H
Heb je van de Zilveren
Vloot wel gehoord
Heb je wel gehoord (De zevensprong)
Heer Halewijn zong een liedekijn
Heer, laat het prinsenvolk
der oude Nederlanden
He-Ho, span de wagen aan
Heilig, heilig, heilig
Heimwee doet ons hart
verlangen
Hei, zo jagen wij de winter weg
Hertog Alva
Het Geigerken begint
Het klokske van Kafarnaom
Het vendel leert marsjeren
Het vendel moet marsjeren
Het Vlaamse heir staat immer pal
Het voorjaar gaat komen
Het waren twee conincskinderen
Het weer is guur, de winter nadert
Het welige landschap van Haspengouw
Het wies in Denemarken
Het zwartbruine bier dat drink ik zo geern
Hier is onze fiere Pinksterblom
Hier 's ek weer
Hier staan tot afscheid weer de
broers
Hier zijn wij tesamen om leutig te doen
Hijst de vlag in de wind
Hij vleide geen groten der wereld
Hoe ry die boere
Hoge vrouwe in de hemel
Hojo, hojo, hojo, wij zijn een Jeugdverbond
Hoog op de gele wagen
Hoog zwaait de hamer
Hoor de vlammende trommen weer
dreunen
Hoor de wekroep van de jeugd
Hoor helder de roep: nieuw leven
ontwaakt
Hoort gij de trommel die gaat door de nacht
Hoort in de morgen een rouwig lied
Hoptierelier
Houdt u fier en ziet niet omme
Terug naar alfabet
Terug naar inhoud per thema
TRIOMFANTELIJK
LIED VAN DE ZILVERVLOOT
Jan Piet Heye - J.J. Viotta
1. Heb je van de Zilveren Vloot wel
gehoord, de Zilveren Vloot van Spanje ?
Die had er veel Spaanse matten aan
boord en appeltjes van oranje !
Piet Hein, Piet Hein, Piet Hein zijn naam is klein. Zijn daden bennen groot, (2 maal)
Die heeft gewonnen de
Zilvervloot. Die heeft gewonnen, gewonnen de Zilvervloot.
2. Zei toen niet Piet Hein met een alwarig woord: " Wel, jongetjes van Oranje,
Kom klim 'reis aan dit en dat
Spaanse boord, en rol me de matten van Spanje."
3. Klommen niet de jongens als
katten in 't want, en vochten ze niet als leeuwen ?
Ze maakten de Spanjers duchtig te
schand, tot Spanje klonk hun schreeuwen.
4. Kwam er nou nog eenmaal zo'n
Zilveren Vloot, zeg, zou jullie nog zo kloppen ?
Of zoudt gij U veilig buiten
schoot maar stil in je hangmat stoppen ?
Wel, Neerlands bloed, dat bloed
heeft nog wel moed ! Al bennen we niet groot, (2 maal)
We zouên winnen een Zilv'ren
Vloot, We zouên winnen, nog winnen een Zilvervloot !"
DE
ZEVENSPRONG
Heb je wel gehoord van de zeven, de zeven, heb je wel gehoord van de zevensprong?
Ze zeggn dat ik niet dansen kan!
Ik kan dansen als een edelman. Dat is één.
(van begin herhalen) Dat is twee (enz)
1. Heer Halewijn zong een
liedekijn, al die dat hoorde wou bij hem zijn, al die dat hoorde wou bij hem zijn.
2. En dat vernam een koningskind, die was zo schoon en zo bemind, die was zo schoon
en zo bemind.
3. Zij ging al voor haar vader staan: och vader, mag ik naar Halewijn gaan, och
vader, mag ik naar Halewijn gaan?
4. Och neen, gij dochter neen gij niet, die derwaart gaan en keren niet, die
derwaart gaan en keren niet.
5. Zij ging al voor haar moeder staan: och moeder, mag ik naar Halewijn gaan, och
moeder, mag ik naar Halewijn gaan?
6. Och neen, gij dochter, neen gij niet, die derwaart gaan en keren niet, die
derwaart gaan en keren niet.
7. Zij ging al voor haar zuster staan: och zuster mag ik naar Halewijn gaan, och
zuster mag ik naar Halewijn gaan ?
8. Och neen, gij zuster neen gij niet, die derwaart gaan en keren niet, die
derwaart gaan en keren niet.
9. Zij ging al voor haar broeder staan: och broeder mag ik naar Halewijn gaan, och
broeder mag ik naar Halewijn gaan?
10. 't Is mij al eens waar dat gij gaat als gij uw eer maar wel bewaart en gij uw
kroon naar rechten draagt.
