BEOWULF
naverteld door Haselas


Inleiding

Het is hoogst uitzonderlijk dat uit een legende - met een grote mate van waarschijnlijkheid - toch nog een geschiedkundige gebeurtenis kan worden afgeleid.  De Beowulf kan zo’n uitzondering vormen, vermits het verhaal zou verwijzen naar personen die leefden tussen de jaren 450 en 600 in Scandinavië.  De Beowulf werd waarschijnlijk meegebracht door Deense inwijkelingen naar de Britse eilanden.  Het gedicht zou dan ondermeer verhalen over een Slag bij Finnsburg, en over de lotgevallen van de koning van de vasteland-Angelen.

Gedurende eeuwen bleef Beowulf een verhaal dat werd aangevuld door de vertellers, of toegepast op plaatselijke Britse situaties. De schrijver van het oorspronkelijke manuscript is onbekend, net zoals het tijdstip van ontstaan.  De enige geschreven versie werd door brand beschadigd in 1731, en het was pas in 1818 dat een IJslander, Grímur Jόnsson Thorkelin, letter voor letter de unieke versie van de Beowulf overpende.  Deze unieke geschreven versie wordt bewaard in de British Library in Londen.  Nieuwere versies van Beowulf kan je vinden in de roman “Grendel” van John Gardner, en in “Eaters of the dead” van Michael Crichton.

Ik waag me niet aan interpretaties, maar heb toch de meeste (manifest later toegevoegde) christelijke nevensporen niet opgenomen in mijn beknopte versie van het verhaal.  In heel wat ‘Beowulf-duidende’ boeken kan u verklaringen vinden voor deze nevensporen, en voor de wijze waarop onderzoekers vaststelden dat zij door monniken waren toegevoegd. 

Dat heel wat Keltisch-Germaanse cultuurvormende elementen uit ons verleden worden weggemoffeld heeft waarschijnlijk alles te maken met de kersteningdrang van de vroege middeleeuwen.  Maar die zijn lang voorbij, en het wordt tijd dat wij opnieuw op zoek gaan naar ons volledige verleden, en niet enkel naar de laatste eeuwen ervan.  Ik geef dan ook grif toe dat ik steeds een hekel heb gehad aan degenen die waarheden onder de mat willen vegen, of aan degenen die ons - ook vandaag nog - het recht willen ontzeggen eigen cultuurgronden te bestuderen.

Veel leesgenot, en vooral veel navolgend opzoekplezier bij deze sage van Beowulf.

Haselas.

 


1. Scefing

Deze geschiedenis begint met het luide huilen van een pasgeborene. In een boerderij, net iets steviger en groter dan andere boerderijen, werd toen een jongetje geboren dat Scefing werd genoemd. Zijn stem klonk zo luid, en de aanwezigen waren zodanig geneigd om de schreeuwer onmiddellijk zijn zin te geven om het gekrijs te doen stoppen, dat de vroedvrouw orakelde dat hier een toekomstig leider ter wereld was gekomen.  Nu ja, je moet geen waarzegster zijn om te veronderstellen dat een boreling in een koningsgeslacht wel eens koning zou kunnen worden…

En ja, Scefing werd heerser over de Scyldings, de Speerdenen. Hij was een koning die aan zijn gebied nog heel wat stukken toevoegde, waardoor de geschiedenis verhaalt dat hij: “bronnen en waterputten verwierf binnen de Walvisrede”.  De kustlijn van het Deense gebied werd destijds Walvisrede genoemd, omdat men vanaf de hoge oevers de waterfonteinen kon bewonderen, die werden opgespoten door indrukwekkende walvissen. Het was binnen die Walvisrede dat Scefing welvaart bracht aan de Scyldings, door heel wat vruchtbare gebieden te veroveren en deze ook te laten ontginnen door hardwerkende boeren.

De Speerdenen geloofden dat het de Goden waren die toekeken hoe de koning zijn volk leidde, en stelden vast dat zij blijkbaar tevreden waren over de wijze waarop hij zijn taken vervulde. Zij beloonden immers zijn inzet door hem een zoon te schenken, Beowulf. Het was een andere Beowulf dan degene die de reden vormt voor dit verhaal, maar toch verwierf ook deze Beowulf al een goede naam bij de Speerdenen. Vooral dan omdat zijn vrijgevigheid spreekwoordelijk werd. Een echte vorst stapelt de eigen rijkdommen niet op, maar verdeelt deze, en dat deed ook de eerste Beowulf.

Ja, sceptici zullen beweren dat enkel zijn vrijgevigheid hem zoveel vrienden bezorgde, maar de geschiedenis leert dat ook goedgeefse mensen echte vrienden kunnen hebben. Natuurlijk zullen zij omgeven zijn door mouwvegers, maar mensen die echt met hun ganse hart anderen laten meedelen in hun rijkdom, zijn groots van inborst. Zij zullen dan ook – naast de handophouders uit gewoonte – trouwe vrienden hebben, en aanhangers die bereid zijn hen steeds te verdedigen.

Nadat Scefing tot op zeer hoge leeftijd zijn koninklijke taken had vervuld meenden de Goden dat hij zijn eeuwige rust had verdiend. In vrede stierf de koning.

Beowulf liet daarop een kogge klaarmaken, een opgetuigd schip, en in een lange optocht werd het lichaam van Scefing daarheen gedragen. Sterke schouders van sterke Speerdenen droegen hun vorst, terwijl zij gevolgd werden door anderen die de zwaarden van Scefing droegen en ook zijn maliënkolders.  Nadat eerst het koningslichaam en daarna de wapens aan boord waren gebracht, was het Beowulf die de sieraden van de gestorven vorst op diens borst mocht leggen. Tenslotte werd nog hoog in de mast een standaard gehesen, met goud belegd om de belangrijkheid van de overledene te onderstrepen, en daaraan wapperde het trotse vaandel van de gestorven Scefing.

De dragers duwden nu de kogge weg van de oever, en statig koos het schip de volle zee. En niemand, geen strijdmakker, geen raadgever, zelfs Beowulf niet, wist wie de prachtige lading in ontvangst zou nemen. Enkel de Goden, die Scefing altijd gunstig waren geweest, wisten het. Maar de Goden bewaren altijd hun geheimen.

 

2. Hrothgar en Grendel

Nadat zijn vader was gestorven kreeg Beowulf de titel “Heer der kastelen”. Hij bleef een milde schenker, die de grenzen bewaakte en verdedigde, maar die binnen die grenzen gul en vrijgevig was. Niet enkel zijn hovelingen werden begunstigd, maar al zijn onderdanen.  Waardoor de Goden ook op hem welgevallig neerkeken, en ook hem een sterke zoon schonken. Deze zoon werd Healftene genoemd.  Toen jaren later de vergrijsde Beowulf de koningstitel doorgaf werd deze Healftene de nieuwe vorst.

Het geluk bleef het koningsgeslacht toelachen, of waren het de Goden die mild waren, want ook Healftene regeerde lang en krachtig, terwijl ook hij bij een sterke vrouw een zoon mocht verwekken, Hrothgar.  Deze Hrothgar werd heerser over de Speerdenen nadat Healftene zich op hoge leeftijd had teruggetrokken. Op zijn beurt beheerde hij nu het grote vermogen dat achtereenvolgens Scefing, Beowulf en Healftene hadden verzameld.

