E
Een fijfer klinkt hel in de morgen
Een hond, een kat, een haantje
Een jager rende de slotpoort uit
Een jeugd groeit heden
Een kalemanden rok
Een karretje op de
zandweg reed
Een kleurpalet van bos en hei
Een leven vol strijd
Eens heersten wij over de
zeeën
Eens klonk uit het land van de kerels
Een smidje in zijn smisse
Een spett'rend spel
Een student is een vent met een pijp in de kop
Eens vielen de wallen der
steden
Eens was een volk, een
vechtersvolk
Een tak wordt muur als vele zijn bijeen
gegaard
Een vijand werpt bedreigend (Het
onthouderslied)
Een vreemde arme snuiter
Een zandweg snijdt door jonge hei
Ein kleiner Matrose
En als wij marcheren
En de boom stond op de berg
En het morgengloren dat is onze tijd
En hoor jy die magtige
dreuning
En 's avonds
Ere, ere zij God in de hoge
Er lokt een lied uit bos en heide
Er rijst in de morgen een vlag aan de
mast
Er stond eens een beuk in een winterse wei
Euskadi, Euskadi
Terug
naar alfabet
Terug
naar inhoud per thema
EEN
FIJFER KLINKT HEL
Erbe
Een fijfer klinkt hel in de morgen, de lente komt over het land.
Berken luist'ren naar die tonen,
berken wiegen in hun dromen.
Een fijfer klinkt hel in de
morgen, de lente komt over het land.
Een fijfer klinkt hel in de morgen, de lente komt over het land.
In de verte wuiven dennen, willen
ook dit wijsje kennen.
Een fijfer klinkt hel in de
morgen, de lente komt over het land.
Een fijfer klinkt hel in de morgen, de lente komt over het land.
En de beek die hoort het zingen,
wild en bruisend gaat z'ontspringen.
Een fijfer klinkt hel in de
morgen, de lente komt over het land.
Een fijfer klinkt hel in de morgen, de zomer komt over het land.
Duizend halmen sidd'rend wachten,
naar die frisse tonen trachten.
Een fijfer klinkt hel in de
morgen, de zomer komt over het land.
![]()
DE BREMER MUZIKANTEN
E. De
Ridder - Armand Preud'homme
1. Een hond een kat een haantje, die
trokken blij van zin,
Als Bremer muzikanten, de wijde
wereld in.
Wat later sloot een ezel zich bij
hun troepje aan,
En waar zij speelden kwamen de
mensen om hen staan.
Want de kat miauwde en speelde klarinet: fledderet, fledderet, fledderet !
En het haantje kraaide en blies
op de trompet: tedderet, tedderet, tedderet !
En de hond, als bazuin,
wifwafte, grom grom grom !
Terwijl de ezel
"hiha" deed: die sloeg de grote trom,
Bom, bom, bom, bom, fledderet,
tedderet,
Bom, bom, bom, bom, fledderet,
tedderet, bom, bom !
2. Maar zek're donk're avond, verdwaald in 't bos naar 't scheen,
Daar zagen zij een lichtje, dat
uit een venster scheen.
Zij keken in de kamers: het was
een roversnest !
Ons moedig viertal schrok wel,
maar zong toch om het best !
3. De rovers die, gezellig, daar feestten in de zaal,
Die dachten zich verraden en
gingen aan de haal !
Men zag ze nooit nog weder, ons
vrolijk viertal zei:
"Waarom nog verder trekken ? Hier zijn en blijven wij !"
DE GOEDE JAGER
Lambrecht Lambrechts E. Van
Nieuwenhove
Een
jager rende de slotpoort uit, halli, hallo, halli, hallo !
Hij vulde de dalen met schallend
geluid, halli, hallo, halli, hallo !
De grimmige dieren herkenden het
lied, maar vreesden de goedige kerel niet.
Hallo, hallo, halli,
hallo, hallo, hallo, halli, hallo !
Hij
kende hen allen met teken en naam,
hij lokte hen nader uit hol en
braam,
Hij groette de ever, hij streelde de
vos, hij lag met de beer op het donzige mos.
Hij
drukte een kus op hun ruige kop,
of gaf hun een les en dreigde: pas
op !
Krakeelt
niet als mensen onder elkaar, dan rende de jager weer toetend vandaar.
