I
Ich weiss nicht, was soll
es bedeuten
Ick heff
mol en Hamborger veermaster sehn
Ick segh adieu
Ic wil van den Kaerle singhen
Iedere dag heeft weer zijn eigen zorgen
Ik ga zo graag op wandel
Ik ging op Hooglands
bergen staan
Ik had een wapenbroeder
Ik heb op zee mijn leven lang gevaren
Ik roem mij op een sterke broer
Ik zag Cecilia komen
Ik zie er dat Vlaanderen zo geren
Im tiefen Keller
In de Brugse catechismus
In de grote stad Zaltbommel
In de IJzervlakte bloeien wilde bloemen
In de schone lentedagen
In de stille glans der mane
In de stille Kempen
In de tijd der patriotten
In Dublins fair city
In een huis van onze stad
In einem Polenstädtchen
In naam van Oranje, doe
open de poort
In ons ogen is sterrengeflonker
In reine eenvoud klinkt het
In Vlaanderen
blinkt de hemel blauw
Io vivat, io vivat
I've been a wild rover
Terug naar alfabet
Terug naar inhoud per thema
ICH WEISS NICHT, WAS SOLL ES BEDEUTEN
Heinrich Heine - Friedrich
Silcher
Ich weiss nicht, was soll es bedeuten,
dass ich so traurig bin;
Ein Märchen aus alten Zeiten, das
kommt mir nicht aus dem Sinn.
Die Luft ist kühl und es dunkelt,
und ruhig fliesst der Rhein;
Der Gipfel des Berges funkelt, im
Abendsonnenschein.
Die schönste Jungfrau sitzet, dort oben
wunderbar;
Ihr goldnes geschmeide blitzet,
sie kämmt ihr goldenen Haar.
Sie kämmt es mit goldenen Kamme,
und singt ein Lied dabei;
Das hat eine wundersame, gewaltige
Melodei.
Den Schiffer im kleinen Schiffe,
ergreift es mit wildem Weh;
Er schaut nicht die Felsenriffe,
er schaut nur hinauf in die Höh'.
Ich glaube, die Wellen
verschlingen, am ende Schiffer und Kahn.
Und das hat mit ihrem Singen, die
Lorelei getan.
ICK HEFF MOL EN HAMBORGER VEERMASTER
SEHN
1.
Ick heff mol en Hamborger Veermaster sehn, to my hoodah, to my hoodah !
De
masten so scheef als den Schipper sien been, to my hoodah, hoodah ho !
Blow boys blow, for Californio.
There
is plenty of gold, so i am told on the bank of Sacramento.
2. Dat deck weur von Isen, vull Schiet und vull Schmeer.
"Rein Schipp" weur den
Käpten sin grötster Plaseer.
3. Dat Logis weur vull Wanzen, de
Kombüs weur vull Dreck.
De Beschüten, de leupen von
selben all weg.
4. Dat Soltfleesch weur greun, un de
Speck weur vull Moden.
Kom gäv dat bloss an
Wiehnachtsobend.
denn leup he dree vorut, und veer
wedder retur.
ICK SEGH ADIEU
Ick segh adieu, wi twee, wi moeten
sceiden. Tot op een nijen so wil ic troost verveijden.
Ic laet bi u dat herte mijn, want
waer ghi sijt, daer sal ic sijn.
Tsi vruecht otf pijn, tsi vruecht
oft pijn, altoos sal ic u vrij eijgen sijn.
HET KAERELSLIED
Julius De Geyter Florimond Van Duyse
1. Ic wil van den kaerle
singhen, al met sinen langen baert;
hine laet ghenen ruter hem dwinghen, ontembaer so is hi
van aert.
Ende of sine cleeder ontnaeit sijn, sin hooft mit een
hoetkin ghecapt;
ende mach sin caproen ooc verdraeit sijn, sin scoen
ende cousen ghelapt
Al eti maer wronghelen,
caes ende broot, al slaepti up stro ende cruut,
vri alset veulen en kenti gheen noot: ende lacht die
ruters uut !
