A
A, a, a,
valete studia
Ach bitt're winter, wat ben je koud
A la claire
fontaine
Al die daar zegt de reus
die komt
Al die willen te kap'ren varen
Al huilen stormen
Alle kleine
eendjes
Allen
die willen naar Island gaan
Alle Vögel sind schon da
Al onder de weg
van Maldegem
Als dauw weerkaatst het jonge
licht
Als
de brem bloeit
Als
de kerels gaan op toer
Als de kerels
tegare zijn
Als de rombom
heeft geslagen
Als de zwarte
kerels gaan marcheren
Als eik in
Laagland vast gepland
Als hoog in
de mast onze Blauwvoet jaagt
Als ik wat laat naar
huistoe kom
Als
met hun leeuwevlaggen
Als moeder zong
Als over 't
wijde land
Als
Uilenspiegel is opgestaan
Als wij schrijden,
dicht gerijd
Am brunnen
vor dem Tore
Anker, o kanker van 't
mensengeslacht (ABC der jeneverkroeg)
Ännchen van
Tharau
Arge winter, gij zijt koud
Auf
der Lüneburger Heide
Terug naar alfabet
Terug naar inhoud per thema
A, a, a, valete studia.
Studia relinquimus, patriam repetimus.
A, a, a, valete studia, valete studia !
E, e, e, ite, miseriae.
Instant nobis feriae, tempus est laetitiae.
E, e, e, ite, miseriae, ite miseriae !
I, i, i, vivant philosophi
! Studioso parvuli, etiam sunt bibuli.
I, i, i, vivant philosophi, vivant philosophi !
O, o, o, nil est in poculo:
repleatur denuo ! Nummi sunt in sacculo,
O, o, o, nil est in poculo, nil est in poculo !
U, u, u, ingente spiritu !
Celebramus epulas, cras habemus ferias,
U, u, u, ingente spiritu, ingente spiritu !
IJ, ij, ij, kom schenk en
drink met mij, want wij zijn hier niet gekomen
IJ,
ij, ij, kom schenk en drink met mij, kom schenk en drink met mij !
ACH BITTERE WINTER
Gottfried Wolters
Ach bitt're winter, wat ben je koud,
het eenmaal groene woud lijkt nu zo oud,
jij hebt gedood de bloempjes op de heide.
Waar eens het groene blad, is alles kaal,
gevlucht naar warmer oord de nachtegaal.
Hij is gevlucht, maar eens toch komt hij weder.
A LA CLAIRE
FONTAINE
1. A la
claire fontaine, m'en allant promener,
J'ai trouver
l'eau si belle, que je m'y suis baigné.
Sur la plus
haute branche, le rossignol chantait.
3. Chante rossignol, chante,
toi qui as le coeur gai;
Tu as le
coeur à rire, moi je l'ai à pleurer.
4. J'ai perdu mon amie, sans
l'avoir mérité,
Pour un
bouquet de roses, que je lui refusai.
5. Je voudrais que la rose,
fût encore à planter,
Et que ma
douce amie, fût encore à m'aimer.
Al die daar zegt: de reus die komt, de reus die komt, ze liegen erom,
kere weerom, reuske, reuske, kere weerom reuzegom.
Sa moeder snijdt een boterham, een boterham, de reus is gram,
kere weerom, reuske, reuske, kere weerom reuzegom.
Sa moeder tap van t beste bier, van t beste bier, de reus is hier,
kere weerom, reuske, reuske, kere weerom reuzegom.
Sa moeder stop nu maar het vat, nu maar het vat, de reus is zat,
kere weerom, reuske, reuske, kere weerom reuzegom.
Jan, Pier, Tjores en Corneel, die hebben
baarden, die hebben baarden.
Jan, Pier, Tjores en Corneel, die hebben
baarden, zij varen mee.
AL HUILEN STORMEN
Yvonne de Man Schubert
Al huilen stormen nog zo fel, wij gaan vooruit en
zingen.
