht.
3. Gaan we langs Vlaanderens wegen, vlijen
w'ons neer in de hei.
Komt u ons liedeke tegen, als een
geschenk van de mei.
1. 'k Bracht in
dees herberg een avondje door; straat, maar wat komt ge mij wonderlijk voor.
Rechter en
linker geruild met elkaar ? Straat, ge zijt dronken, zeg op is 't niet waar ?
Trala, trala,
tralalalala lala, trala, trala, tralalalala.
2. Kijk eens wat
scheef een gezicht trekt die maan; één oog gesloten en één loert mij aan.
Ja, ze is
fatsoenlijk geweest aan de fles, schaam u, foei, schaam u, gij olijke bes.
3. En die
lantarens, nee 'k zie toch niet scheel ? Drommels ze hebben wat olie teveel.
Draaiend en
zwaaiend naar alle kant heen, jongens sta vast of gij raakt van de been.
4. Alles aan 't
hotsen wat 'k zie, klein en groot. Ik nu daar onder, ik, nuchter als brood.
Dat nee, dat
waag ik niet, 'k heb mij te lief; gauw weer naar binnen, da's beter wablief ?
KLAGEN DE HOORNS
Jan W. Robrecht
Klagen de hoorns tot eiken als torens om
t Al dat weer nam wat het gaf.
Sibbe in trouwe, zo man en zo
vrouwe, zij leggen wie ging in dit graf.
Door nieuwe dagen het erfgoed te dragen
van hem die zijn adeldom groot
Zaaid in onz harten,
vervuld nog van smarte: wie edel herdacht is niet dood.
Zingen rond vuren de heldere luren van
levenswiel, Wodan gewijd.
Stil in gedachten, wij kennen de
krachten, en dragen naar toekomst de strijd.
SINTERKLAAS
Jef Lesage - Renaat Veremans
Klitse, kletse, klap mijn hand !
Sinterklaas is weer in 't land.
Om met speelgoed en met koeken,
brave kindjes te bezoeken.
Klitse, kletse, rommedom,
Sinterklaas, wees wellekom !
Hotse, botse, stamp mijn voet ! O, zijn
knecht is zwart als roet.
Kindjes die gehoorzaam wezen,
moeten Zwarte Piet niet vrezen.
Rotse, botse, rommedom,
Sinterklaas, wees wellekom.
Klitse, kletse, klap mijn hand ! Kijk,
zijn ezel torst een mand.
Vol met zoete lekkernijen, om de
kindjes te verblijen.
Hotse, botse, rommedom,
Sinterklaas, wees wellekom.
OM DIE KAMPVUUR
Kom, daar staan die hout al klaar, pale, stompe, groot en swaar.
Vorm nou wijd die trekkerskring,
laat ons nie mekaar verdring.
Steek maar aan, steek maar aan,
dat die vlamme hoog opslaan.
Steek maar aan, steek maar aan,
dat die vlamme hoog opslaan.
IN
'T GELID
Jef
Lesage - Jos Mertens
Kom in 't gelid, kameraad ! Word weer de
volkse soldaat !
Zwaai in de wind weer de
Blauwvoetvlag, volg de herrijzende Rodenbach,
't Uur van de aanval slaat ! 't Uur
van de aanval slaat !
Zing weer uw lied, kameraad ! Vrij en met
open gelaat !
Zing in uw voorspoed en in uw nood,
zing in uw liederen Vlaand'ren groot,
Zingende jeugd, paraat ! Zingende
jeugd, paraat !
Vecht in de storm, kameraad ! Vlaanderen
wacht op uw daad !
Schoon men u knevelt of dreigend
sart, lach met hun listen en bouw in 't hart,
Vlaanderens dageraad ! Vlaanderens
dageraad !
Kom Jan,
kom mee naar huis, uw vrouwke dat is krank.
Is ze krank, laat ze krank, 't duurt
mij toch al veel te lang,
Kom Jan,
kom mee naar huis, uw Griet is fel verzwakt.
Is ze verzwakt, laat ze verzwakt,
als ze zich maar niet herpakt,
Kom Jan,
kom mee naar huis, uw vrouwke is berecht.