Hij versterkte met dat vermogen de landsgrenzen nog, en kon nu voor de verdediging van die grenzen vele onverschrokken krijgers aanwerven.  En hoewel hij zo vrijgevig was als zijn legendarische grootvader, de eerste Beowulf, bleef er toch nog altijd een groot vermogen over.  Omdat Hrothgar dit geld niet wilde oppotten besloot hij een slot te bouwen, prachtiger en groter dan elk ander slot.  Een slot waar alle onderdanen welkom zouden zijn, en waar voor iedereen altijd eten en drinken zou klaarstaan.

Herauten te paard werden nu uitgestuurd, en die riepen in het ganse land handwerkers op om het slot voor Hrothgar te bouwen.  De hooggeroemde vrijgevigheid van de vorst lokte de beste vaklui aan, en op een mooie plaats in de nabijheid van een bron, verschenen enkele maanden later al de fundamenten van het slot.  Nadat de metselaars de sterke ruwbouw hadden neergepoot, kwamen ook nog de decorateurs en kunstenaars die de vele grote ruimten in het kasteel verfraaiden en versierden. 
Hrothgar was verrukt over het resultaat, en hij beloonde de vaklui rijkelijk, waarna hij met zijn raadgevers op zoek ging naar een naam voor het pronkkasteel.  Want een juiste naamkeuze is belangrijk, omdat zij alles zegt over de verhoopte toekomst.  Kinderen, steden, maar ook kastelen krijgen daarom een sterke naam, een eigen-naam.  Het waren de statige torens die het kasteel sierden als een strijdlustig hertengewei, die de koning tenslotte inspiratie bezorgden voor de naamgeving: Heorot.  Wat zoveel wil zeggen als “hert”, verwijzend naar de pracht en de kracht van een mannetjeshert.

Voor de feestelijke opening kwamen Skalden, vertellers van sagen en legenden, naar de vele zalen van Heorot, waar de aanwezige gasten aan hun lippen hingen. Terwijl in andere zalen dan weer harpmuziek klonk en liedjeszangers optraden.  En telkens wanneer een verhaal werd afgesloten klonk uitbundig applaus, en werd geklonken met pittige mede, honingwijn die in de nabijheid van Heorot werd gemaakt.  Omdat bij de bron vele bloemenvelden bloeiden en bijen zoemden, die voor de beste honing zorgden.

Waarover handelden de verhalen dan wel?  Ach, de Skalden vertelden over de gebeurtenissen in de buurlanden, maar ook over het ontstaan van de aarde en de wijze waarop de Goden op die aarde mensen hadden geplaatst.  Vooral het verhaal over de wijze waarop de wereldboom, de es, het hemelgewelf schraagt en torst, kende steeds weer bijval.

Het geluk van de enen roept echter steeds (ook vandaag nog...) nijd en jaloezie bij anderen op.  Zeker bij duistere geesten die leven van haat en pijn.  Zo’n geest was nu Grendel, heerser over het veen en het moeras.  Lang geleden was hij door de Goden verbannen vanaf de open vlakte naar dat moeras omwille van zijn genadeloze moordzucht.  In zijn ballingoord gaf hij nu onderdak aan doodsdemonen en aan reuzen, waarvan hij hoopte dat zij hem konden helpen om wraak te nemen op de Goden.

Hrothgar wist niet dat de bron nabij Heorot die water gaf aan de feestelijke bloemenweiden rond het kasteel, tegelijk ook het sombere moeras bevloeide, en dat Grendel met lede ogen had moeten toezien hoe de ruimten rondom zijn woonplaats werden ingenomen door gelukkige mensen, door opgetogen Skalden en musici, door de vele Speerdenen die Hrothgar eerden.

Na weer eens een slapeloze nacht, omdat de gelukkige klanken uit Heorot hem wakker hielden, besliste Grendel dat hij niet langer zijn woede zou bedwingen.  Nog vooraleer de zon opkwam sloop hij vanuit het moeras naar de weiden, waar de bloemen nog in nachtrust hun knoppen gesloten hielden.  Waardoor zelfs de bloemen het monster niet zagen.  Grendel bekeek nu de toegangspoort, die dag en nacht uitnodigend open stond, om aan te tonen dat alle Speerdenen welkom waren.  Hij sleepte zijn lelijke lijf over de oprijlaan en over de neergelaten slotbrug, om dan door de brede gangen naar de grootste zaal in het slot te sluipen, waar hij een groep edelen aantrof.  De edelen sliepen rustig, zich onbewust van het gevaar.  Terwijl ook het nuttigen van mede in de loop van de vorige avond maakte dat zij vast sliepen en de sluipende gang van het monster niet hoorden.  Met snelle bewegingen en dodelijke houwen van zijn klauwen greep Grendel nu meteen dertig edelen en doodde hen onmiddellijk.  Met de vele lijken in zijn gigantische klauwen waggelde hij de weg terug, naar zijn hol in het moeras, om hen daar in stukken te trekken en te verslinden.  De overgebleven edelen hadden wel hun wapens gegrepen, maar konden het monster niet raken.  In machteloze woede moesten zij toezien hoe de lichamen van hun makkers werden weggesleept.  Terneergeslagen omdat zij niet hadden kunnen voorkomen dat hun makkers werden gedood, haastten zij zich nu naar Hrothgar en wekten hem met het bloedstollende relaas van de moorddadige raid van Grendel.

Hrothgar greep op zijn beurt naar zijn wapens en stormde door de gangen.  Eer hij echter de zaal bereikte, waar de vele bloedspatten op muren en meubels aantoonden welke verschrikking daar had plaatsgevonden, was Grendel al verdwenen.  Kwaad, gekwetst ook, omwille van zijn eigen onmacht tot bescherming moest Hrothgar nu, samen met de edelen, bekennen dat Grendel over krachten beschikte, die de zijne te boven gingen.

En deze krachten demonstreerde Grendel overvloedig.  Want al de eerstvolgende nacht, en ook de daaropvolgende, sloeg het moerasmonster opnieuw toe.  Moordend trok hij telkens weer een afschuwelijk bloedspoor door Heorot.  Zelfs de edelen die nu poogden zich te verbergen waren niet veilig.  Grendel snoof woedend tot hij de mensengeur oppikte, en haalde dan de edelen uit hun schuilplaatsen.  Tot zelfs de weinigen die nog overbleven Heorot verlieten en een veilig onderkomen zochten in de boerderijen buiten de kasteelmuren.

Over de verlaten zalen heerste nu de haatdragende Grendel, maar zelfs buiten die zalen – op de wegen tussen het moeras en het kasteel - bleef zijn moordlust slachtoffers maken.  Gedurende niet minder dan twaalf lange winters werd Hrothgar uitgedaagd door het monster. 

De Heer der Scyldings, ooit onderwerp van vele mooie balladen en verhalen der Skalden, werd nu enkel nog bezongen als slachtoffer van Grendel.  En waar de Denen zelf bij elke dode een vergoeding gaven aan de families van elk slachtoffer, weigerde Grendel deze traditie verder te zetten.  Hij bleef moorden, alsof enkel zijn onvrede met het geluk van de Denen hem dreef.  Vanuit hinderlagen greep hij elke avond, elke nacht, weer nieuwe onschuldige voorbijgangers, en sleepte hen dan naar de nevelige moeren, om hen daar te doden en te verslinden.

Enkel de zaal waarin de Koninklijke troon stond, de indrukwekkende zetel van waaruit de vele giften werden verdeeld, die mocht hij van de Goden niet betreden.  Overdag, als de zon te hel scheen voor geesten die enkel van duisternis houden, en Grendel naar zijn veen was geslopen, kwamen de getrouwen van Hrothgar dan ook tot bij die troon.  Om te overleggen over de offers die misschien nodig waren om de rampspoed te keren, om het monster te bedwingen.  Maar ondanks die steun, ondanks dat overleg moest Hrothgar vaststellen dat de strijd tegen het nachtelijk monster op voorhand verloren leek.  Het besef dat hij zijn taak als beschermer niet kon vervullen kwelde hem verschrikkelijk.  Enkel de Goden konden nu nog helpen, want zijn menselijke krachten schoten hier tekort.

