De bange nacht is alweer om
De beiaard speelt zo schoon hij kan
De boer had maar ene schoen
De boerkens smelten van vreugd en plezier
De dag en wil niet verborgen zijn
De dageraad klaart aan de kim
De dag heeft weer zijn taak volbracht
De dennen roepen ons
De donkere nacht is nu weer voorbij
De duinen zijn als logge reuzen
De fanfare van Sint-Jan schettert wat ze blazen kan
De fiere heiden van 't verleden
De gedachten zijn vrij
De geuzenvendels rukken aan
De
gilde viert
De grond is wit
De harmonie van Bergijk
De Hopman gaat ons voren
De kleremakers op
hun feest die hielden grote fooi
De koekoek roept, de merel fluit
De
landsknechttrommen dreunen
De lente fluit de winter uit
De machtigste koning van storm en van wind
De mei plezant willen wij
planten
De Noordzee bruist,
de Noordzee stormt
De Noordzee bruist een lied dat brandt
De uyl die op den peerboom zat
De ster, de ster, moet rondomme gaan.
De
stokoude wereld voorbij, fallera
De student is vrolijk man
De trommeljongen moet weer heen
De trommel slaat, de fluite gaat
De vastenavond die komt aan
De vedel aan de zijde, het lied in ziel en mond
De
vendels staan trots en verbeten
De vlammen wiegen zacht in zilv'ren zomernacht
De vogels konden vrolijk en blij de mei
De vogels zijn heen en de velden zijn naakt
De vrijheidszwaarden vroom gewijd
De wilde jacht is lang voorbij
De winter is vergangen, ik zie des meien schijn
De zonne reikt naar hoge tijd
Terug naar alfabet
Terug
naar inhoud per thema
DE
BANGE NACHT IS ALWEER OM
G. Herwegh - J.W. Lyra
De bange nacht is alweer om: wij rijden
stil, wij rijden stom.
Wat zal de dag verwerven ?
Hoe nijdig waait de morgenwind;
kom, schenk ons nog een glas gezwind,
voor 't sterven, voor 't sterven.
Het jonge gras groeit daar zo groen,
't zal straks als rode rozen bloe'n,
ons bloed dat zal het verven. De
laatste dronk, het zwaard in d'hand,
die drink ik voor het vaderland,
voor 't sterven, voor 't sterven.
Kom, landsknecht op, tot 's lands
verweer;
de kogel zoeft, daar blinkt de speer,
wie wil zijn vrijheid derven ? Dat
hij geen enk'le voetstap wijk',
die voor zijn vrije Roomse rijk,
wil sterven, wil sterven.
DE
BEIAARD SPEELT
Theodoor Stevens - Karel
Mestdagh
1. De beiaard speelt zo schoon hij kan,
de vreugde heerst alom.
Met bloemen kroont de vrouw haar
man, de bruid haar bruidegom.
De vogel kweelt zo hel en blij, het windje speelt zo vrij !
En blij, en vrij, ons volk ter
eer, is Vlaand'ren weer.
En vrij, en blij, is
Vlaanderland nu weer !
Men strooie kruid en palmen uit
bij klank en zang.
Hou eeuwig stand, o heilig
Vaderland.
2. Voorgoed vergeten zij de hoon,
vergeten ook het wee;
Nu schall' uit slot en
poorterswoon het lied van heil en vreê !
De boer had maar ene schoen, weinig genoeg, genoeg, genoeg,
de boer had maar ene schoen weinig genoeg.
Een schoen zonder hak eraan, de boer is geen edelman,
een schoen zonder hak eraan, de boer die is geen edelman.
De boer had maar ene broek, weinig genoeg, genoeg, genoeg,
de boer had maar ene broek, weinig genoeg.
Een broek zonder zak erin, de boer is geen edelman,
een broek zonder zak erin, de boer die is geen edelman.
De boer had maar ene jas, weinig genoeg, genoeg, genoeg,
de boer had maar ene jas, weinig genoeg.
Een jas zonder knoop eraan, de boer is geen edelman,
een jas zonder knoop eraan, de boer die is geen edelman.
De boer had maar ene pet, weinig genoeg, genoeg, genoeg,
de boer had maar ene pet, weinig genoeg.
Een pet zonder klep eraan, de boer is geen edelman,
een pet zonder klep eraan, de boer die is geen edelman.
De boer had maar ene kous, weinig genoeg, genoeg, genoeg,
de boer had maar ene kous, weinig genoeg.
Een kous met een gat erin, de boer is geen edelman,
een kous met een gat erin, de boer die is geen edelman.
De boer had maar ene vrouw, meer dan genoeg, genoeg, genoeg,
de boer had maar ebe vrouw, meer dan genoeg.
Een vrouw met een kop erop, de boer had een reuzestrop,
een vrouw met een kop erop, de boer die had een reuzestrop !