11. Toen is zij op haar kamer gegaan en deed haar beste kleren aan, en deed haar
beste kleren aan.
12. Wat deed zij aan haren lijve, een hemdeke fijner als zijde, een hemdeke fijner
als zijde.
13. Wat deed zij aan? Haar schoon korslijf, van gouden banden stond het stijf, van
gouden banden stond het stijf.
14. Wat deed zij aan? Haar rode rok, van steke tot steke een gouden knop, van steke
tot steke een gouden knop.
15. Wat deed zij aan? haar keerle: van steke tot steken een peerle, van steke tot
steke een peerle.
16. Wat deed zij aan haar schoon blond haar? Een krone van goud en die woog zwaar,
een krone van goud en die woog zwaar.
17. Zij ging al naar haar vaders stal en koos daar 't beste ros van al, en koos
daar 't beste ros van al.
18. Zij zette haar schrijlings op dat ros, al zingend en klingend reed zij door 't
bos, al zingend en klingend reed zij door 't bos.
19. Als zij te midden 't bos mocht zijn, daar vond zij dan heer Halewijn, daar vond
zij dan heer Halewijn.
20. Gegroet, zei hij en kwam tot haar, gegroet schoon maagd, bruin ogen klaar,
gegroet schoon maagd, bruin ogen klaar.
21. Zij reden met malkander voort, en op de weg viel menig woord, en op de weg viel
menig woord.
22. Zij kwamen bij een galgenveld, daar hing zo menig vrouwenbeeld, daar hing zo
menig voruwenbeeld.
23. Alsdan heeft hij tot haar gezeid: mits gij de schoonste maged zijt, zo kiest uw
dood, het is nog tijd.
24. Wel, als ik hier dan kiezen zal, zo kies ik dan het zweerd voor al, zo kies ik
dan het zweerd voor al.
25. Maar trekt eerst uit uw opperst kleed want maagdenbloed dat spreidt zo breed,
zo 'tn u bespreidde, 't waar mij leed.
26. Eer dat zijn kleed getogen was, zijn hoofd lag voor zijn voeten ras, zijn tong
nog deze woorden sprak:
27. Gaat ginder in het koren en blaast daar op mijn horen, dat al mijn vrienden 't
horen.
28. Al in het koren ga ik niet, op uwe horen blaas ik niet, moordenaars raad en doe
ik niet.
29. Gat ginder onder de galge en haalt daar een pot met zalve, en strijkt die aan
mijne rode hals.
30. Al onder de galge en ga ik niet, uw rode hals en strijk ik niet, moordenaars
raad en doe ik niet.
31. Zij nam het hoofd al bij het haar, en waste 't in een bronne klaar, en waste 't
in een bronne klaar.
32. Zij zette haar schrijlings op het ros, al zingend en klingend reed zij door 't
bos, al zingend en klingend reed zij door 't bos.
33. En als zij was ter halve baan kwam Halewijns moeder daar gegaan: schoon maagd
zaagt gij mijn zoon niet gaan?
34. Uw zoon heer Halewijn is gaan jagen, g'en ziet hem weer uws levensdagen, g'en
ziet hem weer uws levensdagen.
35. Uw zoon, heer Halewijn, is dood, ik heb zijn hoofd in mijne schoot, van bloed
is mijne voorschoot rood.
36. Toen z'aan haar vaders poorte kwam, ze blaasde de horen als een man, ze blaasde
de horen als een man.
37. En als de vader dit vernam, 't verheugde hem dat zij weder kwam, 't verheugde
hem dat zij wederkwam.
38. Daar werd gehouden een banket, het hoofd werd op de tafel gezet, het hoofd werd
op de tafel gezet.
![]()
GEBED VOOR HET VADERLAND
G.R. Pirijns - Gaston Feremans
Heer, laat het prinsenvolk der oude
Nederlanden,
niet ondergaan in haat, in
broedertwist en schande.
Maak dat uit d'oude bron nieuw
leven nogmaals vloeit.
Schenk ons de taaie kracht, om
fier vol vroom vertrouwen,
met nooit gebroken moed ons land
herop te bouwen.
Tot statig als een eik voor U ons
volk herbloeit !
![]()
HE, HO !
He, ho ! Span de wagen aan,
want de wind brengt regen over 't land.
Haal de gouden garven, haal de
gouden garven, he, ho !
(Ook: He-ho, spann den
Wagen an, seht der Wind treibt Regen übers Land !
Holt die gold'nen Garben, holt die gold'nen Garben.
Oorspronkelijk: Hey ho, nobody at home ? Meat nor drink nor money have I none,
yet will I be merry, yet will I be merry)
ZUM SANCTUS
Fr. Schubert
Heilig, heilig, heilig,
heilig is de Heer.