Vooruit zo roept ons jeugdig bloed, vooruit
met onversaagde moed,
Het zonlicht tegemoet, het zonlicht tegemoet.
Geen macht, geen kracht stuit onze gang, wij kennen
grens noch palen.
De toekomst brengt geluk en vreugd, de
toekomst makkers aan de jeugd,
En t zonlicht tegemoet, en t
zonlicht tegemoet.
Een nieuwe wereld dragen wij op onze jonge
schouders.
Het land van licht en zonneschijn, dit land
het zal het onze zijn.
Nu t zonlicht tegemoet, nu t
zonlicht tegemoet.
Alle kleine eendjes zwemmen
in het meer, zwemmen in het meer.
Kopje onder water, staartje op en neer.
Kopje onder water, staartje op en neer.
Alle grote zwanen zwemmen
in het meer, zwemmen in het meer.
Kop gaat onder water, staart gaat op en neer.
Kop gaat onder water, staart gaat op en neer.
Allen die willen naar Island gaan, om kabeljauw te
vangen en te vissen met verlangen;
Naar Iseland, naar Iseland, naar Island toe;
tot drieëndertig reizen zij zijn nog niet moe.
Komt ons de tijd van de fooie aan, wij dansen met
behagen en wij weten van geen klagen;
Maar komt de tijd, maar komt de tijd naar zee
te gaan,
Als er de wind uit het Noorden waait, wij gaan naar
de herberge en wij drinken zonder erge.
Wij drinken daar, wij drinken daar op ons
gemak, tot dat de leste stuiver is uit onze zak.
"Die wind die speelt ons perten; 't zal
beter zijn, 't zal beter zijn, 't zal beter zijn,
Te lopen voor de wind recht het kanaal maar
in ".
Langs de Lezaars, de Schorels voorbij, vandaar al
naar Kaap Claire,
Toen komt er bij, toen komt er bij ons
stureman,
ALLE VÖGEL
Hoffman van Fallersleben
Alle Vögel sind schon da,
alle Vögel, alle.
Welch ein singen, jubiliern, pfeifen, zwitschern, tireliern.
Frühling will nun einmarschiern, kommt mit Sang und Schalle.
Wie sie alle lustig sind,
flinf und Froh sich regen.
Amsel, Drossel, Fink und Star, und die ganze Vögelschar,
wünschen dir ein frohes Jahr, lauter Heil uns Segen.
Was sie uns verkündet nun,
nehmen wir zu Herzen.
Wir auch wollen lustig sein, lustig wie die Vögelein,
hier und dort, feldaus, feldein, singen, springen, scherzen.
Al onder de weg van Maldegem, malle
malle malle malle Maldegem,
al onder de weg van Maldegem daar zat een wuf dat spon.
1. Dat wuf dat zat en spon gielegon, dat
wuf dat zat en spon
al op een houten wieleke, wiele wiele wiele wiele wieleke,
al op een houten wieleke, daar was geen draaiing aan, daar was geen draaiing aan.
2. Dat wuf had een schapraai gielegaai, dat
wuf had een schapraai.
Van boven zet zhaar boterke, bobo bobo bobo bobo boterke,
van boven zet zhaar boterke, van onder hare kaas, van onder hare kaas.
3. Dat wuf dat ging op zee gielegee, dat
wuf dat ging op zee.
Al op een houten lepelke, lele lele lele lele lepelke,
al op een houten lepelke, daar was geen steelken aan, daar was geen steelken aan.
4. Dat wuf verdronk in zee gielegee, dat
wuf verdronk in zee.
Al in dat diepe waterke, wawa wawa wawa wawa waterke,
al in dat diepe waterke, daar was geen doen meer aan, daar was geen doen meer aan.
5. Dat wuf ging naar de hel, gielegel, dat
wuf ging naar de hel.
Den duivel maakte min met haar, minne minne minne minne min met haar,
den duivel maakte min met haar, zij spon met veel misbaar, zij spon met veel
misbaar.
TJO-RI-I !