BOERENKERMIS
1. De boerkens smelten van vreugd en plezier, als d'oogst is binnengereden.
Ze gaan met hunne boerinnen te bier,
en ze maken zeer goede sier.
De bezem steekt het venster uit,
men danst er, men speelt er al op de fluit, op potten en pannen,
op glazen en kannen, op allerhande geluid.
Op messen, op schup en op
zoutevat, op hangel, op tangel, op dit en op dat.
Op 't rommeltje rom, dom domme,
dom dom,
op keteltjes, lepeltjes,
tikketiktang, en dat gaat zo de hele dag lang.
2.
De boerkens hebben het aards paradijs, door Adam verloren, hervonden.
Zij roeren de lepel als was het om
prijs, in de rijstpap, die hemelse spijs.
De jonkheid kiest een liefje uit,
De dag en wil
niet verborgen zijn, het is schoon dag, dat dunket mijn,
maar wie
verborgen heeft zijn lief, hoe nood' is 't dat zij scheiden, dat zij scheiden.
Wachter, nu laat
uw schimpen zijn, en laat hij slapen, die allerliefste mijn;
een vingerling
rood zal ik u schinken, wildi de dag niet melden, niet melden.
Och meld ik hem
niet, rampzalig wijf, het gaat de jongeling aan zijn lijf.
Hebdi de schild
? Ik hebbe de speer, daarmede maakt u van hier, van hier.
De jongeling
sliep ende hij ontsprang, de liefste hij in zijn armen nam;
en laat 't u
niet zo na ter herte gaan: ik kome nog t'avond weder, 't avond weder.
De jongeling op
zijn vale ros trad, de vrouwe op hoger tinne lag;
zij zag zo verre
noordwaart inne de dag door de wolken opdringen, opdringen.
Had ik de
sleutel van de dage, ik wierp hem in geender wilder Masen,
of van de Masen
tot in de Rijn, al zoude hij nimmer vonden zijn, nimmer vonden zijn.
DE
DAGERAAD KLAART
Jan W. Robrecht Hans
Baumann
De dageraad klaart aan de kim en zonne
warmt de aarde.
Een fiere haan kraait nieuw begin,
roept luide: geef uw dagen zin,
Dan heeft het leven waarde.
Een helle lach vult blij gemoed, de
wereld hoort de kindren.
In hen bruist jonge levensmoed,
zij dragen Vlaandrens toekomst goed,
Doen vrije harten zindren.
Wie kinderspel de vrijheid geeft, zijn
ziel blijft onbevangen.
Wie niet voor vranke tale beeft en
borgt wat naar de grootheid streeft:
Hij leve, leve lange !
AVONDLIED
Steven Debroey - Emiel
Hullebroeck
De dag heeft weer zijn taak volbracht,
het gouden licht wijkt voor de nacht,
en alle vogels zwijgen. Laat ons
een kring nu rijgen,
rondom het knett'rend sparrenvuur,
in dit gewijde avonduur.
Nu daalt de nacht, 't is rustenstijd,
het uur waarop van vriend men scheidt,
God geve ons zijn zegen ! Wij gaan
verscheid'ne wegen,
maar zijn de vrienden allen heen,
de harten blijven trouw en één.
DE DENNEN ROEPEN ONS
Jozef Joossens Marcel Cornelis
1. De dennen roepen ons, de lente lokt ons weer. De blije mei
ruist door t jonge bloed.
De zomer nodigt ons veel sterker dan weleer. En giet weer dronkenvol ons rein gemoed.
Pak dan je zak, zwak hem om de schouder, maat. Op naar
t bivak als t uur der lente slaat.
En onder ons grauwt dof de straat, waarop ons voet kadansen slaat.
2. De gele gagel groeit zo geurig in mijn land. De blonde
beemd bloeit met bloem en blad.
Het zingend purper wenkt ons naar de heidekant. Verlaat nu vlug en blij die duffe stad.
3. De vennen blauwen diep van bloemenkrans gesierd. De felle
zon zingt door heel het land.
Sa rakkers, t jonge jolig lentefeest gevierd. De jeugd en zonnegloed zijn zo
verwant.
4. Gij allen, meisjes uit dezelfde grote buurt: wij roepen
vaarwel voor korte tijd.
En wijl je lachend oog ons zijne groet toestuurt, maakt het bivak ons hart reeds ruim en
wijd.
DE
DONKERE NACHT
Georg Blumensaat
De donkere nacht is nu weer voorbij, en
heerlijk begint het te dagen.
Kameraad sluit aan, kom mee in de
rij,
Vooruit wij willen het wagen.
Grijs als de luchten is onze
kledij, jonge soldaten in kampvolle tijd.
DE DUINEN
L.Lambrechts - Armand Preudhomme
De duinen zijn als logge reuzen, geleund, gelegerd langs de
zee.
De vloed mag beuken, breken, brullen, kalm lachen daar de duinen mee.
Hun wallen blijken
ijzersterk. Nou, reuzenvolk past reuzenwerk.