1. Hij, de eeuwig zijnde, levend voor de tijd, Hij die zonder einde heerst in eeuwigheid.
2. Macht, mysterie, liefde, straalt door alles heen, heilig, heilig, heilig, heilig Hij alleen.
Heilig, heilig, heilig,
heilig ist der Herr.
1. Er, der nie begonnen, Er, der immer war, ewig ist unt waltet, sein wird immer dar.
2. Allmacht, Wunder, Liebe, alles ringsumher. Heilig, heilig, heilig, heilig ist der Herr.
![]()
HEIMWEE
DOET ONS HART VERLANGEN
Jozef
Simons - Armand Preud'homme
Heimwee doet ons hart verlangen, naar de
heimat onzer jeugd.
Naar de bronzen klokkezangen, zwaar
van rouw of hel van vreugd.
Zangen uit de oude toren, hij die
waakt en verre schouwt,
Over 't dorpje droomverloren,
kronk'lend aan zijn voet gebouwd.
Heimwee doet ons hart verlangen,
naar de geur van brem en hei.
Naar de weiden mist-omhangen, op een
morgen in de mei.
Heimwee naar het blonde koren, naar
het dennebos vol peis,
Naar de vennen stijfgevroren, waar
wij slierden op het ijs.
Heimwee doet ons hart verlangen,
naar de ouderlijke haard.
Met zijn rust niet te vervangen, met
zijn vrede wel bewaard.
Heimwee naar de zomerwinden, heimwee
naar het zoet geruis,
In de kruin der groene linden, voor
ons oude pannenhuis.
HEI, ZO JAGEN WIJ
DE WINTER WEG
Cesar Bresgen
Hei, zo jagen wij
de winter weg, jagen hem uit onze tuin en heg,
wij brengen hem te schande, hij vlucht uit onze landen,
wij jagen hem langs weg en baan, want nu breekt weer de lente aan.
Hei, zo jagen wij de winter weg !
![]()
HERTOG ALVA
Erbe
Hertog Alva, Hertog Alva rukt op naar
Nederland.
Zijn weg is brand, zijn weg is
dood.
Hij zwaait zijn somb're fakkel rood over Nederland.
Hertog Alva, Hertog Alva ziet gij die rode gloed
die boven dokere stapels stijgt ?
Ziet gij hoe blonde heksen sterven voor Nederland.
Hertog Alva, Hertog Alva er komt
een kwade dag:
want Geuzenmoed en watervloed
die zullen eens bevrijden 't volk van ons lage land.
HET
GEIGERKEN
Het geigerken begint, het jubelt en zingt.
Het geigerken begint, het jubelt en
zingt.
De klarinet, de klarinet, speelt
doewa, doewa, ja zo net.
De klarinet, de klarinet, speelt
doewa, doewa, ja zo net.
Trompetten
die schett'ren, tatarata tara tara tara tara.
Trompetten
die schett'ren, tatarata tara tara tara ta.
De hoorn, de hoorn, die roept het
uit.
De hoorn, de hoorn, die roept het
uit.
De pauk heeft het licht, want hij
speelt slechts twee noten:
sol do, do sol, boem boem boem boem
boem.
(Canon 1) Het
klokske van (2) Kafarnaom (3) hangt in de to- (4) ren stil en stom
maar gaat soms, men weet niet waarom, aan t luiden bim bam bom.
En luidt dat klokske bim bam bom, dan loopt al t volk van rommedom,
ja jong en oud en recht en krom, draaft naar Kafarnaom.
Doch eindigt te Kafarnaom het klokske met zijn bim bam bom,
dan loopt al t volk naar huis weerom
en scheldt de klok voor stom en (4) dom en (
3) dom en (2) dom en (1) dom.
![]()
HET VENDEL LEERT MARCHEREN
Jan Custers - Klaus Van Kempen
1. Het vendel leert marcheren, vele
maanden dag aan dag,
met ransel en geweren, tot het weer
naar huis toe mag.
Als 't vendel dan voorgoed verlof zal geven,
voor 't laatst marcheren zal naar
de soldatentrein,
de heimat tegemoet voor gans het
leven,
dan zal soldatenpijn heel vlug vergeten zijn.
M'n lieve kleine meid, zo ver
vandaan,
dan blijf ik voor altijd bij jou voortaan.
Dan keer ik weer naar huis, mijn
lieve kleine meid,
m'n heerlijk meisje in 't heimatland.
2. Het vendel geeft ons kleren, want
het vendel heeft geen nood.
Toch wil ik wederkeren, moeder geeft
ons spek en brood.