![]()
JEUGD
Fred Rossaert
1. Een jeugd groeit heden, zij heeft gestreden een harde strijd.
In grootse dromen, zag zij reeds
komen een nieuwe tijd. (bis)
2. Een jeugd groeit heden, zij heeft geleden, kent smart en rouw.
Spijts haat en kerker klinkt nu nog
sterker haar eed van trouw. (bis)
3. Een jeugd groeit heden, zij zal weer
treden met stoere moed.
Want jeugd kan geven, heel haar jong
leven, heel haar jong bloed. (bis)
Een kalemanden rok, een wit mantlijntje
drop,
en weet je waar da k weune ? Al in Sint-Gillisdorp.
Een lijnwaden kazakje, een biezebomen rok,
en zou k daar niet mee lachen ? De fruitpan op zijn kop.
Een kalemanden rok, een wit mantlijntje drop,
en weet je waar da k weune ? Al in Sint-Gillisdorp.
EEN KARRETJE OP DE ZANDWEG REED
Viotta
Een karretje op de zandweg reed, de maan scheen helder, de weg
was breed.
Het paardje liep met luste. k Wed dat
het zelf zijn weg wel vindt, de voerman lei te rusten.
Ik wens je wel thuis, mn vriend, mn vriend, ik wens je wel thuis mn
vriend.
Een karretje reed langs berg en dal, de nacht was donker, de
weg was smal.
Het paard liep als met vleugels, de sneeuwjacht zweept zijn ogen blind, de voerman houdt
de teugels.
Ik wens je wel thuis, mn vriend, mn vriend, ik wens je wel thuis mn
vriend.
Een karretje keert behouden weer, het ander heeft er geen
voerman meer.
Waar mag hij zijn gebleven? k Wed dat jem op de zandweg vindt of moglijk
lei te neven.
Hij komt niet meer thuis, die vriend, die vriend, hij komt niet meer thuis die vriend.
Wim Verreycken
1. Een kleurpalet van bos en hei, met
tinten rood en bruin en groen.
Het jaar loopt zachtjes naar zijn
eind, zoals ook mensenlevens doen.
Heija, heija, Vlaanderen mijn vruchtbare gaard.
Heija, heija, Vlaanderen de
wereld waard !
2. De winter met zijn vacht van sneeuw, met ijs en kou en lange nacht,
brengt zonnewende, feest van Joel,
en geeft ons harte nieuwe kracht.
3. Als hoge mei naar d'hemel klimt, en
warme zonne openbrandt;
Als dartel vee de weiden vindt, is
't blije lente in mijn land.
4. Het rijpe koren op het veld, brengt
zomerkampbeloften mee.
Houzee, de jonge Dietse schaar,
van Voer tot zee, het V.N.J.
EEN
LEVEN VOL STRIJD
1. Een leven vol strijd, tot alles bereid, Dietsland m'n Dietsland.
Wij gaan in de slag met trommel en
vlag, Dietsland, ons Dietsland marcheert. (bis)
2. De ouden vergaan, jong Dietsland rukt aan, Dietsland m'n Dietsland.
De nacht dat zijn zij, de ochtend
zijn wij, Dietsland, ons Dietsland marcheert. (bis)
3. De toekomst, de daad, behoort de
soldaat, Dietsland m'n Dietsland.
Soldaat uwe hand, 't is voorjaar in
't land, Dietsland, ons Dietsland marcheert. (bis)
![]()
EENS
HEERSTEN WIJ OVER DE ZEEEN !
Hans Baumann
Eens heersten wij over de zeeën, wij
vreesden de stormen niet;
Beheersten de Dietse steden, het
West-Europees gebied.
Wij stappen in 't heir der
getrouwen, wij breken het Diets verval.
Wij weten spijts lafaards en lauwen,
dat Dietsland herleven zal !
Verkiest boven kleinheid en schande, de grootheid te land en ter zee.
Wij leiden de Nederlanden, zoniet
wij verdwijnen ermee.
Wij stappen in 't heir der
bevrijden, of ook heel Europa begeeft.
Wij weten tot 't einde der tijden:
het eeuwige Dietsland leeft !