2. Hi esser een vriman
gheboren, ter see, upt velt of int bosch.
Waerom sou gheen plek hem behoren, gheen plek vor een
paert oft een os ?
Die ruter heeft alles ghenomen, men loopet als hi
gebiet.
Bi dunen, bi vlacten, bi stromen, dat en doet die
kaerel niet !
3. Hine wert niet den ruter
een slave, ter kermesse blifdi gaen,
met ghespen, knijf ende stave, sin wijf met een
mantelkin aen.
Daer pijpen die cornemusen, daer springen ende dansen
si ront.
Daer swieren si lanx die husen, daer singhen suut luder
mont.
4. Sine wijf is een
vroudighe daerne, hi ploeght ende si, si spint,
hi cust ende blust se so gaerne, so winnen si kint up
kint.
Ter kermesse drinken si wine, want wine verhoghet
verstant,
nu esser die waerelt de sine, met steden, casteel ende
lant.
5. Si willen den kaerle
doen greinsen, al dravende over t velt:
hi es coener dan si wael peinsen, hine bevet voor gheen
ghewelt.
Si willen hem sleepen ende hangen, te lanc es haer sin
baert.
O ruter, als hi u moet vanghen, wi weter hoe ghi dan
vaert !
BEGROET IEDERE
DAG
J.Custers - A.Preudhomme
1.Iedre dag heeft weer zijn eigen morgen en een nieuw
begin.
Iedre dag heeft weer zijn eigen zorgen, ook zijn diepe zin.
Doe vandaag wat heden moet, doe het graag en doe het goed,
zorg gij dat de zonne schijnt tot aan het avondeind.
Begroet iedre dag,
hahahaha. Met stralend gezicht, hahahaha.
Begin met een lach, hahahahahahahaha, en denk
aan je plicht.
Moesten er soms wolken zijn, haha, wees dan
zelf de zonneschijn, haha.
Begroet ieder mens met een hartelijk woord,
denk aan je taak en doe voort !
2. Iedre dag heeft ook zijn eigen mensen met hun lief en
leed.
Ieder mens heeft zijn geheime wensen waarvan niemand weet.
Zorg dat zich een wens vervult, doe geen leed door eigen schuld,
geef aan elk wat hij verdient, maak ieder mens tot vriend.
![]()
DE WANDELAAR
Ferdinand
Vercnocke - Armand Preud'homme
1. Ik ga zo graag op wandel, op wandel
langs de zee.
Daar wieken witte meeuwen, naar
stranden over zee.
Ver is het doel, de weg nabij. Open de kim, en maak me vrij.
Wandelen, ja ja wandelen, ja ja
wandelen, ja ja ja wandelen jochei.
Wandelen, ja ja wandelen, ja ja
wandelen, ja ja ja wandelen jochei.
2. Ik ga zo graag op wandel, op
wandel door de hei.
Dan wil ik reizen, reizen, de
purp'ren kim voorbij.
Op alle verre wegen, vind ik mijn
vaderland.
IK GING OP HOOGLANDS BERGEN STAAN
Ik ging op hooglands bergen staan en zag ter zeewaart in,
ik zag een schipke zeilen, daar zaten drie ruiterkens in.
Een van die drie was naar mijn zin, een van die drie was naar mijn zin.
Dat allerjongste ruiterke dat in dat schipke zat,
dat bood mij eens te drinken de koele wijn uit t vat.
t Was van de beste die hij bezat, t was van de beste die hij bezat.
Wat zou ik met een trouwring doen, wat zou ik daarmee doen?
Ik, een zo arme dienstmeid en een gravenzoon?
Zeg wat zou ik daarmee doen, zeg wat zou ik daarmee doen?
IK HAD EEN WAPENBROEDER
Friedrich Silcher
Ik had een wapenbroeder, een beter vond
men niet.
De trommel sloeg ten strijde, hij
ging aan mijne zijde,
Al zingend 't zegelied. (2 maal)
Een kogel kwam gevlogen, gold het
mij, of gold het dij ?