![]()
HET VENDEL
Jan Hoogensteyn - Rond 1560
Het vendel moet marcheren, want Vlaanderen
is in nood.
Sint Joris geef ons kleren, geef ons
soldij en brood.
Dat wij geen koude lijden, geef ons
de boer zijn wijn,
Zijn wolhemd en zijn duiten, dat kan
geen zonde zijn !
Marcheer, landsknecht, marcheer !
Wij slikken stof bij 't wandelen,
verstomd zijn lied en lach;
De keizer slikt heel Vlaanderen, hij
heeft een sterke maag !
Hij denkt al onder 't kauwen, aan
nieuwe roem en eer,
Thuis weent een blonde vrouwe, als
ik niet wederkeer.
Marcheer, landsknecht, marcheer !
De tamboer slaat parade, Sint Joris
sterke held,
Bescherm ons in genade, het vendel
trekt te veld.
De pijper wil niet fluiten, wij
trekken stil en stom,
Over die groene heide, opwaarts naar
Berg-op-Zoom.
Marcheer, landsknecht, marcheer !
![]()
GROENINGE
Guido Gezelle - Jef Van Hoof
Het Vlaamse heir staat immer pal, daar 't
winnen of daar 't sterven zal !
Alhier, aldaar aan lange lansen, de
leeuwen dansen.
De winden schudden met geweld, de zwarte blomme in 't geluw veld;
de kwaden zien, benêen de transen
de leeuwen dansen !
Met bezemen zo komen z'af, om 't
Vlaamse volk af te rans'len,
als ijdel kaf dat 't zweerd onweerd
is. De leeuwen dansen ! (3 maal)
Harop ! Harop, de trompe steekt, de boeien los, de banden breekt.
Ten vijand in ! Dat op zijn schansen de leeuwen dansen !
Sta vuist en voet de vane omtrent !
En gij die God noch ere en kent,
ruimt bane, eer op uw vege bansen de
leeuwen dansen ! (3 maal)
![]()
HET VOORJAAR
Het voorjaar gaat komen, het groen tooit de bomen.
Het gras is weer groen en de
vogels zingen blij: tralala...
Laat liederen horen, de lent' is geboren.
De herder die speelt op zijn oude
schalmei: tralala...
Het waren twee conincskinderen, si hadden malcandren soo lief.
Si conden bieen niet comen, het water was veel te diep.
Wat deed si ? Si stac op drie keersen als s avonts het dagelicht sonc.
Och liefste comt, swemt er over. Dat
deed sconincs sone: was jonc.
Dit sach daer een oude queene, een al soo vilijnich vel.
Si ghink er dat licht uytblasen, doen smoorde die jonghe held.
Och moeder mijn liefste moeder, mijn hoofdjen doet mijnder soo wee.
Mocht ick er een wijle gaen wandelen, gaen wandelen langs de zee.
Och visscher, zoo sprac si, visscher, mijns vaders visscherkijn,
gi soudt er voor mi eens visschen, het sal u ghelonet sijn.
Hi smeet sine netten in t water, de loodekens ginghen te gront,
int corte so was daer
ghevisschet des conincs sone was jonc.
Wat trok si van haren hande, een vingerlinc roode van goud.
Houd daer, seide si, goede visscher, dees vingerlinc roode van goud.
Si nam doen haer lief in haer armen en custe hem aen sine mont.
Och mondeken cost gi nog spreken, och herteken, waert gi gesont.
HET WEER IS GUUR
Bernard Zweers - L. De Rop
Het weer is guur, de winter nadert, het zonnetje gaat al vroeg ter rust.
Geen vogeltje heeft in zingen lust want alle bomen zijn ontbladerd.
Want alle bomen zijn ontbladerd.
En 't laatste bloemken in den hof verwelkte en boog neer in 't stof.
HASPENGOUW
L.Swerts - Armand Preudhomme
Het welige landschap van Haspengouw, het perelt des morgens in
zonnedauw.
Het schittert te middag in bloesempracht, het draagt in de avond zijn vruchtenpracht,
en geurt of het Vlaanderen balsmen wou, en geurt of het Vlaanderen balsmen
wou.
De boomgaarden bloeien
in Haspengouw, het land is zo mooi als een jonge vrouw.
Zo mooi als de statige koningspauw; de heerlijkste
ruiker is Haspengouw.
De vruchtbare velden van Haspengouw, gelijnd ligt hun bodem in
veie vouw,
Waar t koren zal golven in julibrand, de biet zal gedijen tot volle mand:
Een glorie van Vlaanderens akkerbouw, een glorie van Vlaanderens akkerbouw.