Hun wallen blijken ijzersterk. Nou, reuzenvolk past
reuzenwerk.
Het water mag hun rug bespringen, hun kop bespatten met hun
schuim.
Het dreigt er twintig weg te spoelen. Asa ! Zij wijken niet een duim !
Zij weten wel indien zij vielen wat lot ons land beschoren
was.
Waar nu het gouden koren wiegelt glom dra een wilde pekelplas.
DANSLIED
Jan Demets - A.Preudhomme
De fanfare van Sint-Jan schettert wat ze blazen kan en de benen zwaaien.
Zodat zelfs de Sint zijn Lam van zijn vlag gehuppeld kwam om wat mee te draaien.
Kom mijn liefste, kom mijn liefste, kom mijn
liefste, kom dansen, rondomdom.
Flier en serpentijn en wat zonneschijn, en
een kloppend hart en een warme mond.
Kom mijn liefste, kom mijn liefste, kom mijn
liefste, kom dansen in het rond.
En het marktplein is zo bont, en de deerntjes zwieren rond met heur Jannemannen.
Wijl de vaders, zwaar en breed, en in deftig zwart gekleed, drinken uit hun kannen.
Maar t stadhuis is bij de hand, en de kerk aan doverkant met Sint-Jan
de Doper.
DE SCHONE STRIJD
naar Lambrecht Lambrechts en Oscar
Poels
1.
De fiere heiden van t
verleden bekampten wat niet Vlaams in Vlaandren was.
De fiere heiden van het heden staan
even koppig tegen t vreemde ras.
Klonk
de oude leuze: Vrij of dood, de strijd is heden even schoon en even groot.
De strijd is heden even schoon en
even groot !
De fiere
heiden van t verleden ontvingen hulp en troost van vrouw en zoon.
O fiere heiden van het heden, teelt
geen verbastring in uw eigen woon.
De fiere
heiden van t verleden vertrouwden in hun staal, hun eerlijk staal.
O
fiere heiden van het heden, dra loont en kroont ook u de zegepraal.
DE
GEDACHTEN ZIJN VRIJ
De gedachten zijn vrij, wie raadt ze daarbinnen. Ze dansen voorbij als nacht'lijke
schimmen.
Geen mens kan ze naken, geen jager ze raken. Laat wezen wat zij: de gedachten zijn
vrij !
Ik denk me wat ik wil, in heerlijke
dromen. Hun zoetheid laat ik stil mijn harte doorstromen.
Mijn wens en begeren kan niemand
mij weren. Laat wezen wat zij: de gedachten zijn vrij !
En spert men mij geboeid in duistere
toren. Hun zorgen en hun moeit' gaan alle verloren.
Gedachten als vuren doen storten
de muren, en zold'ring daarbij: de gedachten zijn vrij !
Oorspronkelijk:
1. Die Gedanken sind frei, wer kann sie erraten? Sie fliehen vorbei wie nächtliche
Schatten.
Kein Mensch kann sie wissen, kein Jäger erschiessen, es bleibet dabei: die Gedanken sind
frei.
2. Ich denke was ich will und was mich beglücket, doch alles in der Stil und wie es sich
schicket.
Mein Wunsch und Begehren kann niemand verwehren, es bleibet dabei: die Gedanken sind frei.
3. Und sperrt man mich ein im finsteren Kerker, das alles sind rein vergebliche Werke,
denn meine Gedanken zerreisen die Schranken und Mauern entzwei: die Gedanken sind frei.
4. Drum will ich auf immer den Sorgen entsagen, und will mich auch nimmer mit Grillen mehr
plagen.
Mann kann ja im Herzen stets lachen und scherzen und denken dabei: die gedanken sind frei
!
DE
GEUZENVENDELS RUKKEN AAN
J.A. Van Kersbergen - Piet
Heins
De geuzenvendels rukken aan, domdiredom
!
Na eeuwen zijn zij opgestaan,
domdiredom !
Zie hun vlaggen vliegen in de wind
! Hoor, een nieuwe geuzentijd begint,
met slaande trom, met slaande trom
! Dom, dom, domdiredom !
Het volk zijn oude kracht
hervindt.
De geuzenvendels trekken op, domdiredom
!
Hun vuist is hard en hard hun kop,
domdiredom !
d' Oude geuzentijd is weer
ontwaakt, heeft een eind aan nacht en nood gemaakt,
met slaande trom, met slaande trom
! Dom, dom, domdiredom !
Het Dietse volk wordt sterk
gemaakt.
De geuzenvendels leven weer, domdiredom
!
Zij slaan met gloed de vijand
neer, domdiredom !
Want der vad'ren bloed brandt in
hun ziel, en zij vechten weer als voor Den Briel,
met slaande trom, met slaande trom
! Dom, dom, domdiredom !
Tot eer van wie voor Dietsland
viel !