![]()
RODENBACHLIED
Clem De Ridder - Emiel Hullebroeck
1. Eens klonk uit het land van de Kerels, een wekstem door Vlaanderens ruim.
Zij jaagde de winden tot stormen, en
zwiepte de golven tot schuim.
Werp de Blauwvoet uit, hoor hoe Roeland
luidt, Vlaand'ren vergaat in de brand.
Slaat de landsknechttrom dat het
stormt alom, in dit slapende land.
Vliegt de Blauwvoet ? Storm op zee ! Vlaanderland, hoezee !
2. De jeugd had de wekroep vernomen, met
Rodenbach zwoer zij de eed:
Wij vechten in houwe en trouwe, tot
Vlaanderen "Vlaanderen" heet.
3. Nog steeds laat de wekroep zich
horen, en spoort hij ons aan tot de daad.
Nog leeft hier een jeugd die kan
strijden, met Rodenbach staat zij paraat.
HET LIED VAN DE SMID
Liekens - Andelhof
Een smidje in zijn smisse die zong de hele dag;
zijn stemme klonk zo helder bij iedren hamerslag.
Hij zong zo blij van tokke tokke tok, hij zong zo vrij van kloppe kloppe klop;
het klonk zo lustig dan, het liedje van de zwarte man.
Een meisje op haar kamer, die had dat lied gehoord.
Haar hartje ging aan t jagen bij t smidjes aardig woord.
Het ging zo snel van tokke tokke tok; het ging zo fel van kloppe kloppe klop;
het sloeg zo teder dan het liedje van de zwarte man.
Och smidje van hierover, leer mij dat schone lied.
Lief meisje k zal t u leren als gij mij geerne ziet.
Kom zing met mij van tokke tokke tok; kom zing met mij van kloppe kloppe klop.
Wij zingen samen dan het liedje van de zwarte man.
Het meisje werd zijn vrouwtje en hij haar beste man.
En kleine kleuters kwamen, die zongen mede dan.
Ze zongen blij van tokke tokke tok; ze zongen vrij van kloppe kloppe klop;
het klonk zo lustig dan het liedje van de zwarte man.
JEUGD
GAAT DE GRENZEN VOORBIJ
Luk Bellens
1. Een spett'rend spel en een laaiend
vuur, da's V.N.J. op zijn best, houzee !
We bund'len krachten in iedere
schaar, en wij groeien, wij breken baan !
En verder dan de grenzen klinkt ons vreugdelied, een fris geluid doet Europa ontwaken.
Breek uit je voegen, smeed
nieuwe banden, jeugd ga de grenzen voorbij.
2. Een volk dat kampt voor zijn eigen recht, verheft zichzelf boven elke staat.
Breek muren af, ga je eigen weg,
geef de wereld een nieuw gelaat !
3. Laat kinderen hopen met dit refrein,
Europa een keten van volk'ren zijn.
Zo krijgt eenieder een eigen
thuis, en wordt ook Vlaanderen ons eigen huis.
STUDENT ZIJN
E. De Ridder Armand
Preudhomme
Een student is een vent met
een pijp in de kop,
en een pet of een muts scheef erop (scheef erop).
Soms eens centen heeft, meest geen centen heeft,
en in zorg, zorgeloos zijn leven leeft.
Student zijn: dat wordt
men niet.
Student zijn: vergeet men niet, dat is men of men is
het niet.
Een student is een vent die
zijn pint tijdig drinkt,
en weleens naar een mooi meisje pinkt (meisje pinkt).
Soms één liefje heeft, soms twee lieven heeft,
en in zorg, zorgeloos zijn leven leeft.
Een student is een vent
waar de tijd op verslijt,
die altijd hier of daar staat in t krijt (staat
in 't krijt).
Soms miserie heeft, altijd leute heeft,
en in zorg, zorgeloos zijn leven leeft.
EENS VIELEN DE WALLEN DER STEDEN
Bert Peleman Armand Preudhomme
Eens vielen de wallen der steden, bestormd
door het volkse verzet;
toen Dietsland zijn trouw heeft beleden, gekuip en verraad heeft belet.
Toen sloegen de trommen ten strijde, de fijfers verkondden de nood,
en over de bloeiende heide marcheerde het vendel ter dood.
En over de bloeiende heide marcheerde het vendel ter dood.