De nijvere mensen van Haspengouw, dontginnende monnik,
Sint Trudo, trouw.
Ze ploegen en planten en plukken fruit, en voeren de welvaart hun boomgaard uit.
De mensen van Vlaanderens rijkste gouw, de mensen van Vlaanderens rijkste gouw.
SAGE VAN KONING HAGEN
Albrecht Rodenbach - Lodewijk Mortelmans
Het wies in Denemarken een edel koningskind,
zijn vader die hiet Siegeband, zijn moeder Siegelind.
Het edel kind hiet Hagen, dat is ons wel bekend.
Het wies geen wilder degen, noch in t ronde noch omtrent.
De koning pleegde kortswijl met rikken welgemoed.
Helaas dat veler blijdschap in droefheid keren moet.
Terwijl de degens vierden in scherts in in boehoerd,
door enen grijfen overgroot werd t edel kind ontvoerd.
Hij droeg het door de wolken op ver en eenzaam strand.
In t nest des grijfens, Hagen de schoonste maged vand.
Des grijfens jongen reikten en dorsten naar haar bloed:
de held doow al de grijfens dood, hij was van hoge moed.
HET ZWARTBRUINE BIER
(naar: Das schwarzbraune Bier)
1. Het zwartbruine bier dat
drink ik zo geern,
Ei gij, ei gij, ei gij
bekoorlijk dudeldudeldij,
juvivallerallera, juvivallerallera, en ge laat geen
rust aan mij.
2. Het meisje heeft twee
oogskens fijn,
3. Het meisje heeft een
rozige mond,
4. Het meisje heeft een
rozige kin,
5. Het meisje heeft een
hertekijn,
HIER IS ONZE FIERE PINKSTERBLOM
Hier is onze fiere Pinksterblom en ik zou
hem zo graag eens wezen,
met zijn mooie kransen om het hoofd en met zijn klinkende bellen.
Recht is recht, krom is krom, belief je wat te geven voor de fiere Pinksterblom,
want de fiere Pinksterblom moet voort.
Boer ik vraag jou voor de laatste keer, heb
je soms nog takkenbossen.
In het donker stoken wij ons vuur dat flikt en vlamt en knettert.
Vuur en vlam, rook en smook, zeg danst misschien jouw mooie Trientje deze avond ook,
met de fiere Pinksterblom in t rond.
![]()
EK SAL JOU KRY
Hier 's ek weer, hier 's ek
weer, met my rooirok voor jou deur.
Ek wil jou hê, ek sal jou kry.
Hier 's ek weer, hier 's ek weer,
met my rooirok voor jou deur.
Ek wil jou hê, ek sal jou kry.
Al slaan my ma my driemaal op my
kop, dan staan ek op, en kom ek weer.
Hier 's ek weer, hier 's ek weer, met my kakiebroek geskeur.
Ek wil jou hê, ek sal jou kry.
Hier 's ek weer, hier 's ek weer,
met my kakiebroek geskeur.
Ek wil jou hê, ek sal jou kry.
Al slaan jou ma my driemaal op my
kop, dan staan ek op, en kom ek weer !
![]()
HIER STAAN TOT AFSCHEID
naar "Auld lang syne",
Burns - Schotse melodie
1. Hier staan tot afscheid weer de
broers, in 't rond bijeen geschaard,
en deze vrome dagen blijven diep
in 't hart bewaard.
Ik zeg u geen vaarwel, mijn broer, dra zien w'elkander weer.
Zodra de lente komt in 't land,
zien wij elkander weer.
2. Dat elk nu neem zijn broeders
hand, en houde vastgesnoerd.
Zo gaan wij zonder wijken, langs
de baan waar God ons voert.
3. Veel zal'ge uren sleten wij als
broeders hier tegaar.
Dat God dit gastvrij huis en zijn
bewoners wel bewaar.
Oorspronkelijk:
Should auld acquaintance be forgot, and never brought to min' ?
Should auld acquaintance be forgot, and days o' lang syne ?
For auld lang syne my dear, for auld lang syne,
we'll tak' a cup o' kindness yet for auld lang syne.
Hier zijn we te samen om leutig te doen, sa
broederkens Ergo Bibamus !
De glazekens lachen, toe geeft ze nen zoen, en hertlijker Ergo Bibamus !
Dat is nu het eerst en het enige woord, dat past in t begin en het past immer
voort,
De lustige echo van t feestelijk oord, het heerlijke Ergo Bibamus, het
heerlijke Ergo Bibamus !
Ons hart is nog jong en ons lied klinkt nog
hel, ons feestelijk Ergo Bibamus !