Is ze berecht, laat ze berecht, dan
heeft zij haar volle recht,
Kom Jan,
kom gauw naar huis, uw vrouwke dat is dood.
Is ze dood, laat ze dood, dan is zij
toch uit de nood,
Kom Jan,
kom gauw naar huis, uw vrouw is al beluid.
Is ze beluid, laat ze beluid, dan ga
'k om ene andere uit,
Kom jan,
kom toch naar huis, uw griet ligt in de kist.
Is ze in de kist, laat ze in de
kist, als ze maar goed genageld is,
Kom Jan,
kom toch naar huis, uw vrouw is in de kerk.
Is ze in de kerk, laat ze in de
kerk, dat is een godsdienstig werk,
Kom Jan,
kom nu naar huis, uw vrouw ligt in het graf.
Is ze in 't graf, laat ze in 't
graf, 'k ben er dan voor goed van af,
OP
EER EN TROUW
Jef
Simons - Armand Preud'homme
Komt kameraden, komt ! Komt kameraden,
komt ! Komt kameraden, en meldt u blij.
Wij vinden paden in bos en hei. Ons
wachtwoord schalle door heel de gouw,
In dienst van allen, op eer en
trouw.
Ons wachtwoord schalle door heel de
gouw, in dienst van allen, op eer en trouw.
Komt kameraden, komt ! Komt kameraden,
komt ! Wij trekken lustig langs weg en baan,
En zitten rustig bij het kampvuur
aan. Langs groene wallen is 't wapenschouw,
In dienst van allen, op eer en
trouw.
Langs groene wallen is 't
wapenschouw, in dienst van allen, op eer en trouw.
KOM
LENTE
W.A. Mozart
Kom Lente, lieve Lente, en laat die
knoppies groei.
Laat in die tuin en velde, die
blommetjies weer bloei.
Hoe sterk is ons verlange, om weer
'n blom te sien!
Ai Lente lief, hoe graag tog wil
saadjies fijn ontkiem.
Kom met jou reent en sonskijn, laat veld
en blomme pronk.
Dan word vervul met blijdskap, ons
kinderhartjies jonk.
Kom gou en bring tog seker ook baie
rose saam.
Bring grassies vir die diere, en al
die voëltjies saam.
Sing dan die voëltjies vrolik hul lied
vir jou en my.
Dan speel ons tog so lekker, ons
hartjies is so blij.
Kom gou dus lieve Lente, ons vra mos
nie vir geld.
Geluk vind ons by blomme, bij
voëltjies, boom en veld.
DE
WIELEWAAL
Andries Hartsuiker
1. Kom mee naar buiten, allemaal, dan
zoeken wij de wielewaal.
En horen wij die muzikant, dan is
zomer weer in 't land !
Dudeldjo, klinkt zijn lied, dudeldjo, klinkt zijn lied, dudeldjo en anders niet.
2. Hij woont in 't dichte eikebos, gekleed in gouden vederdos.
Daar jodelt hij op zijn schalmei,
tovert onze harten blij !
Komt hier al by, aenhoort dees klucht: het is van
Pierlala,
een drollig ventjen vol genucht, de vreugd van zyn papa.
Wat in zyn leven is geschied dat zult gy hooren in dit lied:
t Is al van Pierlala, sa sa, t is al van Pierlala.
Zoo zeer was Pierlala bemind van vaertj en moertje
t saem;
zij zeyden: hoort eens lieve kind, ons eengen erfgenaem,
gy wordt haest meester van ons goed, daerom ziet wel toe wat gy doet.
t Is wel zey Pierlala, sa sa, t is wel zey Pierlala.
Maar als nu was den vader dood, och armen Pierlala,
die heeft zyn vrienden al genood op t uytvaerd van papa.
Hy hielt niet veel van lekkerny, hy gaf ze t eten pap en bry.
t Is bon zey Pierlala, sa sa, t is bon zey Pierlala.
Als hy had al zijn geld verbruyd dan wist hy geenen raed;
als hy om troost ging, elk was uyt, dan stak hy zich soldaet.