Eens stonden de torens der steden omklauwd
door de vechtende leeuw;
toen prinsen hun zwaard lieten smeden als schutse van eeuwe tot eeuw.
Toen brandd op het goud der pennoenen de trouwe van boer en soldaat.
Toen bleken de mannen de koenen, die streden voor t heil van de staat.
Toen bleken de mannen de koenen, die streden voor t heil van de staat.
En dreunt onze mars door de steden, en
werden we weerom soldaat;
wij schouwen het Dietse verleden en bouwen de heilige staat.
Weer slagen de trommen ten strijde, de fijfers verkonden de nood.
Wij zullen de torens bevrijden, marcheren voor Dietsland ter dood.
Wij zullen de torens bevrijden, marcheren voor Dietsland ter dood.
ALS
VLAAND'REN VRIJ WIL ZIJN
Wim Verreycken
1. Eens was een volk, een vechtersvolk,
de wereld rond vermaard.
Dat volk had moed; dat volk had
macht, dat volk was Nederlands.
Na lange, bange, donk're nacht,
groeit nieuwe Kerelsmacht.
Als Vlaand'ren vrij wil zijn, moet een voorpost bezetting bestrijden.
Als Vlaand'ren vrij zal zijn,
wordt Vlaand'ren Dietsland weerom.
2. Noord-Nederland vergeet hen niet, de hoeders van uw grond.
Hernieuw dan met uw broedervolk,
der eed'len eedverbond.
De eed van trouw in 't hart
gebrand, banier in storm geplant.
3. Geen lauwheid of geen lafheid meer,
geen brav' neutraliteit.
Eén vuist, één stap, één
Nederland, één harde weerbaarheid.
O, lage land, o, grijze lucht,
onz' zege neemt zijn vlucht.
HILDRUNS
LIED
J. Cleybergh
Een tak wordt muur als vele zijn bijeen
gegaard.
Een man wordt heir als vele zijn
in rij geschaard.
Steek voor, steek na, steek voor,
steek na, een tak wordt muur als vele zijn bijeen gegaard.
Een moeder spint uit wolle fijn een sterke draad.
Een heir dat vereend zijn kracht
benut schept grootse daad.
Steek voor, steek na, steek voor,
steek na, een moeder spint uit wolle fijn een sterke draad.
Een meisje weeft uit draden los het
taaie doek.
Wat t ganse volk hier bouwen
zal kan nooit vergaan.
Steek voor, steek na, steek voor,
steek na, een meisje weeft uit draden los het taaie doek.
1. Een
vijand werpt bedreigend zijn slavenboeien rond;
Verbant die wrede stoorder, de vuile
drank van hier,
Verbant
die wrede stoorder, de vuile drank van hier,
die lijf- en zielemoorder voor
altijd weg van hier.
Die lijf- en zielemoorder voor altijd weg van hier !
2.
Beschouwt hoe 't volk verbasterd aan sterke dranken kleeft;
Die gifdrank vol van rampen baart
misdaad, ziekt' en nood;
3.
Hoewel ons vad'ren streden voor vrijheid en geluk,
Op broeders, op ten strijde !
Verheft u uit de schand' !
4.
Onthouders, ja ten strijde, bevecht de duivelsdrank.
Reik uw verblinde broeders een
kloeke reddingshand.
EEN
VREEMDE ARME SNUITER
Een vreemde arme snuiter, was moede van het wand'len.
Was moede, moede van het wand'len.
Hij had zijn fluit verloren, uit
zijne mantelzak, zak, uit zijne mantelzak.
Da's niets ik heb gevonden waar
jij zo veel van hield, lalala, hield lalala,
waar jij zo veel van hield.
![]()
ZING MET ONS
Jan W. Robrecht Hans Baumann
Een zandweg snijdt door jonge hei, op weg naar nieuwe einder vrij.
Muziek stijgt hoog in de luchten.
Meng bij toon van luit, eigen
liedgeluid. Muziek stijgt hoog in de luchten.
Kerlinnen zingen luid en blij. Zing met ons, kom zing met mij.
Laat horen klinkende krachten.
Zing de muren stuk, luid de
vrijheidsklok, laat winnen klinkende krachten.
EIN
KLEINER MATROSE
Ein kleiner Matrose, umsegelte die Welt.
Er liebte ein Mädchen, sie hatte
gar kein Geld.