Jan
W. Robrecht Hans Baumann
Als dauw weerkaatst het jonge licht,
tjo-tjo-o-ri-i, en nevel dekt nog weiden dicht, tjo-tjo-o-ri-i,
Als schuchtre zon kleurt zilverig dauw:
dan komt lentedag in zicht,
Met luchten warm en hemel zo blauw,
tjo-tjo-o-ri-i.
Een eerste haan roept fier met kracht:
tjo-tjo-o-ri-i, de nachtuil duikt in slapersvacht, tjo-tjo-o-ri-i.
Konijntje kijkt verbaasd in t rond, het
zag voorheen nooit zulke pracht.
De zonne klimt naar de morgenstond. Tjo-tjo-o-ri-i.
De leeuwrik laddert naar omhoog,
tjo-tjo-o-ri-i, een buizerd bidt met speurend oog, tjo-tjo-o-ri-i.
Ook mens wrijft nu de ogen uit, hij zoekt
maar vindt geen regenboog,
En zingt met alle schepsels luid:
tjo-tjo-o-ri-i !
ALS DE BREM BLOEIT
J. Simons - Armand
Preud'homme
Als de brem bloeit staat de heide dag en nacht in
vlam en vuur.
En de kim gloeit aller zijden, gele brand op
blauw azuur !
Als de brem bloeit in de Kempen, is de winter
moe gesard;
Als de brem bloeit is de Lente daar terug in
het land van mijn hart.
Als de brem bloeit, alle vogels keert uit verre
zuidervlucht.
En de leeuwerik rept de vlogel, hangt te
veed'len in de lucht !
Als de brem bloeit op de heide, schalt een
lied uit haal en kant,
Als de brem bloeit is de lente terug in mijn
oud Kempenland.
Als de brem bloeit gaan wij stappen, longen open,
voeten vast;
En de zon schroeit, zerpe sappen barsten uit
de dennebast !
Als de brem bloeit op de heide, reiken wij
elkaar de hand.
Als de brem bloeit is de lente terug in ons
oud Kempenland.
Als de Kerels gaan op toer, luide dreunt dan 't
blije lied.
Hand in hand en broer naast broer. Wie kent
er de Kerels niet ?
KERELSLIED
Albrecht Rodenbach
1. Als de Kerels te gare zijn, doedle, bomle rom
dom dom,
wat liedje moet er gezongen zijn? Doedle,
rom dom dom.
't Kerelslied, 't Kerelslied. Doedle,
bomle rom dom dom.
't Kerelslied, 't Kerelslied, Doedle, rom
dom dom.
2. Zij renden met zessen langs de baan, zij hadden
stalen kleren aan.
3. Zij hadden waaiend helmen aan, zij renden
zingend langs de baan.
4. Van edele ridders en heren groot, van nijdige
kerels en galgedood. Isegrims, Isegrims.
5. De Kerels kennen een schoonren zang, de zang der
Kerels is niet lang,
6. Vliegt de Blauwvoet? Storm op zee! Vliegt de Blauwvoet? Storm op zee!
Als de rombom heeft geslagen dat wij marcheren moeten gaan,
geweer en ransel die moeten wij dan dragen, en dat staat ons
voorwaar niet aan.
Kapiteins en officieren drinken wijn en soms een glaasje bier.
Maar wij zijn maar de arme fuselieren, drinken water al uit de
rivier.
Een stuiver daags is onze gage en een pondje droog kommiezenbrood,
watersausje dat geeft ons de courage, en daarop moeten wij zomaar
voort.
Maar als wij ons lief gevonden, dan is weer ons jeugdig hart verblijd.
En dan leven wij samen met elkander tot zolang er de dood ons scheidt.
MARGARIET
J.A. Van Kersbergen - Piet Heins
Als de zwarte kerels gaan marcheren, staat er vaak
een meisje in de straat.
In d'r werkschort en d'r daagse kleren, kijkt
ze lachend wie d'r langs haar gaat.
En ze laat het vendel defileren, wil het met
haar ogen commanderen.