En moeten we scheiden, als laatste vaarwel, zo blijve t ons Ergo Bibamus
!
Dat woord zal ons steunen in werk en in strijd, ons weer doen herdenken het oude jolijt,
De vrolijke vrienden uit vroegere tijd, die t zongen, ons Ergo Bibamus,
die t zongen, ons Ergo Bibamus !
En komen wij ooit naar de hogeschool weer,
en zingt men nog Ergo Bibamus !
Dat t dreun door de straten lijk t dreunde weleer, vol geestdrift ons
Ergo Bibamus !
Dan komt ons verfrommelde pet uit de zak, en t oude verrompelde lint op de frak,
En samen met schachten in splinternieuw pak, herhalen we t Ergo Bibamus,
herhalen we t Ergo Bibamus !
HIJST
DE VLAG
M. Van Elslande - P. François
Hijst de vlag in de wind! Hijst de vlag in de zon,
dat het licht haar symbolen omgloort!
![]()
VAN RIJSWIJCKMARS
Julius De Geyter - Peter Benoit
Hij vleide geen groten der wereld. Wat
recht was en schoon joeg zijn boezem in brand.
Hij dulde geen vreemden tot
meesters in 't land, hij eerde geen kroon dan met glorie bepereld,
en gaf maar de vrijheid de staf in
de hand. En gaf maar de vrijheid de staf in de hand.
"In lied'ren klonk zijn hart,
in lied'ren klonk zijn hart",
zo liet ons moeder horen, zo liet
ons moeder horen.
En waar zijn harte klonk, en waar
zijn harte klonk,
daar hield de vreugde feest, daar
hield de vreugde feest.
En waar zijn harte klonk, en waar
zijn harte klonk:
daar hield de vreugde, de vreugde
feest.
Hij vleide geen groten der wereld.
Wat recht was en schoon joeg zijn boezem in brand.
Hij dulde geen vreemden tot
meesters in 't land, hij eerde geen kroon dan met glorie bepereld,
en gaf maar de vrijheid de staf in
de hand. En gaf maar de vrijheid de staf in de hand.
![]()
HOE RY DIE BOERE
Hoe ry die boere ? Sit sit so, sit
sit so, sit sit so.
Hoe ry die boere ? Sit
sit so, sit sit so, hoera !
Die Kaapse nooi sê:
tingelingeling, tingelingeling, hoera !
Die Kaapse nooi sê:
tingelingeling, tingelingeling, hoera !
Hoe ry die boere ? Sit
sit so, sit sit so, hoera !
Hoe fluit die boere ? Fluit
fluit so, (3 maal)
Hoe fluit die boere ? Fluit
fluit so, fluit fluit so, hoera !
Die Kaapse nooi sê: (fluit de
melodie) hoera !
Hoe dans die boere ? Polkadraai, (3 maal)
Hoe dans die boere ? Tiekiedraai,
tiekiedraai, ou perd !
Die Kaapse nooi sê:
tingelingeling, ou haan !
Hoe skiet die boere ? Boem boem
boem, (3 maal)
Hoe skiet die boere ? Boem boem
boem, boem boem boem, di's raak !
Die Kaapse nooi sê: skiet nog
één, di's raak.
![]()
LIEVE VROUW DER LAGE LANDEN
C. De Ridder - Emiel Hullebroeck
1. Hoge Vrouwe in de hemel, 's Heren
Moeder, reine Maagd.
Hoor het volk der Lage Landen, dat
U ned'rig bijstand vraagt.
't Heeft al oude adelbrieven, van
zijn godsvrucht, deugd en eer.
Wil, zo smeken wij U, Vrouwe, voor
ons bidden bij de Heer.
Lieve Vrouwe in de hemel, die der Vlamen Moeder zijt,
Red Uw volk uit diepe noden,
maak het tot de deugd bereid.
2. Lieve Vrouwe, zo was Vlaand'ren, hoofs, eenvoudig en devoot.
Kersten van geloof en zeden, bleef
het in zijn hoogste nood.
't Bouwd' U tempels en kapellen,
van de zee tot in de hei;
't Schilderd' U in pracht van
kleuren, 't zong U lied'ren in de mei !
3. Lieve Vrouwe, zie de wonde, die
Uw dierbaar volk ontwijdt;
't Slaat de hand aan eigen
broeders, 't is vol wraak en snarre nijd.
Dolend langs onveil'ge wegen,
dwaalt het verder van U af.
't Zoekt de wellust en vindt
schande, dreigend gaapt het open graf !
![]()
KRINGLIEDJE
Wim Verreycken
Hojo, hojo, hojo. Wij zijn een Jeugdverbond.
