D
Daar boven uit het vensterke
Daar is maar één
land
Daar was e wuf
die spon
Daar was
laatst een meisje loos
Dan mocht de beiaard spelen
Des winters als het regent
Die nachtegaal die zank een lied
Die Stimme unseres Küsters
Die studentejare gaan verby
Die sweep het geklap
Dietse vendels breken baan
Die
wachten, die wikken en wegen
Dis die blond, dis die blou
Dit ganse jaar klinkt één parool
Dit is de tijd
Dood ging eens een raspaard
Door de golven woest gewoel
Door de Nederlanden
Door eenzelfde wet eens
verbonden
Door mijn woning speelt een zonnig
licht
Drie Hogen begroeten
Drie schuintamboers
Drie vrienden, die gingen eens op zwier
Drink to me only
Drink uit dan broeder, drink
Terug naar alfabet
Terug naar inhoud per thema
Daar boven uit het
vensterke, daar lag een mooi meisje fijn.
Meteen kwam
daar een smid voorbij, sprak: meisje meen je mijn ?
Nee, zeide
zij, lelijke zwarte smid, mijn vel dat is voor jou te wit,
jij zult er
mijn man niet zijn, jij zult er mijn man niet zijn.
Daar boven uit het
vensterke, daar lag een mooi meisje fijn.
Meteen kwam
daar een schoenlapper aan, sprak: meisje meen je mijn ?
Nee, zeide
zij, lelijke pikkedraad, jij naait er zo menige valse naad,
jij zult er
mijn man niet zijn, jij zult er mijn man niet zijn.
Daar boven uit het
vensterke, daar lag een mooi meisje fijn.
Meteen kwam
daar een timmerman aan, sprak: meisje meen je mijn ?
Nee, zeide
zij, lelijke timmerman, jij boort er een gat en je weet er niet van,
jij zult er
mijn man niet zijn, jij zult er mijn man niet zijn.
Daar boven uit het
vensterke, daar lag een mooi meisje fijn.
Meteen kwam
daar een matroos voorbij, sprak: meisje meen je mijn ?
Ja, zeide
zij, mooie blanke matroos, ik wil je wel hebben voor nu en altoos,
jij zult er
mijn man wel zijn, jij zult er mijn man wel zijn.
DAAR IS MAAR EEN VLAANDEREN
Renè De Clercq - Jef Van Hoof
Daar is maar één land, dat mijn land
kan zijn.
Daar rukt niet de Rhône, daar
stroomt niet de Rijn.
Daar vloeit maar de Leie, en de
Schelde die brandt.
Daar is maar één Vlaand'ren, 't
is mijn land !
Daar is maar één land, dat mijn land
kan zijn.
Daar is maar één vreugd, daar is
maar één pijn.
Daar is maar één liefde, daar is
maar één haat.
Daar is maar één Vlaand'ren en
't vergaat.
Daar is maar één land, dat mijn land
kan zijn.
Het groeit naar de daad, en die
daad is mijn.
Het wordt in de wereld veel of
niets.
Daar is maar één Vlaand'ren en
't is Diets !
DAAR
WAS E WUF DIE SPON
Uit Duinkerken
1. Daar was e wuf die spon, daar was e
wuf die spon.
Al op een houten spinnewiel, daar
was geen toorteltjen aan.
Vive la peperbusse,
vive la spa, tra la la la.
Gize
gaze gouze, ron flon flouze, traderadera !
2. Haar mutse stoeg verdraaid, haar
mutse stoeg verdraaid.
Gelijk een Hollands moleken, die
met al windeken draait.
3. Dat wuf had enen zin, dat wuf had
enen zin.
Als zij 's morgens buiten kroop,
's avonds kroop zij erin.
4. Dat wuf had enen man, dat wuf had
enen man.
's Zondags heet hij Pieter, 's
maandags heet hij Jan.
DAAR WAS LAATST EEN MEISJE LOOS
Daar was laatst een meisje loos,
die wou gaan varen, die wou gaan varen.
Daar was laatst een meisje loos,
die wou gaan varen als lichtmatroos.
Zij moest klimmen in de mast, maken de
zeilen, maken de zeilen,
Zij moest klimmen in de mast,
maken de zeilen met touwtjes vast.
Maar door storm en regenweer, sloegen de
zeilen, sloegen de zeilen,
Maar door storm en regenweer,
sloegen de zeilen van boven neer.
Zij moest komen in de kajuit, kreeg een
pak ransel, kreeg een pak ransel,
Zij moest komen in de kajuit,
kreeg een pak ransel en toen was het uit.