Maer als hy exerceerde dan en aenleyd op een halven man:
Poef paf zey Pierlala, sa sa, poef paf zey Pierlala.
Als hy een zuypken geten had sprak hy: k ben nog
meer krank,
t is aen myn hart, k en weet niet wat, k en leef geen ure lang.
Hy maekte dan zyn testament aen al de vrienden die hy kent.
Ik sterf zey Pierlala, sa sa, ik sterf zey Pierlala.
Als men dan naer de kerke kwam, elk zey: t is Pierlala.
Men hem al van de baer afnam en leyden by zyn papa.
De vrienden zeyden al: kom kom, de dooden komen niet wederom.
Ik wel zey Pierlala, sa sa, ik wel zey Pierlala.
Als hy nu was in t graf, den tyd van omtrent een
halv uer,
de vrienden gingen meer verblyd als droef te saemen deur:
hij schupte t deksel van de kist, en kroop er uyt dat t niemand wist.
Ik leef zey Pierlala, sa sa, ik leef zey Pierlala.
En Pierlala ging recht naer huys en vond zyn naeste bloed
en vrienden met een groot gedruys daer twisten om zyn goed.
Hy greep den bessem meter haest, al die hem zag stond zeer verbaest.
Hier
uyt zey Pierlala, sa sa, hier uyt zey Pierlala.
1. Komt vrienden in het ronde, minnaars van ene stiel. Ik zal
u gaan verkonden hoe ik door t slijperswiel,
de kost verdien voor vrouw en kind, schoon blootgesteld aan sneeuw en wind.
Terlie-ieromterla, van
linksom, rechtsom draait mijne steen
door het roeren van mijn been, ju ju ju ju ju ju ju
ju.
2. De schoenmaker gezeten op ene pikkelstoel, zou kees en
droogbrood eten, maar als ik nood gevoel,
dan slijp ik tot de avond toe, en zo heb ik nooit arremoe.
3. De kleermaker maakt kleren voor acht stuivers per dag. Wil
hij zijn loon vermeren, hij snijdt meer dan hij mag.
Maar ik met mijne slijpersteen, ik win meer op een uur alleen.
4. De maalder moet graan malen tot in het fijnste meel. Hij
doet dubbel betalen voor zijne droge keel.
Maar ik, door iever en door vlijt, k win mijn brood in rechtveerdigheid.
5. Sa vrienden voor het leste: all ambachten zijn goed,
maar t mijn is toch het beste schoon ik soms slapen moet
op hooi of stro in ene stal, daar heb k den kost voor niemendal.
KOM,
VENDELJONGEN
Erbe
1. Kom, vendeljongen, een lied gezongen,
want jong zijn dat is fijn.
Geen zon of regen die houdt ons
tegen, omdat wij kerels zijn.
Wanneer de wimpels waaien en de vlammen laaien,
als de landsknechttrommel slaat:
Verder marcheren, niets kan ons
deren,
als het om Vlaand'ren gaat !
2. De zomermorgen maakt vrij van zorgen,
en recht ligt onze baan.
De sikkels blinken, de halmen
zinken, en ruisend valt het graan.
3. Geen slot of grendel weerhoudt ons
vendel, want leven dat is strijd.
Daarom wees moedig want dan komt
spoedig voor 't V.N.J. de tijd!
TROUWELIED
Jan W. Robrecht - P.J. Lemmer
Kom zing met mij een trouwelied dat weer mijn hartsnaar raakt
en mij op eigen grondgebied tot statenbouwer maakt.
Vertel mij van mijn eigen volk, traditie, zeden, taal,
wees mijn gevoels- en zieletolk in t grootse volksverhaal.
Houd hoog met mij het ideaal "voor vrijheid en voor recht",
waarvoor mijn vaderland betaald, was liever dood dan knecht.
Leer mij te eren - sterk in trots - min eigen Leeuwenvlag.
Wie durft te raken aan die rots wordt door mijn volk veracht.
Kom spoor mij aan om - eergetrouw - toch voorwaarts steeds te gaan,
naar t eigen grootse volksgebouw weer mijlpalen te slaan.