Hojo,
hojo, hojo. Wij zijn het V.N.J. !
1. Vlaamse Kerlinnekens, Vlaamse
Knapen, weten nog steeds Guldensporen te rapen.
Spelend wordt Vlaanderland vrij,
Knapen, Kerlinnen zijn jong en blij.
2. Jongkerels, Meeuwen, wij zijn
een macht. Wilde onstuimigheid is onze kracht.
Vechtend in iedere gouw,
Jongkerels, Meeuwen zijn fier en trouw.
3. Gudruns en Kerels, kom kamp met
ons mee. Ons hoort de verte, de einder, de zee.
Bouwend voor Vlaanderen aan 't
werk, Kerels en Gudruns zijn dapper sterk.
4. Stormers, Adels, Leidsters,
Leiders, sluiten dit lied en volmaken de kring.
Werkend wordt 't V.N.J. groot, dan
luidt weer Roeland het eind van de nood.
![]()
HOOG OP DE GELE WAGEN
Ned. bew. Margot Vos - Heinz
Höhne
Hoog op de gele wagen, rijd ik door berg
en dal.
Lustig de kleppers draven, blij
klinkt het hoorngeschal.
Water, wouden en weiden, stromen
zo machtig en vrij.
Ik kan van uw schoon haast niet
scheiden. Maar 't gaat voorbij, voorbij !
Bassen, violen en fluiten, zingen
door dorpen blond.
Vrolijke frisse kornuiten,
springen om de linde in 't rond.
Mee danst het blad in de winden,
zwierend en zwaaiend: Joechei !
Hoe graag bleef ik daar bij die
linde, maar 't gaat voorbij, voorbij !
Postiljon in de taveerne voedert
de vossen in vlucht.
Lachende waard komt zich weren,
reikt mij een glas in de lucht.
Blondkopje achter de rozen schuift
het gordijntje opzij...
Mijn hart zou zo graag daar
verpozen, maar 't gaat voorbij, voorbij !
Eens snelt voorbij mijn wagen,
duistere schim leidt mijn reis.
Klinkende horens versagen, neven
de zweep staat de zeis.
Vrienden van liefde en leven,
vangt er mijn laatste groet.
Hoe graag was ik bij u gebleven,
maar 't gaat voorbij, voorgoed !
HOOG ZWAAIT DE HAMER
Wim Verreycken - Hans Baumann
1. Hoog zwaait de hamer, gloeiend
metaal.
In regen van vonken wordt ijzer weer staal.
Stalen mijn mantel, en leder mijn kleed,
zwaard mijn gedachten, en Dietsland mijn eed.
2. Dreigende wolken, vurige schicht.
Voor stormen of noodweer, geen Vlaming gezwicht.
3. Dageraadzonne, helende brand.
Breng warmte en wonne, in 't noordelijk land.
HELDER
LICHTEN VUREN
Erbe - Hans Baumann
1. Hoor de vlammende trommen weer dreunen
van de Geus en Brigand.
Hoor de fijfers de stilte
verscheuren over 't stervende land.
Helder lichten vuren donkere
nachten rood.
Zolang die niet doven is een volk niet dood.
2. Nieuwe jeugd onder oude pennoenen
waar 't verleden in brandt.
't Oude lied wordt het lied van
miljoenen in 't herlevende land.
3. Dat de jeugd in haar schoonheid
mag rijpen tot een harde geslacht.
Tot de storm in hun vaandel zal
grijpen, zolang houden wij wacht.
4. Volg de roep van de wiekende Blauwvoet
over 't land bij de zee.
Volg de trom van de trouw en de
mannenmoed. Dietse jongen, kom mee !
![]()
HIER HET V.N.J.
Jan Roeyen - Leo Geraedts
1. Hoor de wekroep van de jeugd, zie
alom de heersende vreugd.
De Blauwvoet klieft door de lucht,
Herneemt nu weer zijn stormende
vlucht.
Het V.N.J. is weer hier, de
Blauwvoet op zijn banier.
Onze grijze kolonnen marcheren,
Er is niets dat ons kan deren.
Lauwen die gingen teloor: wij
trekken het oude spoor.
V.N.J. houzee, V.N.J. houzee,
V.N.J. houzee!
2. Hei, jongens ziet ons aan, hei,
jongens ziet ons gaan.
Wij hebben de toekomst in de hand.
Wij bouwen aan ons Vlaanderland.
Ja, kerel kom met ons mee,
marcheer met het V.N.J.
3. Hei, meisjes, ziet ons aan,
hei, meisjes ziet ons gaan.
In ons jong stralend gemoed,
Bruist thans het nieuwe
toekomstbloed.