Hij sloeg een wrede wonde, hij
viel voor mij ten gronde,
Als was 't een stuk van mij. (2
maal)
Wil mij dijn hand nog reiken, terwijl ik
even laad.
Kan dij mijn hand niet geven,
blijft du in 't eeuwig leven,
Mijn beste kameraad. (2 maal)
ZEEMANSLIED
1. Ik heb op zee mijn leven lang gevaren, mijn vissersdorp ligt aan het Noordzeestrand.
Ik win mijn brood met zwalpen op
de baren, toch denk ik vaak, mijn rijkdom ligt aan land.
Waar het lied der branding ruist bij dag en nacht.
Waar 't vertrouwde huisje
altijd op me wacht.
Waar de meeuwen schreeuwen,
boven 't golfgedruis.
Daar ben ik geboren, daar voel
ik me thuis.
Waar de klokken luiden:
"Visser vaar naar huis",
Daar ben ik geboren, Daar voel
ik me thuis.
2. Ik voel me klein wanneer de
stormen huilen, bij donk're nacht belust op zwakke buit.
Maar voor geen geld ter wereld wil
ik ruilen, mijn vrij bestaan als koning op mijn schuit.
JA LEIDER
Jozef Joossens Marcel Cornelis
Ik roem mij op n sterke broer, n makker bij
mn vechten,
die zich onwrikbaar vast en stoer door niemand ooit laat knechten.
Ja leider, is ons stil akkoord, mn slagzin en mn wapenwoord,
naast u, aan uwe zij, voel ik me sterk en blij.
Door u heb ik mn durf bewaard, de geestdrift van
mn dagen;
geleerd om kloek en onvervaard n zwaard en vlag te dragen.
Ja leider, is het reddend woord, het rukt en stuwt me dapper voort,
naast u, aan uwe zij, vecht ik me jong en vrij.
Mij hebt ge hand en hart gereikt, je leven weggeschonken.
Mij is, daar gij niet faalt noch wijkt, de moed nog nooit ontzonken.
Ja leider, is het reddend woord, het rukt en stuwt me dapper voort,
naast u, aan uwe zij, vecht ik me jong en vrij !
![]()
IK ZAG CECILIA KOMEN
Florimond Van Duyse
Ik zag Cecilia komen langs enen
waterkant,
Ik zag Cecilia komen met bloemen
in haer hand.
Zy zag naer haren herder, den
herder Floriaen,
Die ook zijn schaepkens weydd' al
langs dezelfde baen.
Cecilia ging aan 't zingen, haer
hert docht haer 't ontspringen.
Dit hoorde haren herder: hy kwam
by haer terstond,
En kuste zijn Cecilia, aen haren
roden mond.
![]()
HET LIED VAN NELE
J. De Maegt - Emiel Hullebroeck
Ik zie er dat Vlaand'ren zo geren ! Kent
gij de taal van mijn land ?
De taal is het niet van de Heren,
ik weiger die Heren mijn hand.
Mijn taal is de zon van mijn
gaarde, mijn taal is een lied van de mei,
Mijn taal is 't gebed van ons
aarde, en die erop trapt, trapt op mij !
Ik sta voor mijn Vlaams, 't Vlaams
van mijn land, van Vlaand'ren !
Ik zie er dat Vlaanderen zo geren ! Kent
gij het volk van mijn land ?
Het wroet om verlost van de Heren,
het eet er een roggenen kant.
Het zendt naar de IJzer zijn
helden, en Vlaanderen oogst er zijn loon:
Een kruiske van hout in de velden,
met spot van de Klauwaerts tot kroon !
Ik sta voor mijn volk, 't volk van
mijn land, van Vlaand'ren !
Ik zie er dat Vlaand'ren zo geren ! Kent
gij dat Vlaand'ren, mijn land ?
Mijn toren, die lacht om de Heren,
is daar bij mijn bomen geplant.
Mijn dak is er rood als mijn
rozen. Mijn rozen, ze bloeien voor mij.
En 't windeken speelt met mijn
dromen: ik droom er mijn Vlaanderen vrij !
Ik sta voor mijn land, 't land van
mijn hart, mijn Vlaand'ren !