 

3. Hrothgar en Beowulf.

Aan een hof overzee, het hof van koning Hygelac woonde ook de moedige Beowulf.  Hij was een sterk lid van de stam der Geaten, en hoorde de rondtrekkende Skalden vertellen over de wandaden van Grendel. In zijn jeugdige onstuimigheid, die geen onrecht kon verdragen, werd hij getroffen door echte verontwaardiging.  Meer nog, de misdaden van het verre moerasmonster maakten hem zo woedend dat hij besliste er zelf iets aan te doen.  Misschien moest hij zich maar aanbieden bij Hrothgar als zogenaamde gevolgsman, als strijder tegen het onrecht en de moorden waarvan de Speerdenen het slachtoffer waren.

Hij besloot niet lang na te denken, verzamelde veertien andere sterke en onverschrokken Geaten, en liet een kogge zeewaardig maken. Het schip werd geladen met wapens en wapenrustingen, en lag al enkele weken later klaar om uit te varen.  Toen op een ochtend dan toch de tekenen gunstig waren duwden thuisblijvers het zwaarbeladen schip van de oever weg, waarna de drakenspits vooraan de vaarrichting aanwees: de volle zee.  Het vierhoekige zeil werd bol geblazen door een stevige wind, en de boeg spleet de golven open in een nevel van opspattend schuim.  Zo snel joeg het schip door het zoute water dat al na een dag varen de zeevaarders het land van de Scyldings zagen, de klippen, de hoge rotsen.  Met handige bewegingen stuurden de Geaten hun snelle kogge recht naar het strand, waar de boeg zich vastbeet in het mulle zand.  Achteraan zakte een anker naar de zeebodem, en het geluid van zwaarden die op de eigen maliënkolders sloegen was het luidruchtige teken dat de zeevaarders de Goden dankten voor de behouden overtocht en de veilige landing.

Langs de kust, de grenslijn van de Scyldings waren hoge en stevige torens opgetrokken, van waaruit wachters de zee in de gaten hielden om tijdig onheil te kunnen melden.  De komst van de Geaten was dan ook niet onopgemerkt gebleven voor zo’n wachter.  Vanaf zijn uitkijkpost had hij de kogge al een tijdlang in de gaten, maar de open wijze waarop het schip naar de kust was gestevend had hem tegelijk aangetoond dat de bemanning waarschijnlijk goede bedoelingen had.  De wachter reed dan ook tot op het strand, en liet daar zijn stem klinken als was het een welkomstklok: “Zeevaarders met uw strijderkleding, wie zijt gij?  En indien gij toch met slechte bedoelingen moest geland zijn, keer dan terug naar de zee, want deze kusten worden bewaakt door vele strijders”.   De leider van de groep, drager van een indrukwekkende wapenrusting, zette een stap naar voor: “Wij zijn Geaten, van het hof van koning Hygelac.  Mijn vader was een welbekend leider, die zich pas op hoge leeftijd terugtrok.  De reden van ons aanleggen is het bieden van hulp aan de zoon van Healfthene, de beschermer van de Scyldings.  En indien gij, vertegenwoordiger van de kustwachters, ons kunt vertrouwen, wijs ons dan de weg naar het hof van Hrothgar.  Want hem willen wij helpen, omdat hij blijkbaar gekweld wordt omdat hij zijn volk niet kan beschermen tegen een moordende vijand”.

De wachter moest wel even nadenken over de plechtige woorden van de bezoekers, maar besliste dan toch de groep te vertrouwen.  “Goed, uw woorden lijken me oprecht en ook uw gezichten zijn eerlijk.  Ik geloof dus dat jullie niks boosaardigs van plan zijn.  Volg mij dan maar naar het hof van Hrothgar, terwijl mijn helpers uw schip beschermen terwijl jullie weg zijn.  Hetzelfde schip zal immers moeten dienen om jullie later terug naar huis te varen”.

Enkele uren later, na een maal dat klaargemaakt was boven vuren die oplaaiden op het gastvrije strand, waren de zeebenen van de strijders verdwenen en gingen zij op weg naar Heorot.  Hun snek, waarvan de drakenspits fier uitkeek over het land van de Scyldings, bleef achter, rijdend op het rustgevende anker. 

Aan de horizon verscheen nu Heorot, een prachtig slot met gouden ornamenten aan de torens.  Ornamenten die schitterden in de namiddagzon.  Het was de eerste maal dat zij dit slot, waarover de Skalden zongen en dat bekend werd omwille van zijn pracht, met eigen ogen konden bekijken.  Onder de indruk van de overweldigende schoonheid van het kasteel bereikten zij de binnenkoer, langs een breed geplaveide weg.  Nu waren het op hun beurt de kasteelbewoners die hun ogen uitkeken, maar dan op de geharde maliënkolders, de maskerhelmen, de grote ronde schilden, de essenhouten speren van de Geaten.

Vanuit een grote poort die uitkeek op het binnenplein kwam nu een rijzige man hen tegemoet: “Mijn naam is Wulfgar, en ik ben de woordvoerder van Hrothgar.  Kijk, ik beken onmiddellijk dat ik nog nooit zo’n indrukwekkende buitenlanders heb gezien waarvan de ogen zo eerlijk kijken.  Daarom hoor ik graag wie jullie zijn, om verslag te kunnen uitbrengen bij Hrothgar”.  De leider van de groep ondernemende bezoekers boog nu: “Heil Wulfgar, woordvoerder van Hrothgar.  Wij zijn Geaten en tafelgenoten van Hygelac, en mijn naam is Beowulf.  Graag zouden wij een gesprek hebben met Hrothgar zelf om hem het doel van onze reis te vertellen”.

Wulfgar overlegde nog even met de kustwachter die zoals beloofd de bezoekers de weg had getoond naar Heorot, en vernam van hem dat de Geaten geen enkele agressieve daad hadden gesteld, en in volle daglicht naar de kust waren gevaren met een open vaandel in de mast. 

Even later stond Wulfgar al bij de vergrijsde Hrothgar, en vertelde hem dat hij – samen met de kustwachter - de indruk had dat de zwaarbewapende bezoekers te vertrouwen waren: “Deze Geaten trotseerden de zee om ons te bereiken, en hun leider Beowulf maakt op mij een eerlijke indruk, ondanks de wapenrustingen van hem en van zijn gevolg”.  Hrothgar herinnerde zich de vader van Beowulf, Ecgtheow, als dappere man.  Zo’n dappere man zou ook wel een dappere zoon hebben, meende hij.  Ook kende hij de verhalen die de Skalden vertelden over Beowulf, en waarin hij bezongen werd als een held met de kracht van wel dertig strijders.  “Onze kustwacht vertrouwde deze man, net als jij Wulfgar.  Laat hem dus binnenkomen, want indien iemand enige hoop kan bieden tegen de terreur van Grendel is het wel deze strijder. Hij is welkom bij het Deense volk, en in deze zaal van Heorot”.