DE GILDE VIERT
René
De Clercq - Emiel Hullebroeck
1. De gilde viert, de gilde juicht !
Wat zit gij daar en blokt en buigt
nog over uwe boeken ?
De wijsheid ligt maar in de kan,
Die ze elders zoeken wil, die kan,
doch laat hem, laat hem zoeken.
Het beste biertje lust hem niet, het liefste liedje sust hem niet,
Het mooiste meisje kust hem niet,
Hoog het glas, hoog het hart,
hoog het lied !
2. De beker ruist, de beker schuimt !
Sa, makkers, fris en opgeruimd, het
glas aan uwe lippen !
Die op zijn kamer koekeloert,
En geestversnipp'rend dwaasheen
snoert, drink' water als de kippen !
3. Het pijpke dampt in monkelmond,
En spreidt wellustig in het rond,
studentikoze geuren !
Die steeds aan perkamenten kluift,
En perkamenten reuken snuift, krijgt
perkamenten kleuren !
4. De gilde juicht, de gilde viert !
Hoera ! De pet omhoog gezwierd, en nog eens hard geklonken
!
De blokker ligt reeds log en loom,
Gekweld door nare blokkersdroom, met
droge keel te ronken !
DE GROND IS WIT
E. Hellendoorn - E. van de Waals
De grond is wit, de nevel wit,
de wolken waar nog sneeuw in zit zijn wit dat zacht vergrijzelt.
Het fijn getakt geboomte zit met witte rijp beijzeld.
De wind houdt zich behoedzaam stil,
dat niet het minste takgetril 't kristallen kunstwerk breke,
de klank zelfs van mijn schreden wil zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit,
wat zwijgend toverland is dit ? Wat hemel loop ik onder ?
Ik vouw de handen een aanbid dit grootse stille wonder.
![]()
HET
GERSTENBIER VAN KYRIE
1. De harmonie van Bergijk, die speelt er toch zo schoon.
Ze hebben teveel gedronken, ze
hebben teveel geklonken.
Van 't gerstenbier van kyrie, 't gerstenbier van kyrie,
't Gerstenbier van kyrie eleison.
Eleison.
En als hij komt te sterven, drinkt
heel Bergijk van d'erven.
3.
De koster van Bergijk, vergat 'ne keer 'n lijk.
Hij had teveel geklonken, hij had
teveel gedronken.
4.
De dokter van Bergijk, die heeft haast geen praktijk.
Hij kan zo gauw niet wezen, of ze
zijn alweer genezen.
5.
Het raadshuis van Bergijk, dat is 'n kelder rijk.
En in die schone kelder, daar klinkt
het toch zo helder.
DE HOPMAN
Willie Jahn
1. De Hopman gaat ons voren, waarheen,
geen man die 't weet.
Des winters half bevroren, des
zomers gans bezweet.
De Dietse vendels strijden. Hoera, victoria !
Gaan de Dietse jeugd bevrijden.
Hoera, victoria !
Gaan de Dietse jeugd bevrijden.
Hoera, victoria !
2. Voor zon en wind en regen, en maken wij
geen halt.
Gaan wij langs slechte wegen, wij
denken: 't is asfalt.
3. Wij gaan ons vel riskeren, wij staan
niet meer alleen.
Marcheren, steeds marcheren, de
Hopman weet waarheen.
1. De kleremakers op hun feest die hielden
grote fooi (2x).
Dan aten zij genegentig, genegen maal negen maal negentig aan één gebakken vlooi (2x).
Wiedewiedewiet, met enen snok, knip knip
knip, aan t snijden,
den draad erin, den draad erdoor, laat het garen ronken.
2. En als zij hadden veel gesmuld, dan
dronken zij ook goed (2x).
Dan dronken zij genegentig, genegen maal negen maal negentig uit enen vingerhoed (2x).
3. Er werd gedanst en fel gespeeld gelijk
het nergens gaat (2x).
Zij speelden dan genegentig, genegen maal negen maal negentig op enen zijden draad (2x).
4. En als het was naar huis toe gaan dan
was er een getrek (2x).
dan reden zij genegentig, genegen maal negen maal negentig op enen solferstek (2x).
5. Te huis reeds stond de deure vast, zij
gingen fris en glad (2x).
Zij kropen dan genegentig, genegen maal negen maal negentig door t roeste
sleutelgat.
ALS
DE WINDEN VRIJ
Ferd. Vercnocke - Maurits
Veremans
1. De koekoek roept, de merel fluit, de
mus tsjilpt opgetogen;
Sa, jongen, wipt de nesten uit, de
velden ingetogen !
Als de winden vrij, alliho, alliho. Zo zwerven wij, alliho, alliho.
Wij treden blij naar buiten, al
zingend en al fluitend:
lalala.. Alliho,
alliho, alliho !
2. De dag zit in de klaren Oost, het
zongelaat gaat blaken.
En elke prille wang die bloost zal
zonnezoenen smaken !