IM
TIEFEN KELLER
Karl Müchler - Ludwig Fischer
Im tiefen Keller sitz' ich hier, bei
einem Fass voll Reben.
Bin guten Muts und lasse mir, vom
allerbesten geben.
Der Küfer zieht den Heber vor,
gehorsam meinen Winke,
Füllt
mir das Glas, ich hält's empor, und trinke, trinke, trinke.
Mich plagt ein Dämon, Durst genannt, doch um ihn zu verscheuen,
Nehm ich mein Deckelglas zur Hand,
und lass mir Rheinwein reichen.
Die ganze Welt erscheint mir nun,
in rosaroter Schminke.
Ich könnte niemand Leides tun,
und trinke, trinke, trinke.
Allein mein Durst vermehrt sich
nur, bei jedem frischen Becher;
Das ist die leidige Natur, der
alten Rheinweinzecher !
Doch tröst ich mich, wenn ich
zuletzt, vom Fass zu boden sinke:
Ich habe keine Pflicht verletzt,
ich trinke, trinke, trinke.
PINTJE
DRINKEN
Jef Lesage - Armand Preud'homme
1. In de Brugse catechismus staat te lezen
kort en goed
Dat men spijzen al wie honger, en wie dorst heeft laven moet.
Pintje klinken, pintje drinken, jongens
wat een zaligheid,
Wij doen mede aan dat tweede werkje van barmhartigheid.
Schuimend biertje, wat pleziertje, bruine buik met witte kol.
Kom Karleentje, tap nog eentje, vul de glazen boordevol!
2. Ook ons Here op de bruiloft maakte ras
van water wijn.
Spijtig dat wij toen in Kana niet aan tafel konden zijn.
3. Als de kwezels water drinken lacht in
d'hemel Sinte Pier,
Want de kost is daar voor eeuwig rijstepap met patersbier!
STAD
ZALTBOMMEL
1. In de grote stad Zaltbommel,
bommel, heerste grote watersnood.
En zo menig arme drommel, drommel,
die niet zwemmen kon ging dood.
En te midden van die rommel,
rommel, dreef de torenspits van Bommel, Bommel.
En te midden van die rommel,
rommel, dreef de torenspits in 't rond.
2. Op een vlot van houten planken,
planken, zat een grote herdershond,
zo erbarmelijk te janken, janken,
omdat hij zijn baas niet vond.
3. Een matroos met houten benen,
benen, en een rode zwembroek aan,
zat als een klein kind te wenen,
wenen, want zijn schip dat was vergaan.
IJZERVLAKTE
Jan
W. Robrecht Hans Baumann
In de IJzervlakte bloeien wilde bloemen
ongeremd.
Op naamloos graf vergeten van menig
Vlaamse held.
Alsof de gulle aarde, vergeten
dodenveld, heeft haar kleurenpracht,
Haar weelde, soldaten voorbestemd.
Heeft haar kleurenpracht, haar
weelde, soldaten voorbestemd
Waar de dood in wilde wreedheid maaide weg
wat jong en schoon,
Daar ploegen nu de erven, zij
schiepen nieuwe woon.
Zij bouwend voor hun sibbe rond oude
eikenboom,
weer een sterke wal van trouwe,
behoedend vrijheidsdroom.
Weer een sterke wal van trouwe,
behoedend vrijheidsdroom.
DE
KAREKIET
Edward De Keyser - Jan Broeckx
1. In de schone lentedagen, bij de oever van de vliet,
hoort men vaak een vogel zingen, lustig zingen in het riet.
En als gij zijn naam wilt weten, o, geloof me, vraag hem niet.
Want hij zegt hem hele dagen in zijn lustig kwetterlied !
Karekiet, kiet, kiet,
k woon in t riet, riet, riet,
Karekiet in het riet, maar ge vindt me toch niet !
Karekiet, kiet, kiet, ah, ge vindt me niet, om de
duivel niet !
2. Jantje Koek eet gaarne eiers, vogeleiers vindt hij goed,
en zo komt het dat hij heden in het bos zijn ronde doet.