Met een glanzende maliënkolder, en ook met een krijgshaftige maskerhelm op, kwam Beowulf nu binnen in de troonzaal.  “Heil, nobele Hrothgar! Aan het hof van Hygelac hoorde ik de verhalen over Grendel.  Het waren zeevaarders, die nochtans bekend staan voor hun onverschrokkenheid, die met angst in de ogen hun verhaal deden. Zij vertelden dat elke avond dit kasteel moet verlaten worden, uit vrees voor de vernietigende moordzucht van het monster.  Ik meende dan ook mijn krachten te moeten gebruiken tegen het haatdragende moerasmonster, wetende dat ik al eerder watermonsters heb bestreden en overwonnen.  Men vertelde me ook dat Grendel geen wapens draagt, dus zal ik ook ongewapend de strijd aangaan.  En moest ik toch sneuvelen, wat de Goden mogen verhoeden, stuur dan als laatste eerbetoon mijn strijdpantser naar Hygelac.  Hij zal dan weten dat een lid van zijn hof geen strodood in bed stierf maar een moedige strijdersdood”.

Met moeite zette Hrothgar zich nu recht, want de korte toespraak van Beowulf had hem weer hoop gegeven. “Welkom Beowulf, zoon van Ecgtheow die mij een eed van trouw heeft gezworen.  Je hebt gelijk, Grendel terroriseert dit slot en heeft al heel wat van mijn edelen afgeslacht.  Want niemand kon tot nu toe met dit monster de ongelijke strijd aangaan.  Ik herhaal dus mijn welkomstwoord, gericht aan uzelf en aan uw ganse gevolg.  Neem dus maar de maskerhelmen af, en tast toe bij het banket dat wij te uwer ere zullen inrichten”.

Na de zwaarwichtige en plechtige welkomstwoorden werd de sfeer ongedwongener, en alle leden van de groep kregen een plaats toegewezen aan een lange tafel in de grote zaal van Heorot.  Dezelfde zaal die bij nacht zo gevaarlijk was, vormde nu het decor voor een uitgebreide maaltijd.  Dienaars droegen schotels met voedsel aan, terwijl vrolijke meisjes bier en mede ronddroegen.  De Denen en de Geaten verbroederden en luisterden samen naar de liederen die ter ere van de gezellen van Beowulf werden gezongen.

Er werd niet enkel gegeten en gedronken, maar de drank maakte ook sommige tongen los, zelfs zo los dat een partijtje ruziemaken volgde.  Zo was er een zekere Unferth die Beowulf verweet dat hij ooit, lang geleden, een gevecht tegen Breca had verloren.  “Zo ook zult gij tegen Grendel het onderspit delven, want wat onze eigen edelen niet konden, zult ook gij niet kunnen: het monster verslaan”.  Beowulf bleef rustig: “Nee, ik ben helemaal niet onder de indruk van uw opmerkingen.  Want indien gij zelf een beetje meer moed had getoond, niet enkel bij het doden van uw eigen broer maar vooral in de strijd tegen Grendel, dan zou het monster nu bevreesd zijn.  Het weet echter dat het van jou niets te vrezen heeft.  Het heeft echter de kracht van de Geaten nog niet gevoeld…”

Om de ruzie te beëindigen ging toen Wealtheow, de vrouw van Hrothgar, zelf rond met gevulde drinkbekers.  Om eerst een beker te geven aan Beowulf, die deze dankbaar aannam.  Het was tenslotte een hele eer om bediend te worden door de vrouw van de vorst.  Hij beloofde nu aan de edelvrouw dat hij Grendel zou verslaan, of zou sterven.  “Het monster dat uw man het leven zuur maakt kent de nobele kunst van het zwaardvechten niet, en daarom zal ik het ongewapend bekampen, tot de Goden beslissen wie van beiden de overwinning zal verdiend hebben”.  Deze belofte aan de edelvrouw werd op applaus onthaald, en ook Hrothgar was nu gerustgesteld.  Er was een nieuwe gevolgsman tot zijn heir toegetreden, die de strijd met het haatdragende moerasmonster zou aangaan.  Hrothgar stond dan ook op, om naar zijn slaapvertrekken te gaan.  Eerbiedig stonden nu al de anderen ook recht, en wensten Hrothgar en Wealtheow goedenacht.

De edelen uit het gevolg van Hrothgar vertrokken nu ook, en enkel Beowulf en zijn kameraden bleven in de grote zaal van Heorot achter.

 

4. Grendel

Tijdens het banket had de mede rijkelijk gevloeid en dat had gevolgen voor de gezellen van Beowulf.  Alhoewel zij zich hadden voorgenomen waakzaam te blijven, dommelden zij toch in, de een na de andere.  Enkel Beowulf hield de ogen en oren open en hij hoorde dan ook de slepende passen die in de gangen klonken, en die hem het signaal gaven dat “iets” de zaal naderde.

Als waren de grote deuren van de zaal behekst, zo vlogen zij plots met brute kracht wijd open, en een klauw van Grendel, het moorddadige monster, reikte onmiddellijk naar de man die het dichtste bij die deuren in slaap was gevallen.  Eén slag van de klauw doodde de slaper, en hongerig rukte Grendel zijn slachtoffer in stukken en stopte de brokken bloederig vlees in zijn muil.

Uit gewoonte greep het monster al naar de volgende prooi, maar dat was buiten Beowulf gerekend.  Die was naar de deur gesprongen en hield nu, met handen als smidstangen, de klauwen van Grendel vast waardoor zij niet meer konden bewegen.  Verbluft omdat een sterveling het waagde zich tegen hem te verzetten bleef Grendel even om zich heen kijken, om zich dan met een luid gebrul los te rukken.  Beowulf greep opnieuw naar de klauwen, maar ditmaal verzette Grendel zich, waardoor een indrukwekkend gevecht een aanvang nam.  Het huilen en briesen van Grendel kon gehoord worden in het ganse slot en zelfs daarbuiten.  Degenen die het hoorden konden vaststellen dat de kreten niet enkel woedekreten waren, maar dat ook angst weerklonk in het gehuil.

Grendel liep tegen de muren op en stortte zich telkens opnieuw op Beowulf, die met ijzige kalmte de aanvallen bleef beantwoorden met gerichte slagen op de klauwen en het lijf van het monster.  Wat keer op keer een nieuw gebrul uitlokte, en ook telkens een nieuwe aanval, want Grendel wist van geen ophouden.  Nog nooit had een sterveling het gewaagd zich zo lang tegen hem te verzetten, en het doffe brullen toonde aan dat de verblindende haat het monster belette zelfs maar te denken aan het opgeven van de tweekamp.  Gelukkig maar hadden de smeden de wanden van de grote zaal verstevigd met ijzeren banden, want anders zouden zeker de muren bezweken zijn onder het geweld.

Tegen de wanden van de zaal en in de deuropening stonden nu de kameraden van Beowulf klaar, met de wapens in de hand, om hun dode makker te wreken.  Beowulf zelf vocht echter ongewapend verder, zoals hij aan de vorst en diens vrouw had beloofd.  Afgemat door de aanhoudende mokerslagen van Beowulf werd Grendel nu trager in zijn bewegingen.  Hierdoor kreeg Beowulf de kans om onverwacht zijn twee handen rond de dodende klauw van Grendel te klemmen.  Ontzet wilde het monster zich losrukken, maar Beowulf gaf nog een bijkomende hevige ruk aan de nu machteloze klauw waardoor plots een gapende wonde verscheen aan de schouder van Grendel.  Klauw en arm waren gewoon afgerukt!  Monsterbloed gutste nu in stromen op de vloer van de zaal, en met een gruwelijke kreet van pijn gaf Grendel uiteindelijk de strijd op.  De kameraden van Beowulf maakten de deur nu vrij, terwijl zij hun wapens in de aanslag hielden, en met slepende passen kroop het gekwetste moerasmonster de zaal uit, de gangen door, en de oprijlaan over.  Dodelijk gekwetst vluchtte hij nu terug naar zijn hol in het veen, om daar te gaan sterven.  Beowulf had ongewapend gedaan, wat talloze gewapende strijders voor hem niet hadden gekund: hij had de haat en de nijd verslagen.