3. Wij zien de zee, wij zien de stroom,
zien wouden en landouwen.
Wij vinden er een vrije boom om
ons een nest te bouwen !
DE
LANDSKNECHTTROMMEN
Bert Peleman - Armand
Preud'homme
1. De landsknechttrommen dreunen, zij
dreunen voor de strijd !
De landsknechttrommen dreunen, de
vendels staan bereid !
Rom, rom, rom ! Landsknechttrom
! Voer ons ten strijd, wij zijn bereid !
Rom, rom, rom ! Landsknechttrom ! Voer ons ten strijd, wij
zijn bereid !
2. De landsknechttrommen dreunen, zij
dreunen in de slag !
De landsknechttrommen dreunen, als
vuur waait onze vlag !
3. De landsknechttrommen dreunen, zij
dreunen in de dood !
De landsknechttrommen dreunen, het
vaderland wordt groot !
DAG
LIEVE JUFFROUW LENTE
L. Verbeeck -
Armand Preud'homme
De lente fluit
de winter uit, de zon geeft ons 'n kus.
De wereld zit
vol dromen, de bomen krijgen kleur,
Dag lieve juffrouw
lente, dag, rozen op je hoed.
Dag lieve juffrouw
lente, dag, rozen op je hoed.
De zonne die is
al vroeg uit bed, zij zit al in 't salon.
De tuin staat
vol met rozen en alles is vol zon,
ZEEROVERSLIED
J. Brandt Corstin
1.
De machtigste koning van storm en van wind is de arend geweldig en groot.
De vogels zij sidd'ren en vluchten
van angst voor zijn snavel en klauwende poot.
Als de leeuw verheft, zijn gebrul
des nachts dan verschrikt hij de dieren ermee.
Ja, wij zijn de heersers der aarde,
de koningen van de zee.
Tiralala
(4 maal), hoi, hoi ! Ja, wij zijn de heersers der aarde, de koningen van de zee.
2.
Verschijnt er een schip op de oceaan, ja, dan juichen wij luide en wild.
Ons trotse schip als een pijl uit
een boog, vliegt terstond door de wateren zilt.
De koopman wordt bang en hij siddert
van angst, de matrozen verwensen die dag.
Daar klimt aan de mast naar omhoge
onz' bloedrode zeeroversvlag !
3.
Wij werpen ons op het vijandige schip als een weggeslingerde speer.
De kanonnen dreunen, 't geweer knalt
rondom, en de enterbijl hakt keer op keer.
En reeds zinkt de vlag van de vijand
omlaag, overwinningsgeroep klinkt alom.
Lang leve de bruisende zee, lang
leve de zeeroverij.
De mei plezant willen wij planten, t
is nu de tijd zo dat behoort.
Men ziet nu vreugd aan alle kanten, de vogelkens zingen met zoet akkoord.
De bloemkens staan zeer wijd ontloken, al
door de dauw en zonneklaar.
Zij staan ter velde met zoete roken, komt met uw liefken paar aan paar.
Kom met uw liefke en wil inhalen de
mei zeer zoet en welgebloeid;
men zal u lonen vrij zonder falen, want uit de mei veel liefde groeit.
De rechte tijd is nu voorhanden, kom
met uw liefke vrij onverstoord,
trek met uw liefke in Venus' landen uit rechte liefde zo dat behoort.
Op harpen, snaren, wil triomferen, en
lustig zingen met blij geschal,
voor uw liefs vensterken, t is haar ter ere, deez meietijd gaat boven al.
WACHTLIED
E. Hiel - C. Van Hoof
De Noordzee bruist, de Noordzee stormt aan onze vrije Vlaamse
kusten;
Haar zangen onze harten vormt die naar het strijden dapper lusten.
Eens winnen wij de zegepraal, wij kennen plichten, willen rechten;
In Vlaand'ren Vlaams, klinkt onze taal, wij Vlamen zullen daarvoor vechten !
In Vlaand'ren Vlaams, klinkt onze taal, wij Vlamen zullen daarvoor vechten !
En zijn we jong, we hebben kracht, en deze kracht wordt sterk
en sterker.
We staan als kerels fier te wacht, voor 't Vlaamse volk, de harde werker.
Wij vrezen lasten, zorg noch pijn, wij willen dwang en onrecht slechten.
In Vlaand'ren Vlaams, zo moet het zijn, wij Vlamen zullen daarvoor vechten !
In Vlaand'ren Vlaams, zo moet het zijn, wij Vlamen zullen daarvoor vechten !
In 't zuiden wemelt vals verraad dat ons belaagt met vuile
laster;
Hoe meer het zuiden ons versmaadt, te koener wordt ons wacht en vaster.
Sluipt in het land de bastaardij, en maakt ze kruipers, Franse knechten:
In Vlaand'ren Vlaams, dat willen wij, wij Vlamen zullen daarvoor vechten !
In Vlaand'ren Vlaams, dat willen wij, wij Vlamen zullen daarvoor vechten !