Mag, wanneer ik mijn kop neervlij, mijn erf en eer bewaard,
voor t nageslacht dat veilig zij rond warme, eigen haard.
Oorspronkelijke tekst van W.H. BOSHOFF
Kom sing met my 'n burgerlied wat aan my hartsnaar raak,
en my op eie grondgebied as staatmaker laat waak.
Vertel my van my eie volk, traditie, seed' en taal,
Wat my gevoel en siel vertolk, van volksverlee verhaal.
Hou hoog met my die ideaal "Vir vryheid en vir reg",
waarvoor my pa met bloed betaal, die Voortrekker moes weg.
Kom leer my eer en lief te hê my eie land se vlag,
en wie die reg my durf ontsê word deur my volk verag.
Kom spoor my aan om "Koers te hou" en voorwaarts steeds te trek.
Kom help my handhaaf en te bou, 'n Natietrots te wek.
Mag, wanneer ik my kop neerlê niks my gewete kwel,
geen nageslag wat ek mag hê vir pligsversuim my skel.
KRAMBAMBOULI
Krambambouli, zo wordt geheten, dat schuimend blond studentennat.
Wie zou d'r op d'aarde iets beters
weten, in alle pijn en smart als dat?
Van 's avonds laat tot 's morgens
vroeg, drink ik mijn glas krambambouli,
Krambimbambambouli, krambambouli.
En brandt mijn hoofd en mijne wangen, of
breekt mijn herte van verdriet,
Of krult mijn maag in duizend
tangen, of bibbert 't lijf gelijk een riet:
Ik lach met al de medici, en drink
mijn glas krambambouli,
Krambimbambambouli, krambambouli.
Waar ik als edelman geboren, Keizer
zoals Maximilliaan,
Ik stichtte een orde uitverkoren, en als devies hing ik daaraan:
Krambimbambambouli, krambambouli.
Krambimbambambouli, krambambouli.
Is moeders geld nog uitgebleven en heb ik
schulden met de macht,
Heeft t zoete lief me niet geschreven, de post van thuis droef nieuws gebracht,
Dan drink ik uit melancholie een schuimend glas Krambambouli,
Krambimbambambouli, krambambouli. Krambimbambambouli, krambambouli.
En is mijn geld al naar de donder, dan
peezuig ik van elke schacht.
Al heb ik geld, al zit ik zonder,
eens wordt 't heelal tot stof gebracht.
Want dat is de filosofie, naar de
geest van krambambouli,
Krambimbambambouli, krambambouli.
HET LINDENMEISJE
Jef Vanden Eynde (naar Keinen Tropfen im Becher mehr)
k Zoog uit t glas het laatste
nat, mijn beurs is leeg en plat, dorstig hart en tonge.
t Is de schuld van uwe wijn, uwer oogjes helle schijn,
Lindenmeisje, gij jonge. Lindenmeisje, gij jonge !
Nimmer schrijft men hier in t
krijt, wij zijn t laatste krijtje kwijt lacht het meisje lustig.
Hebt gij gene duiten meer, leg uw reiszak hier maar neer,
en drink op den, rustig. En drink op dan, rustig !
Zijne reiszak heeft de gast gauw voor ene
kruik belast, nu voor t scheiden zorgen.
t Meisje fluistert Jeugdig bloed, ghebt nog mantel, stok en hoed,
drink en laat ze borgen. Drink en laat ze borgen !
Zijne mantel, hoed en stok, ruilde hij voor
ene slok, sprak bedroefd Vervlogen,
O vaarwel gij koele drank, lindenmeisje jong en slank,
vreugde mijner ogen. Vreugde mijner ogen !
t Meisje fluistert nogmaals
Blijf, ghebt een hart nog in uw lijf, laat het mij te pande.
Wat gebeurde doe k u kond, op des meisjes rode mond
Warm een ander brandde. Warm een ander brandde !
Wie dit nieuwe liedje dacht zong het in de
zomernacht lustig in de winde.
Voor hem stond het schuimend nat, nevens hem het meisje zat,
Onder de bloeiende linde. Onder de bloeiende linde !