Omdat bij nacht niemand het aandurfde om langs de moerassen naar Heorot te trekken,  was het de gewoonte om van het daglicht gebruik te maken om naar het slot te gaan.  De bezoekers die de volgende dag de weg volgden langs het moeras en ook deels langs de bergbeek die het moeras steeds van water bleef voorzien, bleven met wijdopen ogen staan.  Het oppervlak van het moeras toonde vieze stinkende ontploffende bellen.  Dit was eigenlijk niet zo ongewoon, maar meestal waren deze bellen veel kleiner en ook groen, omdat de moerasgassen het rottende kroos naar boven duwden, terwijl ook een zwavelstank werd geproduceerd.  Nu waren de bellen groot en bloedrood, alsof kokend bloed in het moeras was gedompeld, en ook een ondefinieerbare stank steeg op uit de openspattende bellen.  De weg die van Heorot naar het moeras leidde was ook nog steeds gekleurd door bloed, door een bloederig vluchtspoor dat lange vegen had getekend op de weg.  De bezoekers, die het vele bloed zagen, konden nu in Heorot gaan vertellen dat niemand, niemand zoveel bloed kon verliezen en toch overleven.  Het watermonster was dood.

Hrothgar straalde.  Hij voelde zich zo gelukkig en was zo verheugd omwille van de afloop van het gevecht dat het ganse kasteel had laten daveren op zijn grondvesten, dat hij meteen een belofte deed.  Hij beloofde Beowulf te zullen koesteren als was het zijn eigen zoon.  Waarop al de aanwezigen een heildronk uitbrachten ter ere van Hrothgar en van Beowulf.  Zelfs de sceptische Unferth, nuchter nu, en geconfronteerd met de aanblik van de gruwelijke klauw van Grendel, moest de kracht van Beowulf erkennen.  Ook hij hief nu de beker ter ere van de overwinnaar.  Zijn eerdere kwetsende opmerkingen maakten wel dat hij zich verplicht voelde een zoenoffer te schenken aan Beowulf.  Een van zijn gezellen haalde dan ook een indrukwekkend zwaard: Hrunting.  Over de legendarische krachten van dit lange en machtige zwaard deden veel verhalen de ronde.  Het ijzer waaruit de kling was gesmeed werd onverwoestbaar geacht.  In die kling was een adderpatroon getekend, symbool voor sluwheid en snelheid, terwijl het ook nog eens in bloed gehard was.  Dat zwaard schonk Unferth nu aan Beowulf: “Heil aan de overwinnaar van Grendel”!

Het bleef trouwens niet bij dit ene zwaard.  Van de verschillende leiders van de Scyldings kreeg Beowulf ook nog een gouden banier, een prachtig erezwaard, een helm, een maliënkolder, en als klap op de vuurpijl niet minder dan acht paarden! Waarbij één paard bijzonder opviel, want dat droeg een zadel dat langs de zijkanten versierd was met edelstenen.  Ook de kameraden van Beowulf deelden in de prijzen, want zij kregen elk een oud erfstuk van de Scyldings, dat voor hen echt waardevol was.  Terwijl tot slot een vergoeding in goudstukken werd overhandigd, bestemd voor de verwanten van de ongelukkige man die door Grendel was vermoord.

En nogmaals werd een feestmaal gehouden, waarbij de mede rijkelijk vloeide en waarbij ook verschillende spreekbeurten werden gehouden, die allen de lof zongen van Beowulf.  Zelfs een creatieve bard kreeg het podium om een nieuw lied te zingen over Beowulf.  Een lied dat bestemd was om in alle kastelen en burchten van de noordelijke landen te worden gezongen.

Een dappere noordman, gehard in ’t gevecht,
heeft eind’lijk het lot van het monster beslecht.
Kom in deze ronde en hoor dan mijn lied,
bestemd voor de oren van t’ noordlandse diet.

Waarna gedurende meer dan dertig strofen het lot van Hrothgar en de strijd van Beowulf en Grendel werd bezongen. Ja, aan de avondlijke haardvuren in kastelen hadden de mensen nog tijd om te luisteren en te genieten van een verhaal.  En hoe spannender en bloediger zo’n verhaal, hoe meer de jonkvrouwen de vertellende en zingende bard zelf gingen beschouwen als de held van het verhaal.  Ach, dat vonden de barden helemaal niet erg, want een smeltende jonkvrouw kon later in de nacht ook nog de koude bedstee verwarmen….

 

5. De tweede aanval

Na afloop van het feestmaal kregen de edelen een slaapplaats aangewezen in de grote zaal, terwijl Beowulf een eigen persoonlijke slaapkamer kreeg, rijkelijk behangen met prachtige wandtapijten.  Gerustgesteld, want het monster was immers verslagen, ging iedereen ter ruste.

Midden in de nacht werden de slapers echter plots opgeschrikt door een oorverdovend lawaai.  Luide en brutale stappen naderden doorheen de slotgangen, en onderweg werden ook alle schilden van de muren gegooid, wat voor de herrie zorgde.  Opnieuw, net zoals de voorgaande nachten, vloog de zaaldeur met geweld open.  Nog vooraleer de slaapdronken edelen beseften wat er gaande was, had een binnendringend monster al vreselijke wonden toegebracht aan al degenen die haar in de weg lagen.

Sommige edelen grepen nu hun wapens en keken aandachtiger toe bij het licht van de flakkerende fakkels aan de wanden.  Wat voor een monster was het dat zich daar doorheen de zaal bewoog?  Zij zagen nu dat het niet Grendel was, maar wel de moeder van Grendel.  Zij wilde wraak nemen op de doders van haar zoon, en was daarvoor naar Heorot gestormd.

De gewapende edelen vormden nu een muur van zwaarden en schilden, en Grendels briesende moeder zag zich tegenover een overmacht geplaatst.  Met een angstaanjagend gehuil deed zij enkele stappen terug en greep de afgehakte klauw van haar zoon.  De edelen hadden niet gezien dat een van hen te laat was wakker geworden, en zich nu schuil hield naast de ingangsdeur.  Het monster zag hem echter wel, en met een snelle grijpbeweging omknelde zij de hals van de ongelukkige en sleurde hem mee, de lange gangen in.  Met evenveel gedruis als bij haar aankomst, stormde de moeder van Grendel doorheen de gangen, over de binnenkoer en doorheen de poort.  Om dan terug te vluchten naar het sombere moeras.

Een bediende was ondertussen naar de slaapkamer van Beowulf gehold, maar eer die zich doorheen de gangen naar de zaal had gespoed, was het monster al verdwenen.  Terneergeslagen vertelden de edelen hem wat er gebeurd was, en net toen zij vertelden hoe één van de edelen was meegesleurd, kwam ook Hrothgar de zaal binnen. Hij moest nu vaststellen dat ditmaal zijn beste en trouwste raadsman was ontvoerd, Aeschere.  Met een verbeten stem van ingehouden woede omdat hij niet meer wachters had geplaatst aan de poort, vertelde Hrothgar nu dat de oude verhalen inderdaad gewag maakten van twee monsters.  Een zoon en zijn moeder werden daarin afschrikwekkend bezongen, omdat zij de wouden en de heide rond de moerassen onveilig maakten.