Als de zwarte kerels gaan marcheren, weet ze
heel precies door welke straat.
O, Margariet, ze zien je niet, ze trekken uit
ook als het giet.
Want, als de zwarte kerels gaan marcheren,
bestaat er wijd en zijn geen enk'le griet.
Als de zwarte kerels huistoe keren, kijkt
Margrietje ontevree en pruilt.
Staat daar in d'r mooie zondagskleren,
terwijl ze voor een wolkenbreukje schuilt.
En ze ziet het vendel afmarcheren, laat het
door de hopman commanderen.
Als de zwarte kerels huistoe keren, is ze nat
en boos en och, ze huilt.
O, Margariet, kom huil maar niet, wij gaan
naar huis, pruil nu maar niet.
Want, als de zwarte kerels huistoe keren, dan
komt toch elk W.A.-man bij zijn griet.
ALS EIK IN LAAGLAND
Jan W. Robrecht Hans Baumann
Als eik in Laagland vast geplant, een volk trotst
noorderstorm.
Rond haard met warme gloed, groeit
sibbesterke moed:
Dez kring wordt heldenbron.
Geboren uit een liefdeband wordt kind een vrije
vrouw.
De nevels wijken breed voor blije
kinderkreet.
De As draagt zij in trouw.
Waar schouder sterk naast schouder staat, groeit
staag een nieuwe man.
Door kampen reeds in spel leert hij het
strijden wel,
Tot volk op hem bouwen kan.
WE SPELEN VLAANDEREN VRIJ
L. Bellens
Als hoog in de mast onze Blauwvoet jaagt, en
spelende knapen rond zich schaart,
dan groeit in ons allen het rotsvast geloof,
dat Vlaand'ren zal herleven.
Spelend voor Vlaand'ren aan 't werk, spelend
de pijlers bouwen.
Als een rots in de branding, pal staan wij,
en we spelen Vlaand'ren vrij.
Geen angst die ons remt, geen haat om 't
verleden, wij stappen trots naar de toekomst toe.
Laat België barsten, sidd'ren en beven, ons
wacht de nieuwe morgen.
Spelend voor Vlaand'ren aan 't werk, spelend
de pijlers bouwen.
Als een rots in de branding, pal staan wij,
en we spelen Vlaand'ren vrij.
Want we ravotten en we stoeien, en we zijn er
elke week.
En we zingen als de besten in ons aller
V.N.J.
Want wij zijn de jeugd van de nieuwe tijd, en
we spelen Vlaand'ren vrij !
HIJ DIE GEEN LIEDJE ZINGEN KAN
Gijsels - Hullebroeck
Als ik wat laat naar huis toe kom begint mijn vrouw te kijven.
Wat doe ik niet om haar gebrom al spoedig heen te drijven ?
Ik zing een lied voor t venster dan, al trommlend op de ruiten.
Hij die geen liedje zingen kan die moet er maar eentje fluiten;
hij die geen liedje zingen kan die moet er maar eentje fluiten.
Zodra het onweer wat verzacht dan kom ik voor de pinnen:
k heb u iets lekkers meegebracht, toe speel het lustig binnen !
Ik krijg er zelfs een stukje van om t vreêverbond te sluiten.
Hij die geen liedje zingen kan die moet er maar eentje fluiten;
hij die geen liedje zingen kan die moet er maar eentje fluiten.
Het kindje paaien is een last, men zou er bij vergrijzen.
Ik neem de kleine bengel vast en laat hem biezebijzen.
Of geef bij t lied van Ruiter Jan hem papke met beschuiten.
Hij die geen liedje zingen kan die moet er maar eentje fluiten;
hij die geen liedje zingen kan die moet er maar eentje fluiten.
Een brokske boter of wat vet op onze roggestuiten,
naast t werkzaam vrouwke altijd net, weert darmoe bij ons buiten.
Zo leef ik als een zalig man tot ik mijn ogen sluite.