"Ach, kap'teintje, sla me niet, ik
ben uw liefje, ik ben uw liefje,
Ach, kap'teintje, sla me niet, ik
ben uw liefje zoals gij ziet."
BEIAARDLIED
Julius De Geyter - Peter Benoit
Dan mocht de beiaard spelen, van al uw
torentransen,
Dan mocht de grijsheid kwelen, dan
mocht de jonkheid dansen.
Dan schiept gij opgetogen tot
prinsen, Vlaamse steden,
Die onder zegebogen, op zegewagens
reden.
Dan liet gij uw rondelen en kanten
gevels glanzen;
Dan hieldt gij landjuwelen; dan
vlocht gij lauwerkransen.
Dan spreiddet gij voor d'ogen uw
vrijheid, kunst en zegen.
Op allen mocht gij bogen, om allen
werd g'aanbeden.
HET
LOZE VISSERTJE
1. Des winters als het regent, dan zijn de paadjes diep, ja diep,
Dan komt het loze vissertje, vissen
al in dat riet, ja riet.
Met zijne rijfstok, met zijne strijkstok,
Met zijne lapzak, met zijne
knapzak,
Met zijne lere, van dirre domme
dere,
Met zijne lere laarsjes aan.
(bis)
2. Dat loze molenarinnetje, ging in haar deurtje staan, ja staan,
Opdat dat aardig vissertje, voorbij
haar heen zou gaan, ja gaan.
3. Wat heb ik u misdreven,
wat heb ik u misdaan, ja daan,
En dat ik niet met vrede, voorbij uw
deur mag gaan, ja gaan.
Met mijne...
4. Gij hebt mij niets misdreven, gij hebt
mij niets misdaan, ja daan,
Maar gij moet mij driemaal
zoenen,eer gij van hier moogt gaan, ja gaan.
Met uwe...
Die nachtegaal die zank een lied, dat
leerde ik;
ik hebbe een verholen lief, die vrijde ik;
en die wil ik niet laten, ja laten,
ik hope nog een kort half nacht in mijn liefs arm te slapen.
Die moeder van den bedde sprank, ontstak
haar licht;
zij vand haar jongste dochter op haar bedde nicht;
Waar is zij nu gegangen, ja gangen,
nu is mijn jongste dochter weg met een zo vreemde manne.
Hij was mij al zo vreemde niet, hij
had mij lief.
Hij voerde mij over die heiden, hij misdeed mij niet,
hij voerde mij over die heiden, ja heiden;
daar twee schoon liefkens samen gaan, hoe nood is t dat zij scheiden.
Daar twee goe liefkens samen aan den danse
gaan,
hoe vriendlijk zij haar oogskens op malkander slaan,
gelijk die morgensterre, ja sterre;
mijn hertken is van zulker aard: bruin oogskens zie ik geerne.
TUNKE
1. Die Stimme uns'res Küsters, ist nur ein leis' Geflüsters, vor dem Trompetenschall,
ja vor dem Schall, (7 maal) vor dem Trompeten..
tunke tunke tunke
fideralalalala, (2 maal)
vor dem Trompetenschall, ja vor
dem Schall !
2. Viola, Bass und Geige, die müssen
alle schweigen, vor dem Trompetenschall,
3. Die Vöglein in dem walde, die schweigen also balde, vor dem Trompetenschall,
4. Leb' wohl, mein kleines Städtchen, leb' wohl, schwarzbraunes Mädchen,
leb' wohl und denk' an mich, und
denk' an mich, (7 maal) leb' wohl und denk' an..
tunke tunke tunke fideralalalala,
(2 maal)
leb' wohl und denk' an mich, ja
denk' an mich !
5. Mein Löwen, du sollst leben, sollst reichen Stoff mir geben, du bist ein Bierkanal,
ja Bierkanal, (7 maal) du bist ein
Bierka.. tunke tunke tunke fideralalalala, (2 maal)
du bist ein Bierkanal, ja
Bierkanal !
![]()
STUDENTELIED
C.F. Visser - Emiel Hullebroeck
Die studentejare gaan verby, verby
studenteweelde;
Nooit keer hul ooit terug vir my:
die tyd, die lieflingsbeelde.
Die koringmeul wil nie meer maal,
my skulde moet ek self betaal !
O, treurigheid op note, ek staan op
eie pote.
O, treurigheid op note, ek staan op eie pote.
Soos mieliepitte spat uiteen die oue
troue vrinde;
Ek staan nou moedersiel alleen, en
is maar net bediende.
Ek is nie meer myn eie baas, ek
werk met Paul en Piet en Klaas.