DE NOORDZEE BRUIST
W. Gijssels R. Veremans
1. De Noordzee bruist een lied dat brandt, de zeewind draagt het mede.
Het zingt van vrijheid over t land, van
vreugd in dorp en stede.
De zonne vuurt de blijheid aan langs velden, weiden,
stromen,
waar steden met hun torens staan, waar woud en heide
dromen.
Daar is t dat ik geboren werd, waar moeder mij eens wiegde,
mijn land is Vlaandren, mijn land is
Vlaandren.
U mijn liefde, u mijn hart. Mijn land is
Vlaandren.
Mijn Vlaandren, u mijn liefde, u mijn hart !
2. Uw kunst, al wondren van natuur, die fier uw
ziel ontwelden,
in kleur en klank vol innig vuur, uw kunstnaars
zijn uw helden.
Alwaar ik mijne schreden richt komt mij uw beeld te
binnen,
en doet mij als een heilge plicht u immer meer
beminnen.
3. O schone steden, trots
en vroom, vol heilge feestvisioenen.
O stille dorpkens langs de stroom, waar veld en weide
groenen.
Ik min u, stad vol klokgetril en dorp, ik min u beide,
en t is er, als ik dromen wil, zo vreedzaam in de
heide.
DE
UYL DIE OP DEN PEERBOOM ZAT
De uyl die op den peerboom zat, den uyl die op den peerboom zat,
en boven zijn hoofd, daer zat er een
kat, van simme dondeine, van faridonla,
en boven zijn hoofd, daer zat er een
kat, den uyl vivat, den uyl vivat.
't
Was daer dat hij zijn pootje brak, 't was daer dat hij zijn pootje brak,
men prommelde hem al in enen zak,
van simme dondeine, van faridonla,
men prommelde hem al in enen zak,
den uyl vivat, den uyl vivat.
Men
droeg hem dan naer den doktoor, men droeg hem dan naar den doktoor,
de joffrouw die kwam zelve voor, van
simme dondeine, van faridonla,
de joffrouw die kwam zelve voor, den
uyl vivat, den uyl vivat.
Men
trok hem wel zes oncen bloed, men trok hem wel zes oncen bloed,
't is jammer dat hij sterven moet,
van simme dondeine, van faridonla,
't is jammer dat hij sterven moet,
den uyl vivat, den uyl vivat.
STERRENLIEDJE
E. Wauters - F. Dietrich
De ster, de ster, moet rondomme gaan.
Wij moeten vanavond nog verre
gaan;
wij moeten vanavond nog verre
gaan.
DE
LANDSKNECHTENTROM
Zweeds studentenlied
De stokoude wereld voorbij, fallera. Het
nieuwe jonge Dietsland, dat zijn wij, fallera.
Tot wij eens triomferen, zullen wij
marcheren,
Op stap naar de maat van de
landsknechtentrom.
Trots leugen en laster en haat, fallera. Trots al wie ons bespuwt en naar ons slaat,
fallera.
Geen duivel houdt ons tegen, wij
rukken aan ter zege,
Op stap naar de maat van de
landsknechtentrom.
Wij strijden uit plicht, niet om loon,
fallera. Want jong zijn en Dinaso, dat is schoon, fallera.
En moeten wij eens sneven, dan gaan
wij uit dit leven,
Op stap naar de maat van de
landsknechtentrom.
JUCHHEIDI
1. De student is vrolijk man, juchheidi, juchheida.
Zingt en drinkt zoveel hij kan, juchheidi,
heida.
Springt en lacht maar altijd
voort, En kent nergens droevig oord.
Juchheidi, juchheida, juchheidi, heidi, heida,
Juchheidi, juchheida,
juchheidi, heida.
2. En zo leeft hij vrolijk voort, juchheidi, juchheida.
In het schoon studentenoord,
juchheidi, heida.
Tussen boek en pijp en pint, waar
elk meisje hem bemint.
3. Overal de vlag in top ! Juchheidi, juchheida.
Held're ogen, warme kop.
Juchheidi, heida.
En de strijdzang langs de ree:
"Vliegt de Blauwvoet ? Storm op zee
!"
4. Leefden wij nog honderd jaar, juchheidi, juchheida.
Nooit en rouwde 't onze schaar.
Juchheidi, heida.
Al ons doen voor 't Vlaamse diet,
't gildeleven, 't gildelied.
BALLADE VAN DE TROMMELJONGEN
Jozef Joossens Marcel Cornelis
De trommeljongen moet weer heen: de hertog gaat ten strijd.
Een laffe vijand viel in t leen en kent geen wachtenstijd.
Hoort trommels dreunen luid, rofflende trommelaars treden trouw vooruit.
En daanval wordt gestuit, hangt weldra de zegevanen uit.
Beuk dan de trom, tors ze weerom, den lande om.
Ach moeder ween toch niet zo zeer, ge ziet me dra weerom.