En wie mijn lied niet zingen kan die moet het dan maar fluiten;
en wie mijn lied niet zingen kan die moet het dan maar fluiten.
HET LIED DER VLAAMSE MEISJES
Wies Moens - Emiel Hullebroeck
Als met hun Leeuwenvlaggen fris-op ons broeders
gaan,
De sterke tocht voor Vlaand'ren naar wekkende
levensdaên,
Wij, meisjes, willen zeegnen de zwarte
klauwende blom,
Wij hebben zo lang vergeten, maar keren tot
Vlaand'ren weerom.
Wijl koen de mannen strijden en bouwen Vlaand'ren groot,
Wij, vrouwen, willen breken ons zielen als
honingbrood !
En rijst het Huis van Vlaand'ren in opene
luchten vrij,
Wij zullen de tinnen kronen met eeuwige,
bloeiende mei.
Wij dragen het mild ontfarmen als rozen in onze
schoot;
Sint Liezebet komt wand'len door Vlaanderens
wee en nood:
Want meisjes willen zeegnen de zwarte,
klauwende blom.
Zij hebben zo lang vergeten maar keren tot
Vlaand'ren weerom.
ALS MOEDER ZONG
J. Simons Armand Preudhomme
Als moeder zong bij t
schuivend wieggeschemel,
dan streek er vast een Seraf uit de hemel
Als moeder zong was heel
het huis vol vreugde,
Als moeder zong en ons het hart verheugde,
Als moeder zong:
welaan bemint elkander,
niet voor zichzelf, zij leefde voor een ander,
Zingt moeders, zingt zoals
uw moeders zongen.
zingt vroeg en laat, zingt vrij en ongedwongen,
ALS WIJ MARCHEREN
Jan Custers - Armand Preud'homme
1. Als over 't wijde land de zonne brandt: soldaat,
marcheer !
Keer in gedachten weer naar 't verre
heimatland.
Daar zijn de luchten blauw, de mensen trouw,
en wachten weer
de vrienden van weleer, de eigen thuis.
Als wij marcheren recht naar de zon, knettert
geweren, dreun dan kanon.
Eens komt het keren, geen zonnebrand kan
ons nog deren in 't heimatland.
een verre sterre straalt in 't stille
heimatland.
Zie ik de zonnedag, een zonnelach van 't
wederzien.
Soldaat, marcheer en dien, eens wacht de
thuis.
UILENSPIEGEL
Als Uilenspiegel is opgestaan, en trekt door de
Dietse landen,
de Dietsers zullen met hem gaan, weldra zal
de storm ontbranden.
Als Uilenspiegel de trommel roert, de vreemde
tirannen ten schande,
dan is 't of opnieuw ons ten aanval voert, de
Leider der Nederlanden.
Hij heeft in zijn vlammende geuzenvlag, de kreet
der opstanding geschreven.
Een vloek aan de nacht en een groet aan de
dag, zijn wil en zijn wet is leven.
ALS
WIJ SCHRIJDEN
Marie Vos Englert
Als wij schrijden dicht gerijd, en ons
lied, omhoog gestegen
echos wekt op alle wegen, voelen wij: ons is de zege.
Ons geleidt de nieuwe tijd, ons geleidt de nieuwe tijd.
Radersuizen, hamerslag van de arbeidsweek vergleden,
koortsen nog door onze leden, maar geen hart blijft ontevreden.
Hel en zonnig straalt de dag, hel en zonnig straalt de dag.
Groene sprei om berk en wei, als om bos en
beemd en gaarde,
smeekt de oude moeder aarde dat haar kind haar schat aanvaarde,
en opnieuw haar eigen zij, en opnieuw haar eigen zij.
DER LINDENBAUM
Wilhelm Müller - Franz Schubert
Am Brunnen vor dem Tore, da steht ein Lindenbaum;
Ich
träumt' in seinem Schatten, so manchen süssen Traum.
Ich
schnitt in seine Rinde, so manches liebes Wort;
Es zog in Freud' und Leide, zu ihm mich immer
fort. (2 maal)
Ich musst' auch heute wandern, vorbei in tiefer
Nacht;
Da hab' ich noch im Dunkeln, die Augen
zugemacht.