Terwijl Beowulf met vaste hand het gevest van zijn zwaard omvatte, deed hij toch nog een poging om Hrothgar te troosten: “Een vriend wreken, heer Hrothgar, is beter dan eindeloos treuren om wie in de strijd stierf.  Maak dus voorbereidselen voor een tocht naar het hol van het monster, want Aeschere’s dood mag niet ongewroken blijven”. 

Een uur later al vertrok een groep zwaar bewapende edelen en schilddragers naar het moeras. Zij volgden gewoon de weg die Grendels moeder had gevolgd, te merken aan het bloedspoor dat haar slachtoffer had nagelaten.  Zo bereikten zo het veen, op de plaats waar voorheen reizigers het kolkende bloed van Grendel in zijn doodsstrijd hadden waargenomen.  Het grauwe water was nog altijd in beweging, en naast de plas lag het hoofd van de oude en wijze Aeschere.

Terwijl Hrothgar zijn vriend beweende en andere edelen een erekring vormden rondom het afgerukte hoofd trok Beowulf, geholpen door zijn makkers, een strijdpantser aan.  In de hand nam hij Hrunting, het lange zwaard, stevig vast.  Op zijn hoofd werd tot slot een magische helm geplaatst, versierd met de afbeelding van everzwijnen, en zo stapte hij nu zonder omkijken het moeras in.  De magische helm gaf hem de mogelijkheid om te overleven in het slijkerige water, en liet hem ook toe te zien waar hij stapte.  Zo bereikte hij na uren stappen het midden van de grote poel op een diepte van vele meters onder de oppervlakte.  Afzichtelijke wezens doken schichtig weg als zij de strijder zagen naderen en bij elke stap van Beowulf werden menselijke botten omhoog gegooid, restanten van de vele misdrijven van het moerasmonster en zijn moeder.

In een grote gewelfde zaal, waarvan het plafond in een grauwe nevel was gehuld, stond een haard waarvan de steunmuren waren gevormd door botten.  Een flakkerende vuurgloed gooide van daaruit zijn licht op een reusachtig watermonster, de moordenares van Aeschere, treurend naast het levenloze lichaam van Grendel.  Met Hrunting, het zwaard dat nooit faalde, sloeg Beowulf nu toe… zonder resultaat.  Want in de bescherming van haar eigen vuurzaal leek het monster wel immuun te zijn voor de zwaardslagen die Beowulf bleef uitdelen.  Zij klauwde zelfs terug naar Beowulf, en greep hem bij de schouder van zijn strijdpantser.  Hij voelde de krachtige ruk, en werd naar de bodem van de zaal getrokken, waar hij neerviel naast een grote berg wapens, allemaal gestolen van de vele slachtoffers.

Het monster grijnsde al, alsof het de overwinning nabij voelde, toen Beowulf een reusachtige strijdbijl greep vanuit de berg wapens.  Met een uiterste krachtinspanning zwaaide Beowulf nu de bijl door de troebele lucht, en raakte de hals van het monster met één machtige slag.  Met wijd opengesperde ogen van ontzetting voelde het monster hoe Beowulf aan haar greep ontglipte, en zag zij de zwaaiende bijl naderen.  Eén tel later al werden haar halswervels doorkliefd, en braken haar ogen.  Enkel een luide doodsreutel volgde op het zwiepende geluid van de strijdbijl, en het monsterlijke onthoofde lichaam zakte ineen, naast het lijk van Grendel.  Opnieuw sloeg Beowulf toe, ditmaal naar Grendel, en ook zijn hoofd werd nu afgehakt met de gigantische bijl.  Waarna deze bijl helemaal wegsmolt, alsof het bloed van de misdadige monsters te heet was voor mensenwapens.

Beowulf zwom nu met krachtige armslagen terug naar de oppervlakte van de poel met aan zijn gordel, vastgeknoopt aan de haren, het hoofd van Grendel.  Toen het water openspatte bij zijn opduiken klonk gejuich bij zijn kameraden.  De Denen waren al vertrokken, want zij waren ervan overtuigd dat het monster gewonnen had, omdat Beowulf te lang onder water bleef.

In groep trokken de triomferende Geaten nu naar Heorot.  Toegejuicht door edelen, handelaars, burgers, reden zij de slotgracht over en bereikten de grote zaal.  Daar werd het hoofd van Grendel op tafel gezet, waarna Beowulf de toegestroomde luisteraars vertelde over zijn gevecht met de moeder van Grendel, maar ook over het versagen van Hrunting.  Zelfs Hrothgar zette zich in de grote kring om ademloos toe te horen wat Beowulf vertelde.  “Enkel omdat de Goden mij een strijdbijl aanwezen, gemaakt door en voor reuzen, kon ik overwinnen in het ongelijke gevecht van mens tegen monster.  De strijdbijl is weliswaar gesmolten maar toch bleef de gouden handgreep over, en die geef ik graag aan Hrothgar.  Laat dit gouden gevest ophangen in deze zaal, als het teken dat de misdaden tegen de Denen gewroken zijn, en dat de Scyldings niet meer moeten vrezen voor de nijd, de afgunst, en de monsterlijke haat van Grendel en zijn moeder”.

Met tranen in de ogen dankte Hrothgar: “Dit gouden sieraad zal eeuwig aantonen dat Aeschere gewroken is”.  Waarna eten en drank werden aangebracht want: “Laat het Beowulf en zijn mannen aan niets ontbreken”.  Toen iedereen aan de lange tafel zat nam Hrothgar opnieuw het woord: “Vijftig jaar heb ik de Denen geregeerd, en heel wat gevechten heb ik moeten leveren om hen te beschermen. Ik was er dan ook van overtuigd dat zij geen vijanden meer hadden, tot plots de vleesgeworden haat opdook, Grendel.  De Goden hebben u dan naar hier gezonden om aan de moordende terreur van dat monster en zelfs van zijn moeder een einde te maken.  Geniet nu van spijs en drank, en weet dat enkel een echte held zich zo mag verheugen in de dankbaarheid van een koning en vooral in de dankbaarheid van zijn hele volk.  Drinken wij de mede, op het heil van Beowulf!”

 

6. Terug naar het land van de Geaten.

De volgende ochtend al vertrok een stoet uit Heorot. Voorop reed Beowulf, en hij werd gevolgd door zijn makkers, die zwaarbeladen lastpaarden meevoerden.  Zij torsten de vele geschenken waarmee de dankbare Hrothgar hen had verwend.  Zo bereikten zij de kogge die nog steeds veilig voor anker lag onder de bescherming van de kustwachters.  Die werd geladen met de kostbaarheden, met de strijdpantsers en tot slot met de paarden.  Waarna het schip, hoog opgetuigd, wegzeilde van het Denenland om na een voorspoedige reis het land van de Geaten te bereiken.

Handig stuurden de zeelui het schip nu tussen de klippen naar het strand, waar havenmannen de toegeworpen ankerkabel opvingen en de snek verankerden.  Onder veel bijval omwille van zijn behouden terugkeer, en ook wel omdat iedereen zag dat vele waardevolle geschenken werden ontscheept, werden de lastpaarden opnieuw geladen en in stoet naar het huis van Hygelac gebracht.