Dra ziet ge moverlaan van eer met goudomkranste trom.
Hoort trommels dreunen luid, rofflende trommelaars treden trouw vooruit.
En daanval wordt gestuit, hangt weldra de zegevanen uit.
Beuk dan de trom, tors ze weerom, den lande om.
De eerste kogel zoeft langs hem en slaat zijn stokken stuk.
Maar handen beuken dra zo fel op t strakke trommelvel.
Hoort trommels dreunen luid, rofflende trommelaars treden trouw vooruit.
En daanval wordt gestuit, hangt weldra de zegevanen uit.
Toch dreunt mn trom, trom, rom, terom, hoort ge mn trom.
De tweede kogel knalt voor hem, doorboort de fiere trom.
Maar met de ene gave hand slaat hij op de trommelwand.
Hoort trommels dreunen luid, rofflende trommelaars treden trouw vooruit.
En daanval wordt gestuit, hangt weldra de zegevanen uit.
Toch dreunt mn trom, trom, rom, terom, hoort ge mn trom.
De derde kogel treft zn hart, toch dreunt de trommel
weer.
Daar stuikt de trommeljongen hard op deigen trommel neer.
k Zie trommeljongen, ach, om uwe mond een stille trouwe lach.
En in uw laatste kracht prevlen uwe jonge lippen zacht:
hertog vaarwel, trommel vaarwel, moeder vaarwel.
![]()
DE TROMMEL SLAAT
Tekst en toon: Remi Ghesquiere
1. De trommel slaat, de fluite gaat, de
wind ontvouwt de vane.
En, flink op stap, het knapenschap
komt zingend langs de bane.
Hoezee, hoezee ! Hoezee, hoezee !
En "vliegt de Blauwvoet,
vliegt de Blauwvoet ? Storm op zee !"
2. Ei ! Ruimt de baan al waar wij gaan, wij
zonen van de helden,
Die hielden vrij van slavernij hun
veie Vlaamse velden.
3. Zijt welgezind die Vlaand'ren mint: de toekomst hoort ons, knapen.
Wij ook, wij gaan de vijand slaan,
en gulden sporen rapen.
4.. De trommel slaat, de fluite gaat, de
wind ontvouwt de vane.
En in 't verschiet nog dreunt het
lied der knapen langs de bane !
De vastenavond die komt aan, wij zingen ho man ho.
Geef ons een pankoek uit de pan, en zo mijnheer, wel zo.
En nu het vastenavond is nu zijn wel alle keeltjes fris.
Van dirdondon, van dirdondon, van dirdondon dondirdondeine,
Het spelen gaat gewis.
Tsa meisjes zet de pan te vuur, slaat eiers in het meel.
En haalt een kruikje smokkelbier, zo smeren wij de keel.
Terwijl gij nu dan uit de haard de koekjes uit de pan vergaart,
Van dir
Wij spelen met de kaart.
Wat raad je, zal het klavertroef, of zal het schoppen zijn ?
Nee, geen van bei t is harteboef, en t aaske das voor mij !
Wel hé, wel hé, wat zeg je nu ? Zeg speel je mee of ben je schuw ?
Van dir
Zie, daar is lanterlu.
Hier dient ook wel een glaasje bij, ik drinke deze dronk,
op mijn gebuurkens aan weerszij, sa vrienden wij zijn jong !
Kom kus je meisje dat het raakt, terwijl de wijn ons allen smaakt.
Van dir
De vastenavond vrolijk maakt !
DE ZANGER
Albrecht Rodenbach - Renaat Veremans
De vedel aan de zijde, het lied in ziel en mond,
zo zwierf de zanger rond al in de oude tijden.
En riep hem stem- en schalenklang te midden leutig feestgedrang,
daar deed hij t snaartuig ronken vol tovrend harmonie,
en zong de zielen dronken van klank en poëzie,
en zong de zielen dronken van klank en poëzie.
Nog zwerft alhier de zanger en doolt stilzwijgend rond,
doch, houdt hij zijne mond, zijn ziel is liedrenzwanger.
Zweeg vreemd gezang en dorperlied, verstiet men zijne tale niet,
nog zou de zwerver komen en rijzen in de zaal,
vol beelden en vol dromen en klank en bonte taal,
vol beelden en vol dromen en klank en bonte taal.
Weer zong hij u de sagen van uit de oude tijd,
der helden grootse strijd en grootser nederlagen:
de lichte sprook met vroede zin, het lied der abele dichtermin,
het lied ons in geschapen, dat niemand zingen dorst
het lied der Dietse knapen dat smacht in veler borst,
het lied der Dietse knapen dat smacht in veler borst.
![]()
VLAANDEREN HERRIJST
Anton Van Wilderode - Renaat
Veremans
1. De vendels staan trots en verbeten, een
manschap op leven en dood,
Zij dragen een groots verleden, in
de dreun van hun klinkende schreden,
Wordt ook onze toekomst weer groot.