Und seine Zweigen rauschten, als riefen sie
mir zu:
Komm' her zu mir, Geselle, hier find'st du
deine Ruh'. (2 maal)
Die kalte Winde bliesen, mir grad' ins Angesicht.
Der Hut flog mir vom Kopfe, ich wendete mich
nicht !
Nun bin ich manche Stunde, entfernt von jenem
Ort,
Und
immer hör ich's rauschen: du fändest Ruhe dort ! (2 maal)
ABC DER JENEVERKROEG
Th. Dalemans - Maeseijck
Anker, o kanker van 't mensengeslacht,
Caatje, uw laatje wordt sindsdien
geborgd,
Dit is ons A B, dit is ons A B,
dit is ons A B: jenever baart wee !
Dit is ons A B, dit is ons A B, dit
is ons A B: jenever baart wee !
Enkel een sprankel jenever gepakt,
Gasten, of kwasten hoe staat thans uw
maag ?
Immer en slimmer stijgt d'alcool naar 't
hart,
Krampen en dampen en aderbreuk ras,
Mankheid en krankheid, wat heeft u
gewrocht ?
Onder een wonder soms ak'lig gezicht
Quidam, de schiedam, die maakt' u tot
dief,
Straten, nee staten, thans dragen dit
juk,
Uiten schavuiten niet 's morgens al
vroeg:
Woelen en boelen en vechten ze vaak,
IJs'lijk, afgrijs'lijk, wat heeft 't vocht
gedaan ?
IJs'lijk, afgrijs'lijk, wat heeft 't
vocht gedaan ?
ÄNNCHEN VON
THARAU
Simon
Dach - Friedrich Silcher
1. Ännchen von Tharau ist's die mir gefällt, sie
ist mein Leben, mein Gut und mein Geld.
Ännchen von Tharau hat wieder ihr Herz, auf
mich gerichtet in Lieb' und in Schmerz.
Ännchen von Tharau, mein Reichtum, mein Gut, du meine Seele, mein Fleisch und mein
Blut.
2. Käm alles wetter gleich auf uns zu schlah'n,
wir sind gesinnt, bei einander zu stah'n;
Krankheit, Verfolgung, Betrübnis und Pein,
soll unserer Liebe Verknotigung sein.
3. Recht als ein Palmenbaum über sich steigt, je
mehr ihn Hagel und Regen gebeugt;
so wird die Lieb' in uns mächtig und gross,
nach manchen Leiden und traurigem Los.
4. Würdest du gleich einmal vom mir getrennt,
lebtest da, wo man die Sonne kaum kennt;
Ich will dir folgen durch Länder und Meer,
Eisen und Kerker und feindliches Heer !
Ännchen von Tharau, mein Licht, meine Sonn,
mein Leben schliesst sich um deines herum.
ARGE WINTER
Ad Heerkens
Arge winter, gij zijt koud,
vergangen is ons 't grote woud,
vergangen zijn die loverkens aan der heiden, die loverkens aan der heiden staan,
daarop zo zingt de nachtegaal, van minnen zingt ons die fiere nachtegale.
AUF DER LÜNEBURGER HEIDE
Hermann Löns - Hans Heeren
1. Auf der Lüneburger Heide, in dem wunderschönen
Land;
ging ich auf und ging ich unter, allerlei am
Weg ich fand;
Valleri, vallera, valleri, vallera, und juchheirassa, und juchheirassa,
bester Schatz, bester Schatz, bester
Schatz, bester Schatz, denn du weisst, du weisst es ja.
2. Brüder lasst die Gläser klingen, den der
Muskatellerwein
wird vom langen stehen sauer, ausgetrunken
muss er sein.
3. Ei du Hübsche, ei du
Feine, ei du Bild wie Milch und Blut;
Uns're Herzen woll'n wir tauschen, denn du
weisst ja wie das tut.