O, treurigheid op note, ek staan op
eie pote.
O, treurigheid op note, ek staan op eie pote.
Maar moe nie glô, al word ons oud, ons
hart kan ooit verander.
Ons liefde is nog lang nie koud,
ons staan nog by mekander.
Dus vriende reik mekaar die hand,
hernuw die heil'ge vriendskapsband.
Gaan dit met stamp' en stote, nog
bly ons op ons pote.
Gaan dit met stamp' en stote, nog bly ons op ons pote.
DIE
SWEEP HET GEKLAP
Carinus - Walter Kittredge
1. Die sweep het geklap, en die wawiele
draai, al agter die rooispan aan.
Ons hart is swaar, die skeiding is
daar, van die plaas waar ons tuis te staan.
Trek oor die vlakte, en trek oor die rand ! Stadig nou, briek aan draai.
Hot agter ! Haar agter ! Vat nou die wa ! Geluk lê net om die
draai !
Uitspan vanaand, uitspan
vanaand, uitspan op Mooifontein !
Hot agter ! Haar agter ! Vat nou die wa ! Geluk lê net om die
draai !
2. Met jou aan my sy, o liefste van my, dan vrees ek geen gevaar.
Die wildernis in om die vryheid te
win, daar word ons drome waar.
![]()
DIETSE VENDELS
Wim Verreycken
1. Dietse vendels breken baan. V.N.J.
marcheert vooraan.
Laat de brave burger schelden,
Goedzaks woede schenkt ons vreugd.
Wij gaan rechtaf op ons doel:
toekomst hoort de jeugd !
Blauwvoetvendels, Meisjesscharen marcheren. Recht naar de stralende zon !
Blauwvoetvendels,
Meisjesscharen marcheren. Vlaand'ren wordt Dietsland weerom !
2. Dietse vendels breken baan. V.N.J. marcheert vooraan.
Tegen rode wereldwoeker, Vormen
wij een woud van eik,
Dat elk onkruid nederslaat.
Vlaamse volk wordt staat !
3. Dietse vendels breken baan. V.N.J.
marcheert vooraan.
Wieke naar de vrije einder weer de
trotse Blauwvoet mee.
Dreune luider uw parool:
Rodenbachs "Houzee !"
DIE
WACHTEN, DIE WIKKEN EN WEGEN
Bert
Peleman - Armand Preud'homme
1. Die wachten, die wikken en wegen,
dwingt thans tot een keuze de tijd.
Die denken "niet voor of niet
tegen", aanbidden de neutraliteit.
Zij huich'len en kletsen en loeren,
zij kijken de kat uit de boom.
Zij weig'ren de strijd thans te
voeren, en vechten alleen in hun droom.
Wat kan hun beleid hen nog baten? Wij strijden, wij strijden, de laffen ten spijt.
Wij worden de stalen soldaten,
wij smeden, wij smeden, de gloeiende tijd.
2. Ook blijven die heren: "neutralen", wij kozen het open gevecht.
Al kwam zelfs de duivel ons halen,
wij kampen voor vrijheid en recht.
Wij hebben de laarzen gegrepen,
pantoffels begeren wij niet.
Wij kunnen met Dietsland nog dwepen,
wij zingen het stormende lied.
3. Die dralen, die dreigen en dromen,
onteren de brandende strijd.
Door merg en door been laat nu
stromen soldatenbloed, Dietsland gewijd.
De kampwil in 't hart kameraden,
marcheren wij zingend ten strijd.
Die 't vaderland hart'loos verraden,
zijn d'heren der neutraliteit.
DIS AL
Jan F.E. Celliers - Jan Bouws
Dis die blond, dis die blou, dis die veld, dis die lug,
en een voël draai bowe in eensame vlug. Dis al.
Dis n balling gekom oor die oseaan, dis n graf in die gras,
dis n vallende traan. Dis al.
DIENST DOEN
Wim Verreycken - Rover
Dit ganse jaar klinkt één parool: doe
dienst, dienst doen !
In elke schaar, tot ieder 't
hoort: doe dienst, dienst doen !
1. In Vlaanderland brengt elk seizoen een reden om naar buiten te gaan.
Naar verre kim, naar nieuwe grens,
waar ieder kind, waar ieder mens,
dit eigen land leert minnen, dit
eigen volk leert dienen.
2. Asfalt, kassei of aardeweg, die dreunen onder Blauwvoetkadans.
Dit is een tijd vol dadendrang.
Wees nu bereid tot Vlamenzang.
Zie blij de zonne klimmen, een
gouden dag beginnen.
DIT
IS DE TIJD
B.