Hygelac zelf vroeg aan Beowulf om zijn wedervaren te vertellen, en deze liet zich niet pramen.  Voor het geestesoog van Hygelac en van alle toehoorders verschenen nu de gedaanten van Grendel en van zijn moeder, maar ook van Hondscioh, de eerste makker die sneuvelde, en van de oude Aeschere.  Waarna Beowulf de geschenken beschreef die hij van de dankbare Hrothgar had gekregen: “Maar deze geschenken komen toe aan Hygelac, mijn vorst”.  Op een teken van Beowulf werden nu achtereenvolgens een gouden banier, een prachtige helm, een pantser en een strijdzwaard binnen gebracht.  Waarna ook nog de teugels van vier prachtige identieke paarden, appelgrauw, aan Hygelac werden overhandigd.  Deze laatste was zo dankbaar voor de prachtige giften, dat hij op zijn beurt aan Beowulf een zwaard schonk, ingelegd met goud.  Om dan ook nog een groot stuk land aan Beowulf toe te wijzen, waarop duizenden gezinnen konden leven, en waar Beowulf een eigen vorstendom kon uitbouwen, naast het grote rijk van Hygelac: “Want een man die zo nobel is om gezag te erkennen, verdient het om ook zelf gezag uit te oefenen”.

 

7. De draak.

De geschiedenis stond echter niet stil bij deze episode.  Want Hygelac, die altijd in de eerste rijen vocht als zijn volk bedreigd werd, sneuvelde enkele jaren later in een gevecht tegen een invaller.  Zijn rijk ging daarop over in de handen van Heardred, zijn zoon, terwijl Beowulf werd aangesteld als voornaamste raadgever.

Nog steeds werd het land echter bedreigd door rondtrekkende rovers, en tijdens een zwaardgevecht daartegen sneuvelde ook Heardred.  Waarna het ganse rijk overging in de handen van Beowulf.  Deze beheerde nu gedurende vijftig winters het rijk, erkend door het volk.  Het volk toonde inderdaad eerbied en ontzag voor deze bedwinger van draken, overwinnaar van het gevecht met Grendel, beschermend vorst.  Tot in het rijk een onverwachte gebeurtenis een einde maakte aan deze lange periode van kalmte en vrede.

Op een hoogte in de uitgestrekte heide stond een stenen grafheuvel, maar geen mens kende de weg die erheen leidde. De stenen waren dan ook overgroeid met heideplanten, waardoor ook niemand er aan zou denken om op zoek te gaan naar een binnenruimte.  Toch bevond zich in de grafheuvel een schatkamer, en deze werd bewaakt door een draak.  Vele jaren voordien had de laatste overlevende van een adellijk geslacht daar een schat ondergebracht.  Al zijn verwanten waren gevallen in een meedogenloze strijd met invallers en rovers, en hij voelde aan dat ook hij niet lang meer zou leven.  Daarom nam de man een laatste besluit, en bracht hij al de waardevolle bezittingen van de ganse familie naar de grafheuvel. 

Met goud beslagen zwaarden, drinkbekers met ingewerkte edelstenen, kostbaar vaatwerk. Maar ook een helm met mysterieuze beschermende krachten en een indrukwekkend oorlogsmasker werden overgebracht naar de schuilplaats op de heide.  Als laatste stuk bracht hij ook de harp van de familie naar de grafheuvel.  Om kort daarna zelf het vermoeide hoofd neer te leggen en te sterven in de wetenschap dat de familieschatten veilig en onvindbaar opgeborgen waren, en niet door rovers zouden worden weggenomen.

Het was echter een kwaadaardige, vuurspuwende draak die toch de schat in de grafheuvel vond, toen hij weer eens doelloos over de heide dwaalde.  Hoewel niemand hem dat had opgedragen, gaf de draak zichzelf de opdracht de schat te bewaken, en met vuur te verdedigen tegen al wie de heuvel zou naderen.  Wat hem lukte gedurende driehonderd jaar. 

Na die driehonderd jaar werd in een nabijgelegen dorp een slaaf door zijn meester betrapt op diefstal.  In die tijd stond op diefstal de geselstraf, en de meester maakte zich dan ook klaar om de zweep over de rug van de arme slaaf te leggen.  Hoewel hij geleerd had niet opstandig te zijn tegen een meester, werd de angst voor de geseling toch te groot voor de slaaf, en hij vluchtte weg uit de omwalling van de herenhoeve. 

Om beschutting te zoeken voor de nachtelijke koude beklom hij de heuvel in de heide, in de hoop toch een grot te vinden.  En ja, verborgen achter dichte braamtakken vond hij een opening en daar legde hij zich dan ook te slapen.  Toen ’s morgens de eerste zonnestralen door de braamtakken drongen, zag de slaaf dat hij aan het begin van een gang had geslapen.  Van enkele dode takken maakte hij nu een fakkel, en bij het licht daarvan stapte hij nieuwsgierig verder, dieper de heuvel in.  Na een lichte bocht vond hij al een eerste stapel schitterende voorwerpen, en hij nam de mooiste gouden kelk weg.  Met dit zoenoffer ging hij dan, hongerig en verkleumd door het slapen op de harde bodem, terug naar zijn meester. 
“Om mijn misstap goed te maken, meester, breng ik u deze gouden kelk, in de hoop dat u mij zult vergeven”.
Nu, vanwege iemand die een gouden kelk schenkt, kan men al eens iets door de vingers zien… maar de meester eiste toch nog dat hem de weg naar de schatkamer zou gewezen worden.  Waarna een hele stoet slaven de opdracht kreeg om de ganse stapel die de eerste slaaf had gevonden, naar de hoeve te dragen.  De meester was nu zo verrukt over de waardevolle voorwerpen, dat hij de slaaf die de vondst gedaan had de vrijheid schonk, met de opdracht enkele stukken van de schat naar Beowulf, de koning, te brengen.  Want het komt een onderdaan toe, om gevonden zaken te delen met de vorst.

Na enkele dagreizen bereikte de slaaf het paleis van Beowulf, en op vertoon van de gouden voorwerpen kreeg hij onmiddellijk de kans om deze aan de koning aan te bieden.  Beowulf keek vol ontzag naar de prachtige stukken, die het resultaat waren van kunstzinnig handwerk van zijn voorouders.  Dankbaar omwille van datgene wat zij hadden nagelaten, en vol eerbied voor hun meesterschap boog hij in gedachten het hoofd voor hen.

Enkele dagen daarvoor, toen de zon naar haar hoogste stand klom, en de slavenstoet vertrokken was naar de herenhoeve, terwijl de vrijgelaten slaaf onderweg was naar zijn koning, werd ook de draak wakker.  Hij kroop door de gang naar buiten, en stelde nu vast dat een deel van de schat verdwenen was.  In een aanval van razernij braakte hij lange vlammen uit, die de braamstruiken aan de ingang verschroeiden en zwart blakerden, als sombere voortekenen van wat nog komen zou.  Niet later dan die avond reeds steeg hij op vanaf de grafheuvel, op zoek naar de indringers, naar degenen die enkelen van ‘zijn’ schatten hadden meegenomen.  Omdat hij niet wist waar te zoeken was zijn wraak verschrikkelijk.  Want overal braakte hij nu gloeiend vuur uit, en geen enkele boerderij, geen enkele hofstede, geen enkele hut, ontkwam aan zijn hete en brandende woede.  Twee dagen en twee nachten later, toen het ganse land van de Geaten gehuld was in rook en vlammen, trok hij zich vermoeid terug in de grafheuvel.

In het eerste ochtendlicht, nadat hij pas de avond voordien de schatten had gekregen, zag Beowulf de vreselijke verwoestingen die de draak had aangericht.  Voor zijn poorten stonden ook de weeklagende moeders, die zonen verloren hadden die getracht hadden zich te verzetten tegen de vernietigende vlammen.  Hij moest ook vaststellen dat zijn eigen slot, nochtans omringd door een hoge aarden wal en een brede slotgracht, nu in brand stond, en dat het niet lang meer zou duren eer het vuur alles zou vernield hebben.  Want een vuurspuwende draak, hoog boven de vlakten vliegend, laat zich niet tegenhouden door slotgrachten en wallen.