Ei, wat hoort hij daar aan t water ? Wacht maar, kleine deugeniet,
ha, ge durft mij komen plagen met uw aardig spotterslied !
3. Jantje Koek kan t niet meer horen, woedend loopt hij
van de dijk.
Maar in plaats van t nest te vinden schiet hij netjes in het slijk.
En als Jan er nog niet uit is, ja, dan steekt hij er nog in.
Maar
nog zingt het karrekietje t lustig liedje blij van zin !
In de
stille glans der mane drijven wals een lichte veer,
langs de gladde waterbane op en af
en heen en weer.
Bootje
ga, en keer straks weder zonder zeil en zonder mast;
bootje, draag ons op en neder,
spelend met uw kleine last.
Niets te
vrezen, niets te mijden, niets zo ver het oge ziet.
Ruist, gij wilgen, langs de weiden,
zing ons zacht een varenslied.
IN DE
STILLE KEMPEN
E. De Ridder - A. Preudhomme
1. In de stille Kempen, op de purpren hei, staat een eenzaam
huisje met een berk erbij.
En een zomeravond, in gedroom alleen, kwam ik ongeweten langs dit huisje heen.
dat is hier op aarde de hemel voor mij. (bis)
2. In het
eenzaam huisje zat een meisje, ach, lijk ik nergens anders ooit een meisje zag.
Door het venster keek ze mij verlegen aan, schoof t gordijntje toe en is maar
opgestaan.
3.
Maar wat heeft de liefde ook hier niet verricht ? Want nu schuift t gordijntje nooit meer voor me dicht.1. In den tijd der Patriotten, toen er
oorlog was ontstaan,
Moest het mansvolk zonder loten, meestendeels ten strijde gaan.
Keervers: Laïtjoelalalalalala,
laïtjoelalalalalala, laïtjoelalalalalala, laïtjoelalalala.
(Ook: Laïtjoelalalalalaliere, laïtjoelalalalalala, laïtjoelalalalalaliere,
laïtjoelalalala)
2. Zeker Tist moest ook vertrekken, schoon
hij nooit in t oorlogsvuur,
Eenen sabel had zien trekken, dus scheen dit hem bliksems zuur.
3. Hij kon er niet afgeraken; na een lang
en veel beraad,
Liet zich Tist zeer spoedig maken, eene groote kopren plaat.
4. Jan, de snijder, werd geroepen; Tist
zei: meester, t gaat er wreed !
k Moet vertrekken naar de troepen, maak me gauw een pak gereed.
5. Op het hart, of wat er neven, moet die
plaat gevestigd zijn;
Jan zag wel aan Tist zijn beven, waar hij moest geharnast zijn.
6. Jan, voorziende Tist zijn daden, naait
hem, volgens zijn verzoek;
Deze plaat, met sterke draden, juist van achter op zijn broek.
7. Tist vertrekt;.. na korte dagen komt de
vijand op hem af;
Tist kroop achter struik en hagen, als hij hoorde: Pif, poef, paf !
8. Bang, op t laatste, als een vogel
koos hij rap het hazenpad;
Ziet ! In t lopen treft een kogel hem vlak achter op zijn gat !
9. Hemel ! Roept hij, wondre stukken
! Tastende naar zijne plaat,
Dat wil nu precies toch lukken dat mijn harnas daar nu staat.
10. Waarlijk ! Sprak hij op het leste, toen
hij wat bedaarder werd:
Jan
de snijder, wist het beste waar de plaats is van mijn hert !
COCKLES AND
MUSSELS
1.
In Dublin's fair city, where girls are so pretty,
I
first set my eyes on sweet Molly Malone.
As
she wheel'd her wheel-barrow, trough streets broad and narrow,
Crying:
"Cockles and Mussels, alive, alive oh". Alive, alive oh ! Alive, alive oh !
Crying:
"Cockles and Mussels, alive, alive oh".
2. She was a
fishmonger, and sure 't was no wonder,
for
so were her father and mother before;
And
they each wheel'd their barrow, through streets broad and narrow,
and
that was the end of sweet Molly Malone;
Her
ghost wheels her barrow, through streets broad and narrow,
ANNE-MARIEKE
J.Custers - A.Preudhomme
1.