Broes - Miel Cools
Dit is de tijd dat van land tot land, de
stormwind waait, die zucht van eeuwen lijden,
die zuiv'ren zal en kaf van koren
scheiden.
Dat schrijlings op een wolkenrand,
voor nieuw geloof, de nieuwe eng'len rijden.
Dit is de tijd !
Dit is de tijd dat van stad tot stad, de
vonken slaan waarin zich pijn ontspande,
tot zuiv'rend vuur dat alles zal
verbranden.
En 't huis waaraan de tijdworm
vrat, tot as vergaat met balken en met wanden.
Dit is de tijd !
Dit is de tijd dat van straat tot
straat, de boodschap kruipt dat tirannen moeten wijken.
Dat jonge handen nieuwe maten
ijken,
die morgen als de gongslag gaat,
de meters zijn voor armen en voor rijken.
Dit is de tijd !
Dit is de tijd dat van huis tot huis, de
zekerheid groeit dat 't ergste is geleden,
de zekerheid dat 't hardste is
gestreden.
En 't oude spel van kat en muis,
verleden wordt waarover walsen reden.
Dit is de tijd !
EEN RASPAARD
Jan W. Robrecht Hans Baumann
Dood ging eens een raspaard, hoju, hoju,
hoju.
Vloog op wolk naar Asgaard, hoju,
hoju, hoju.
Honderd klein kobolden, wat een
pret, wat een pret,
Op zijn rug rondtolden, wat een
dolle pret.
Eén er af gegleden, oei, oei,
oei,
Naar de aard beneden, oei,
oei, oei, en dat zijt gij !
![]()
VIKINGERLIED
1. Door de golven woest gewoel, Vikingerboot naar 't verre doel.
Door de golven die u slaan, breekt
gij zeker uwe baan.
Kameraad en bondgenoot, blijft gij
nog steeds, o fiere boot.
En uw wimpel hel en fris, toont ons
wie uw leider is.
De zilv'ren Griffoen op het vlammende rood, het Vikingervaandel in voorspoed en nood.
Bij lachende zonne, bij stormende
zee, het Vikingervaandel waait allen tijd mee.
2. Rustig, als de meeuwen, glijdt zacht uwe boeg die 't water splijt,
Tot een veilige haven blinkt, waar
een vrolijk meisje winkt.
Velen aan het verre strand groeten
in u het vaderland.
Zij zijn fier en diep ontroerd, wijl
gij 't oude vaandel voert.
3. Is de wilde jacht voorbij, omlaag de
zeilen, fluks en blij.
Als de zon de einder raakt, jonge
dromen zijn ontwaakt.
In de vert' een lied dat schalt, nu
hier kampvuur vlamt en knalt.
Onze wimpel houdt de wacht, boven
tent en boot en nacht.
DE
SCHELDE
Theodoor Sevens - Karel Mestdagh
1. Door de Nederlanden, naar de wijde,
diepe zee, stroomt de schone Schelde,
stroomt de schone Schelde. Heil en
leven brengt ze mee ! Des juichen wij:
O, Schelde ! O, Schelde ! O machtige,
prachtige vloed, wees gegroet.
2. Door de Nederlanden, waar de krijg heeft uitgewoed, stroomt de vrije Schelde,
stroomt de vrije Schelde. Maar de
vrijheid kostte bloed ! Toch juichen wij:
3. Door de Nederlanden, vrolijk zingend
eeuwen lang, stroomt de lieve Schelde,
stroomt de lieve Schelde. Vrij van
vreemde band en dwang ! Dan juicht ons kroost:
DOOR EEN ZELFDE WET
Dr. R. De Meester
Door een zelfde wet eens verbonden in vaste geslotene rij,
daar trekken de oude gezichten nog eens aan mijn ogen voorbij.
Ik heb u eenmaal als makker zien schrijden, t vuur in dogen en stralend blij
t gemoed,
vast besloten om dapper te strijden, ach, wie weet wat het leven soms doet.
Maar eenmaal vind ik bij t kruisen der wegen, schone jeugd, ach wat keert gij niet
meer,
wijl een groet komt van ver mij tegen, mijne oude patrouilleleiders weer.
HEMELHUIS
René De Clercq
Door mijn woning speelt een zonnig
licht.
'k Voel m'een kleine koning in mijn grote plicht:
Vrouw en kind te schragen op mijn
sterke jeugd;
En ze hoog te dragen in mijn vreugd !
Daar op t schouwke prijkt mijn enig kruis.
Wees mijn engel, vrouwke,
Wees mijn stoutste roemen, wees
mijn zoetste troost,
frisse levensbloemen, krachtig kroost.