Das Mädchen muss weinen, und wer
hat Schuld daran ?
Der kleine Matrose, in seinem
Liebeswahn.
![]()
ALS WIJ MARCHEREN
Yv. de Man
En als wij marcheren, dan klinkt er een
kreet,
Die nevels en wolken dav'rend
doorbreekt.
En als wij ons vinden op stap door het land,
Dan groeit in ons allen heilige
brand.
En nadert het doel toch, al stormt
het zo guur,
Dan zien wij de eersten rood laaiend
vuur.
Gij volk uit de diepte, gij volk uit de
nacht,
Het vuur moet gij hoeden, blijf op
de wacht.
DE
BOOM STOND OP DE BERGEN
En de boom stond op de bergen, hali, halo. En de boom stond op de bergen, hali, halo.
1. En aan die boom daar kwam een tak, een reuzentak, een pracht van een tak;
ach jongens wat een tak was dat !
De tak van de boom,
2. En aan die tak daar kwam een
blad, een reuzenblad, een pracht van een blad;
ach jongens wat een blad was dat !
Het blad van de tak, de tak van de boom,
3. En aan dat blad daar kwam een
nest.
4. En in dat nest daar kwam een
ei.
5. En uit dat ei daar kwam een
jong.
6. En aan dat jong daar kwam een
veer.
7. En aan die veer daar kwam een
hoed.
8. En aan die hoed daar kwam een
juf.
9. En aan die juf daar kwam een
heer.
10. En aan die heer daar kwam een
huis.
11. En aan dat huis daar kwam een
stal.
12. En in die stal daar kwam een
geit.
13. En aan die geit daar kwam een
staart.
14. En aan die staart daar kwam
een eind.
HET MORGENGLOREN
E. Verstraete - Hans Baumann
En het morgengloren dat is onze
tijd, wen de winden om de bergen zingen.
De zonne maakt er de dalen wijd, en het leven, het leven, dat zal zij ons brengen.
En het leven, het leven, dat zal zij ons brengen.
Alle kleine zorgen hebben uitgedaan, in de
huizen is het licht gedrongen.
Nu wijkt de sombere zwarte nacht, want de vreugde, de vereugde, die heeft hem
verwonnen.
Want de vreugde, de vreugde, die heeft hem verwonnen.
Als een blanke akker ligt de aarde thans, kom
tot ons dat we ze saam ontginnen.
Verlangen heeft onze armen gestaald, nieuwe landen, nieuwe landen, die zullen wij
winnen.
Nieuwe landen, nieuwe landen, die zullen wij winnen.
![]()
DIE LIED
VAN JONG SUID-AFRIKA
Eitemal - H. Gutsche
En hoor jy die magtige dreuning ? Oor
die veld kom dit wyd gesweef.
Die lied van 'n volk se ontwaking,
wat harte laat sidder en beef.
Van Kaapland tot bo in die Noorde,
rys dawerend luid die akkoorde:
Dit is die lied van jong
Suid-Afrika. (3 maal)
Die klop van ons ossewawiele, het die eeue se rus verstoor.
Die klank van ons voorlaaierskote,
het klowe en kranse gehoor.
Die diere het stilstaan en
luister, die bome het bewend gefluister:
Dit is die koms van jong
Suid-Afrika. (3 maal)
Waar glorie van songloed die berge oor hul fransende voorhoof streel.
Waar winde oor golwende vlaktes
met grassaad kejakker en speel.
Die land wat ons vaders gekoop
het, met bloed tot ons eie gedoop het:
Dit is die land van jong
Suid-Afrika. (3 maal)
Die golwende veld is ons woning en die dak is ons hemelblou;
Die Vryheid alleen is ons koning,
sy wagwoord is: "Handhaaf en bou".
Die stryd wat ons vaders begin
het, sal woed tot ons sterf of oorwin het.
Dit is die Eed van Jong
Suid-Afrika. (3 maal)
![]()
EN 'S AVONDS
En 's avonds, en 's avonds, en 's avonds is het goed.
En 's avonds, en 's avonds, en
's avonds is het goed.
1. En 's avonds hebben wij geld bij hopen, en 's morgens geen om brood te kopen.
En 's avonds, en 's avonds, en 's avonds is het goed.