Anne-marieke, Anne-marieke.
En dan hoor je heel de dag, hahahaha, stralend met haar helle lach, hahahaha,
Anne-marieke, Anne-marieke.
Anne-marieke met je
haren in de wind, Anne-marieke fris en vrolijk kind.
Anne-marieke die mij wacht in liefd en
trouw,
2.
Anne-marieke, Anne-marieke.
Blijf toch altijd even blij, hahahaha, steeds dat heerlijk kind van mij, hahahaha,
Anne-marieke, Anne-marieke.
Anne-marieke, Anne-marieke.
En voor altijd zij aan zij, hahahaha, gaan we samen, ik en gij, hahahaha,
Anne-marieke, Anne-marieke.
IN EINEM POLENSTÄDTCHEN
In einem Polenstädtchen, da lebte
einst ein Mädchen, das war so schön.
Sie war das allerschönste Kind,
das man in Polen findt.
"Aber nein, aber nein,"
sprach sie, "Ich küsse nie".
Ich führte sie zum Tanze, da fiel aus ihrem Kranze, ein Röslein rot.
Ich hob es auf von ihrem Fuss, bat
sie um einen Kuss,
"Aber nein, aber nein,"
sprach sie, "Ich küsse nie".
Als nun
der Tanz zu Ende, reicht sie mir beide Hände, zum erstenmal.
Sie lag in meinem, meinem Arm, mir
schlug das Herz so warm,
"Aber nein, aber nein,"
sprach sie, "Ich küsse nie".
Und in der Trennungsstunde, da kam aus
ihrem Munde, das eine Wort:
"So nimm, du Allerliebster
dir, den ersten Kuss von mir.
Vergiss Maruschka nicht, das
Polenkind !"
LIEDJE VAN KOPPELSTOCK DE VEERMAN
A.J. Schooleman
In Naam van Oranje, doet open de poort: de
watergeus ligt aan de wal.
De vlootvoogd der Geuzen, hij maakt
geen akkoord, hij vordert den Briel of uw val.
Dat is het bevel van Lumey op mijn
eer; en burgers, hier baat nu geen tegenstand meer,
De Watergeus komt om den Briel. (2
maal)
Een ogenblik nog en zij stappen aan
land, zij wachten bericht binnen 't uur.
Gij moogt dus niet dralen, doet open
de poort ! Dan nemen de Geuzen terstond zonder moord
Bezit van de vesting den Briel ! (2 maal)
Komt geeft de verzek'ring, 'k moet spoedig
terug, de klok heeft het uur reeds gemeld.
Ik zeg 't u, geeft gij mij de
sleutels niet vlug, dan is reeds uw vonnis geveld.
De wakkere Geuzen staan tandknarsend
daar, zij wetten hun zwaarden en maken zich klaar,
En zweren: "de dood of den
Briel" ! (2 maal)
Hier dringt men naar buiten, daar schoolt
men bijeen, en spreekt over Koppelstocks last:
"De stad in hun handen, of
anders de dood..", 't besluit tot het eerste staat vast !
Maar nauwelijks is daarmee de
voorman gevleid, of Simons de Rijck heeft de poort gerammeid,
En zo kwam de Geus in den Briel ! (2
maal)
JEUGDLIED
Wies Moens - Gaston Feremans
1. In ons ogen is sterrengeflonker, in ons
hart schijnt de zon elke dag.
Onze lach zet een licht in het
donker, onze wil is een wapp'rende vlag.
Komt bij, komt bij, al die jong zijt komt bij,
naar ons kamp voeren groenende wegen.
Waar de jeugd rukt te gaar, tot
een dapp're, dapp're schaar,
schenkt het leven zijn zegen.
2. Fris en hard klinkt het lied onzer
dagen, fris en hard zo wij zelf willen zijn.
Ons de durf, ons het moedige wagen,
die het bloed vonken doen zoals wijn !