Jeugd die kan vechten en dromen, staat
rond de Leeuw en het Kruis,
Vlaand'ren het hard' en het
vrome, Vlaanderen blijft eeuwig, blijft eeuwig ons huis.
Ons hart is met Artevelde, en de ruk
van de springende Schelde,
Vaart nog als een vonk door ons
bloed.
3. Wij hebben de vreugd niet verloren, de
vriendschap die alles bestaat,
Ons lied, het schoon en sonore, onze
stap die de lauwen moet storen,
Klinkt voort tot de wereld vergaat.
KAMPVUURLIED
Margot Vos - Haydn
De vlammen wiegen zacht in zilv'ren
zomernacht, als bloemen rank en geel.
Daar zingt ted're vrede alom, O,
jonge makkers, wellekom.
Geen vogel roert zijn vlerk; wij weten diep en sterk, ons van de stilte deel.
Levend stroomt, uit goud gestart,
een zoete golf van hart tot hart.
Wat ons in schoonheid bindt, is eeuwig als de wind. Dit, makker zij ons deel.
In storm en strijd, die wacht,
gedenken wij de kampvuurnacht.
De vlammen wiegen zacht, in louter
vreugdepracht, als bloemen rank en geel.
Alle haat en duisternis verglijden
waar haar luister is.
HOLEHEDIHO
Ward De Beer
De vogels konden vrolijk en blij de mei, de wonderbare mei.
t Kwinkeleert en het musiceert overal en de zonne lokt de loverkens buiten.
Holehediho, komt mee allemaal, met vedels en met
luiten.
Met vedels en met luit treden wij de mei, de wonderbare mei.
Bonte kleur, frisse lentegeur overal, ieder bloemke wil de zonne betrachten.
Holehediho, komt mee allemaal, en wilt de mei planten.
DE
VOGELS ZIJN HEEN
J. Worp - R. Loveling
De vogels zijn heen en de velden zijn naakt, de wei vol
waterplassen;
de blad'ren liggen in het slijk die in de lente wassen.
Het lichte zaad der distels waait in pluimkens langs de wegen;
de wind waait door de naakte boom, de hemel dreigt met regen.
HET LEGER UIT KERLINGALAND
Jef
Lesage - Armand Preud'homme
1. De vrijheidszwaarden vroom gewijd
vast in ons vuist gekneld !
Met Zannekin gaan we ten strijd
naar 't oude Kasselveld.
Als het noodvuur in Vlaand'ren brandt rood in de nacht,
Staat de jeugd van
Kerlingaland, trouw op de wacht !
2. De trommen roff'len voor de slag,
klaroenen schallen wijd,
Wij bouwen rond de Leeuwenvlag een
wal van weerbaarheid.
3. En bijten velen in't zand, wij
blijven moedig trouw !
Want 't leger uit Kerlingaland
kent zege slechts of rouw !
LENTEGROET
Jan W. Robrecht - Robert Schumann
De wilde jacht is lang voorbij, welkom, welkom lente !
Door u smolt weg de winterpij, welkom, welkom lente !
Blije lente over t land, groeten wij nu vro met zang en klank, met zang en klank.
Gij komt, en vruchtbaar lokt de aard, welkom, welkom
lente !
Door u bloeit veld en woud en gaard, welkom, welkom lente !
Vreugde klinkt nu overal, helder zingt opnieuw de nachtigaal, de nachtigaal.
Waar Balder weer geboren wordt, welkom, welkom lente !
En Freya t liefdeskleed omgordt, welkom, welkom lente !
Vlinders dansen in de jeugd, morgen zingt de kring van kindervreugd, van
kindervreugd.
DIE WINTER IS VERGANGEN
De winter is vergangen, ik zie des meien schijn.
Ik zie die bloemkens hangen, des is mijn hert verblijd.
Zo ver aan genen dale, daar is 't genoeglijk zijn.
Daar zinget die nachtegale, als menig woudvogelkijn.
Ik wil den Mei gaan houwen, al in dat groene gras.
Ende schenken mijn boel die trouwen, die mi die lieveste was.
Ende bidden dat zi wil komen, al voor haar vensterken staan.
Ende ontvangen den Mei met bloemen, hi is zo wel gedaan.
Adieu, mijn allerliefste, adieu, schoon bloemken fijn.
Adieu, schoon rozebloeme, daar moet gescheiden zijn !
Tot dat ik wederkome, die liefste zoudt gi zijn.
Dat hert in minen live, dat hoort ja altijd dijn.
![]()
DE HOGE TIJD
Jan W. Robrecht Rijnlandse
melodie
De zonne reikt naar hoge tijd, neem
Freyas ring en wees bereid.
Een leven vraagt naar trouwe daad.
De zonne reikt naar hoge tijd, een hart
dat kampt verwint de strijd.
Behoed uw eed voor laf verraad.
Gegrift in eik ons rune staat.