Ja meisje leef met ons mee,
marcheer met het V.N.J.
4. Wij smeden stevige banden in de
prinslijke Nederlanden.
Europa: de toekomst die ons lacht,
Wij zijn paraat, wij het jonge
geslacht.
Het V.N.J. is weer hier, de
Blauwvoet op zijn banier.
NIEUW
LEVEN ONTWAAKT
Jan W. Robrecht Hans
Baumann
Hoor helder de roep: nieuw leven
ontwaakt,
naar de wolken stijgt blij gejubel.
Geef ruimte de jeugd: nieuw
leven ontwaakt,
wil slopen nu de oude muren.
1. Wie de kindren hun vrije
groeien borgt maakt plaats voor de jonge geslachten.
Waar ook liefde zonder te meten
zorgt, daar worden gedachten weer krachten.
2. In de dageraad van het leven
jong, zal niemand de opdrachte ontvluchten.
Overal waar lied van de vrijheid
klonk, staat rune van vreugd in de luchten.
![]()
NOODLOTSLIED
Hoort gij de trommel, die gaat door de nacht, hoort gij die dreunende slagen?
Hoort gij de eis en de wil om de
macht op onze schouders te dragen?
Dietsland dat thans uw vad'ren
verraadt, wij gaan de weg die zij gingen.
Wacht niet de toekomst op onze daad,
wij weten 't noodlot te dwingen.
Kleinen van geest en bangen van hart laten
zich steeds onderdrukken.
Maar wie door strijd en door storm
is gehard, kan niet meer buigen noch bukken.
Straks richt zich Dietsland weer
overeind, ketens en boeien zij springen.
Onze verdrukking neemt dan een eind,
wij weten 't noodlot te dwingen.
Dietsers sta op en let op uw zaak, luister
niet naar de ontmanden.
Ken uwe kracht, erken uwe taak, in
deze nedere landen.
Dietsland verschrompeld, klein en
verdeeld, laat zich niet lang meer verdringen.
Eens komt de dag dat Dietsland
beveelt: wij weten 't noodlot te dwingen.
HOORT IN DE MORGEN
Steven Debroey - Armand
Preud'homme
Hoort in de morgen een rouwig lied !
Jeugd van mijn volk, de haat gebiedt:
Aan een staak op de koer van een
somber gebouw, daar sterft onder 't vuur
een Brigand om zijn trouw !
Hoort in de morgen een blijer lied
! Jeugd van mijn volk, het noodlot vliedt:
Over steden en dorpen, aan zee, op
de hei, de zon klimt weer hoog,
en de lucht wordt weer vrij !
Hoort in de morgen een strijderslied !
Jeugd van mijn volk, vertwijfelt niet.
Werd uw broeder gekerkerd,
gemarteld, gedood, het offerzaad kiemt,
en uw volk wordt weer groot !
HOPTIERELIER
Jan W. Robrecht Hans
Baumann
Hoptierelier, hoptierelier, rondom het
huis weerklinkt ons spelplezier.
Open de deur, open de deur ! Wij
stormen binnen zonder veel gezeur.
Holderdebol, holderdebol, eenmaal
in huis maken wij moeder dol.
Met veel geraas, met veel geraas,
spelen wij lekker wild en heerlijk dwaas.
Wollegepluis, wollegepluis, wij
volgen vaders vinger: uit ons huis !
Ja
dan weerklinkt, ja dan weerklinkt, rondom het huis opnieuw ons spelgedruis.
HOUDT
U FIER
P. De Mont - L.
Mortelmans
Houdt u fier en ziet niet
omme, gij die kampt voor volk en recht;
wat uw tegenstandern brommen, zwaait de vuist en steunt
t gevecht!
Stout der wrake zwaard ontglommen, hoog gezwaaid de
vrije vaan!
Houdt u fier en ziet niet omme, Hou en trou
en t zal wel gaan,
Hou en trou en t zal wel gaan!
Houdt u recht dan zijt gij
mannen, houdt u vrij dan zijt gij groot!
Gouden slaafsheid trouw gebannen uit des landes vrijen
schoot.
Vrije ziel, wat kan u deren? Vrij gemoed, wat kan
daaraan?
Volk en vrijheid stout te weren, gaat uw weegs en
blijft niet staan,
gaat uw weegs en blijft niet staan!
Houdt u recht en ziet
niet omme, t is der vadren schoonste lied:
Houdt u recht en ziet niet omme, volk, vergeet die
leuze niet.
Geen bespotter kan u schelen, zet de domme schreeuwer
stom,
en, stond t mes al op uw kelen, houdt u recht en
ziet niet om,
houdt u recht en ziet niet om!