3. Volk, uw jeugd heeft de wekroep
vernomen, sta voor 't grote van morgen gereed !
In het vuur van haar guldene dromen
wordt een duurzame kroon u gesmeed.
HET LIED
V.A. De la Montagne - Jan Blockx
In reine eenvoud klinkt het uit aller hart en mond;
in alle talen zingt het de ganse wereld rond, de ganse wereld rond.
t Galmt van der bergentoppen in groene dalen voort,
alom waar harten kloppen, het frisse volkenwoord;
alom waar harten kloppen, het frisse volkenwoord.
t Vindt kinderlijke klanken voor heilge
moedertrouw;
t vindt woorden als gezangen voor daangebeden vrouw, voor daangebeden
vrouw.
Het brengt waar tranen vloeien en in de zonnge woon,
waar liefd en vreugde bloeien, de eigen rechte toon;
waar liefd en vreugde bloeien, de eigen rechte toon.
t Strooit op de levenspaden, als groen bekranste fee,
de milde, blijde zaden van hoger rust en vree, van hoger rust en vree.
Het brengt met licht en klaarheid het lijdend hart zijn groet;
eenvoudig als de waarheid, rein als het volksgemoed;
eenvoudig als de waarheid, rein als het volksgemoed.
IN VLAANDEREN BLINKT DE HEMEL BLAUW
Guido Gezelle - Okt. De Hovre
1. In Vlaand'ren blinkt de hemel blauw,
gelijk op alle stranden.
In Vlaand'ren straalt de
morgendauw, gelijk in and're landen.
De maan bij ons is geen godin,
maar 't beeld der zuiv're Maged,
de Moeder van de zoete Min, wier
't Vlaamse hert behaget.
Mijn Vlaand'ren spreekt een
eigen taal; God gaf elk land de zijne.
En, laat ze rijk zijn, laat ze
kaal: z'is Vlaams, en z'is de mijne !
2. Lijk elders riekt de roos hier
goed, hier klinkt der vog'len tale.
En Philomene zingt er zoet, al
heet zij nachtegale.
De jonge wiedster galmt heur lied,
van 's morgens vroeg aan 't polken,
en z'antwoordt dien ze niet en
ziet: den leeuwer'k in de wolken.
Io vivat,
io vivat, nostrorum sanitas !
Hoc est amoris poculum, doloris est
antidatum.
Io vivat, io vivat, nostrorum
sanitas !
Io vivat,
io vivat, nostrorum sanitas !
Dum nihil est in poculo, jam repleatur
denuo.
Io vivat, io vivat, nostrorum
sanitas !
Io vivat,
io vivat, nostrorum sanitas !
Nos jungit amicitia, et vinum praebet gaudia.
Io vivat, io vivat, nostrorum
sanitas !
Io vivat,
io vivat, nostrorum sanitas !
Est vita nostra brevior, et mors amara
longior.
Io vivat, io vivat, nostrorum
sanitas !
Io vivat,
io vivat, nostrorum sanitas !
Osores nostri pereant, amici semper floreant
!
Io vivat, io vivat, nostrorum
sanitas !
Io vivat,
io vivat, nostrorum sanitas !
Jam tota Academia, nobiscum amet
goudia.
Io vivat, io vivat, nostrorum
sanitas !
THE WILD ROVER
1. I've been a wild rover for many's the year,
And
I've spent all me money on whiskey and beer.
But
now I'm returning with gold in great store,
And I never will play the wild rover no more.
And it's no, nay,
never ! No, nay, never, no more,
Will I play the
wild rover, No, never, no more.
2. I went to an alehouse I used to frequent,
And
I told the landlady my money was spent.
I
asked her for credit, she answered me:
"Nay, such custom as yours could I have every day".
3. I brought up
from my pockets ten souvereigns bright,
And
the landlady's eyes opened wide with delight.
She
said: "I have whiskeys and wines of the best,
And
the words that I told you were only in jest".
4. I'll go home to
my parents, confess what I've done,
And
I'll ask them to pardon their prodigal son.
And
when they've caressed me as oft times before,
I never will play the wild rover no more.