2. En 's avonds zouden wij geerne trouwen, en 's morgens nuchtens vroeg berouwen.
3. En 's avonds zullen wij koeken bakken, en 's morgens tegen uw oren plakken.
ZUM
GLORIA
Fr. Schubert
Ere, ere zij God in de hoge, zongen de engelen in het begin.
Ere, ere zij God in de hoge, stemmen wij stamelend samen mee in.
Zo, om uw wonder verwonderd en blij, machtige Vader, U zingen ook wij:
Ere zij God in de hoge !
Ere, ere zij God in de hoge: zingt er de hemel de komst van
het Kind.
Ere, ere zij God in de hoge: bruist er het water en ruist er de wind.
Hemel en aarde in feestelijk koor juichen hun danklied alom en aldoor:
Ere zij God in de hoge !
(oorspronkelijk Duits)
Ehre, Ehre sei Gott in der Höhe, singet der Himmlische selige
Schar.
Ehre, Ehre sei Gott in der Höhe, stammeln auch wir, die die Erde gebar.
Staunen nur kann ich und staunend mich freun, Vater der Welten, doch stimm ich
mit ein:
Ehre sei Gott in der Höhe !
Ehre, Ehre sei Gott in der Höhe, kundet der Sterne
strahlendes Heer.
Ehre, Ehre sei Gott in der Höhe, säuseln die Lufte, brauset das Meer.
Feiernder Wesen unendlicher Chor jubelt im ewigen Danklied empor:
Ehre sei Gott in der Höhe !
BIVAKKENLIED
H.v.d.Hoegaerde Marcel Cornelis
1. Er lokt een lied uit bos en heide van vedel, doedelzak en
luit.
Wij willen saam de mei verbeiden in t malve dromend heidekruid.
Met blije monkel om de mond verschijnen op ons wegen
de Chirovendels elke stond, ze gaan de zonne tegen.
2. Dan gaat de lentezon aan t rijzen, de heide zindert,
trilt in t licht.
De leeuwerk klimt en zingt zijn lijze, ze staat in zonnegoud gedicht.
![]()
OCHTENDLIED
E. Swaeb - J. Weyermars
Er rijst in de morgen een vlag aan de
mast, als een vlammend gebed tot de Heer.
Zij smeekt zijne zegen voor 't
komende werk, op de willende arbeider neer.
Wij staan voor de arbeid in 't
vendel geschaard, en klinkt het commando: marcheer !
Dan volgen wij trouw onze heilige
vlag, dan wordt onze spa een geweer.
Dan volgen wij trouw onze heilige
vlag, dan wordt onze spa een geweer !
LENTELIEDJE
Andries
Bogaert - Gabriël Bosmans
1. Er stond eens
een beuk in een winterse wei,
Hij bracht al
in jaren geen vruchten meer voort,
Toen kwam er
een houtvester aan met een bijl,
En de kinderen kwamen
en dansten in 't rond,
2. Er klonk over 't
land een vervaarlijke schreeuw,
Uitzinnig van
smart, heel verloren en bloot,
Maar pas was
het lente en Pasen in 't land,
3. En sprong met
een wip op zijn knoestige kop,
Het zonnetje
keek door de wolken, zei "striep",
en Lapje die
speelde en speelde zijn lied,
![]()
EUSKADI
H. De Herdt
Euskadi, Euskadi, zacht zijn je handen,
warm is je hart,
de jeugd is je kracht, Euskadi.
(2 maal)
1. Ver hier vandaan en toch heel nabij, leeft er een volk, zijn taal: Euskara.
Ik was er te gast, en heel
onverwacht zag ik jouw liefde, voor het volk en zijn vrienden,
je strijd askatasuna, en jouw
ontvoogdingsstrijd.
2. Mooi zijn je huizen, sterk is je taal, en krachtig je verzet tegen tiran en kapitaal.
Garbia zibilak, repressie op zijn
best, maar toch ben jij zo lief en zo zacht,
jouw liefde rust diep in mijn
hart.
3. Jij vecht tegen haat, jij vecht tegen
macht, van monsters en geweren, van zij die regeren.
De machtige heren, zij zullen dra
weten dat jij, Euskadi: de strijd hebt gewonnen.
Gora Euskadi askatuta, het leed is
geleden.