O, mijn kind'ren ! Graag gebroken brood !
Zou 't geluk vermind'ren waar de last vergroot ?
Zou men armoe lijden om een mondje
meer ?
Och, waar mensen strijden helpt de Heer !
![]()
DRIE HOGEN
Jan W. Robrecht uit
Oberbayern
Drie Hogen begroeten de geboorte van
t licht.
Zij reppen hun schreden want
wekroep is plicht.
In t noorden nog stille en
koud, wordt bald weer vervangen wat oud.
Drie Wijzen strooien woorden als zaden in t rond.
Verwarmen de harten, bevruchten de
grond.
Waar blijheid en vreugde gebracht,
groeit trouwe en eerlijke kracht.
![]()
DRIE
SCHUINTAMBOERS
1. Drie schuintamboers, die kwamen uit het Oosten,
van rom, bom, wat maal ik er om ?
Die kwamen uit het Oosten rom, bom !
2. Eén van de drie, zag daar een aardig meisje. Eén van de drie, zag daar een aardig
meisje.
3. Zeg meisje lief, mag ik
met jou verkeren ? Zeg meisje lief, mag ik met jou verkeren ?
4. Zeg jonge man, dat moet
je mijn vader vragen.
5. Zeg ouwe heer, mag ik
jouw dochter trouwen ? Want
zij is mij, de schoonste aller vrouwen.
6. Zeg jonge man, zeg mij
wat is jouw rijkdom ? Zeg jonge man, zeg mij wat is jouw rijkdom ?
7. Mijn rijkdom is, daar
wil ik niet om jokken,
8. Nee, schuintamboer, mijn
kind kun jij niet krijgen.
9.Zeg ouwe heer, ik heb nog
iets vergeten.
10. Mijn vader is
Groothertog van Brittanje. Mijn moeder is de koningin van Spanje.
11. Zeg jonge man, je mag
mijn dochter trouwen.
1. Drie vrienden, drie vrienden die gingen
eens op zwier. Zij dronken geen water, zij dronken bier.
Een twee drij, luistert eens naar mij,
2. Zij kozen een caféke op t hoekske
van de straat, daar brandde een rood lichtje tot s avonds laat.
3. Madammeken en tapt er eens een goei pint bier, en roept er eens gauw uw schoon
dochterken hier.
4. Da bier da werd geschonken en zhemmen het gedronken, maar t maske da
kwam niet want ze had een groot verdriet.
5. Heuren vrijer die had heur leed aangedaan, en heur op de koop toe op straat
laten staan.
6. Zij zijn er dan met drieën naar da kamerke gegaan, ze spraken da maske zo
vriendelijk aan.
7. De eerste die zei och schreeuw toch niet meer, een kinneke kopen dat doet
toch geen zeer.
8. Den tweede die zei k hem toch zo ne kou, schuif een beetje op en ik
leg me bij jou.
9. De maske da zei ge zijt gij niet goed, ga uit mijn bed of ik roep ons
moe.
10. Den derde die raakte heur zachtekens aan, toen is er da maske al opgestaan.
11. Ze zijn er dan getrouwd al op ne zaterdag, terwijl er in t voituurke al
een kinneke lag.
12. Sa vrienden, sa vrienden, voor t lest ne goeie raad: drinkt toch geen
bier als ge naar de maskes gaat.
![]()
DRINK TO ME ONLY
Ben
Jonson
Drink to me only
with thine eyes, and I will pledge with mine;
Or
leave a kiss within the cup, and I'll not ask for wine.
The
first that from the soul doth rise, doth ask a drink divine;
But
might I of Jove's nectar sup, I would not change for thine.
I sent thee late a rosy wreath, not so much hon'ring thee.
As
giving it a hope, that there it could not wither' be;
But
thou there-on didst only breathe, and sent'st it back to me;
Since
when it grows and smells, I swear, not of it-self, but thee.
TJECHISCH DRINKLIED
Dr. Dries Devos
Drink uit dan broeder, drink, drink uit tot
op de grond,
Want nooit zien wons weerom voor t volle jaar is rond.
Drink uit dan broeder, drink, drink uit tot op de grond,
Want nooit zien wons weerom voor t volle jaar is rond.
En daarom drink maar, drink maar, drink maar, zolang de beker ons nog wenkt,
En daarom drink maar, drink maar, drink maar, zolang een druppel wijn nog blinkt.
En daarom drink maar, drink, maar, drink maar, eer we malkander t afscheid bien,
En daarom drink maar, drink maar, drink maar, drink op het vrolijk wederzien !