Beowulf, de oude strijder, liet nu een zwaar ijzeren strijdschild maken, omdat hij wist dat een gewoon houten schild niet zou bestand zijn tegen de vlammende draak.  Hij liet ook de voormalige slaaf, de oorsprong van alle onheil, bij zich brengen.  Nadat hij nog twaalf gezellen had uitgekozen om hem te vergezellen, dwong hij de dief om hem de weg te wijzen naar de grafheuvel en vooral naar de ingang tot de stenen binnenruimte.  Aan de rand van de heide, waar men de branding van de zee al kon horen en het beuken van de golven met zware regelmaat dreunde, wees de dief na een lange tocht nu de heuvel aan.  Ook de spelonk wees hij aan, en: “daarbinnen heb ik de schatten gevonden, daar zal dan ook de draak huizen”.

De gezellen klommen met Beowulf tot aan de toegang, en dan besliste Beowulf alleen verder te gaan.  Hij vreesde voor het leven van zijn vrienden, en meende tegelijk dat het zijn verantwoordelijkheid was om dit vernietigende gevaar voor zijn volk te bestrijden en te verslaan.  “Het hete vuur van deze draak zal ik kunnen afweren door het ijzeren schild, en ook door mijn pantser.  Maar toch ben ik er niet zeker van dat deze bescherming afdoende zal zijn tegen de vuurspuwer.  Jullie zijn nog minder beschermd, dus zal ik de strijd alleen aangaan.  Ik zal dit monster verslaan, of sterven terwijl ik de verwoestende wandaden tegen mijn volk wilde wreken.  Het ga jullie goed”.  Na deze woorden verdween Beowulf in de spelonk, het zwaard in de aanslag, het schild hoog geheven.

 

8. Beowulf en Wiglaf

Om zichzelf moed in te pompen, maar ook om het monster aan te tonen dat Beowulf geen vrees kende, liep hij nu luid roepend de spelonk in.  Het antwoord liet niet op zich wachten, want langs de voeten van Beowulf stroomde nu plots bijna kokend water, verhit door de hete adem van de opgeschrikte draak.

Even later kwam de draak zelf aangestormd, en botste onmiddellijk op het machtige zwaard van Beowulf.  Zelfs dat zwaard in de handen van een sterke man, was niet opgewassen tegen de haast bovennatuurlijke kracht van de draak.  Beowulf moest dan ook langzaam achteruit wijken, snelle en krachtige houwen uitdelend in de richting van het monster, dat ondanks alles terrein won.  Hij voelde nu meer dan ooit aan dat zijn vroegere krachten hem stilaan ontglipt waren, en dat hij verplicht was te wijken naar het meer open terrein, bij de uitgang van de grot.

De wachtende gezellen zagen nu dat hun koning gans alleen de strijd opnam tegen de vuurspuwende draak.  Ontzet keken zij mekaar aan, onder de indruk van de lengte van de vlammen, van de rookpluimen die opstegen, en van het afschrikwekkende drakengebrul.  En ja, hoewel het zou passen voor de zonen van edelen dat zij zich rond hun vorst zouden scharen, toch vluchtten zij de heide op, weg van de spelonk, weg van het strijdgewoel.  Eén man slechts, één zogenaamde schildstrijder, maakte een minachtend gebaar naar de vluchters, en haastte zich naar Beowulf.  Wiglaf, de jongste van de gezellen, enkel bewapend met een slagzwaard, vocht even later, schouder aan schouder, met Beowulf tegen het monster.

Ondanks de dubbele zwaardslagen die nu op de draak neerkwamen, en ondanks de kracht van de jonge Wiglaf en de behendigheid van Beowulf, kon de draak toch toeslaan.  Met een hevige en onverwachte uithaal van zijn drakennek plantte deze zijn tanden in de hals van Beowulf.  Het bloed spoot even later uit een gapende wonde met ritmische stralen, waardoor duidelijk werd dat de slagader geraakt was.  Wiglaf, nog voorzichtiger, maar daarom niet minder behendig, wist dat hij snel Beowulf diende te verzorgen en dat aan de strijd dus een einde moest gemaakt worden.

Toen de draak zich hoog oprichtte om een laatste vernietigende slag toe te brengen, slaagde Wiglaf erin, ondanks de verzengende hitte, ondanks de giftige ademdampen, om zijn zwaard in het hart van de draak te drijven.  Deze viel nu voorover, en met een laatste krachtinspanning kon Beowulf een scherpe strijddolk trekken, om deze in de hals van de draak te planten.  Dood, morsdood zakte de draak neer.  De twee kampers hadden samen het monster geveld en de wandaden tegen het volk gewroken.

Wanhopig ondernam Wiglaf nu een poging om de wonde van Beowulf te verzorgen, maar het gif van de drakentanden was al te ver in het lichaam gedrongen.  “Haast u, dappere Wiglaf, vriend van mij, haal het goud uit de grot en toon het mij”.  Snel voldeed Wiglaf aan de wens van Beowulf en even later vormde zich naast de stervende koning een enorme stapel aan schatten en sieraden, bekroond door een indrukwekkende gouden banier, met daarop het wapenschild van de vroegere adellijke familie, waarvan eeuwen geleden de laatste overlevende de schat in veiligheid had gebracht.

Opnieuw nam Beowulf het woord: “Vriend, ik ga nu mijn leven inruilen voor deze schat, omdat hij zal dienen als vergelding voor de wandaden van de draak, en tegelijk mijn volk rijkdom en welstand zal geven.  Daarvoor, voor die eerlijke ruil kan ik niet anders dan de Goden dankbaar zijn.  Dezelfde Goden toonden vandaag ook aan dat enkel gij Wiglaf, laatste telg van ons geslacht, de capaciteiten hebt om dit volk te leiden.  Bouw dus voor mij met eigen handen een houtstapel, en ontsteek zelf de vlammen die mijn geest naar de Hoge zullen voeren”.

Enkele uren later legde Beowulf met moeilijke en slepende stappen de korte weg af naar de houtstapel die Wiglaf had aangelegd.  Met zijn laatste krachten legde hij zegenend de hand op het hoofd van Wiglaf, en besteeg dan de takkenberg.  Daar legde hij zich neer en sloot de ogen, om onmiddellijk in vrede te sterven.  Wiglaf stak een fakkel aan het hout, en even later al verteerden de vlammen het edele omhulsel van een groot man.  Een nobele en sterke geest werd gescheiden van het vergankelijke vlees.

Het was pas toen zij de rook van het vuur zagen dat de weggelopen gezellen opnieuw te voorschijn kwamen.  Beschaamd omwille van hun gebrek aan moed legden zij nu hun lot in de handen van Wiglaf.  Deze gaf hen de opdracht een grote grafkamer te bouwen op de klip, uitkijkend over de Walvisrede.  Deze grafkamer moest van ver te zien zijn door alle zeevaarders.  En zo gebeurde het ook.  Als genoegdoening voor hun lafhartigheid plaatsten de bouwers van de grafkamer, de vluchters, ook alle geschenken die zij ooit van Beowulf hadden ontvangen in de kamer.  Waardoor de urne met daarin de as van Beowulf omringd werd door schitterende ringen, brede gespen, pantsers, helmen en zwaarden.

De grootste koning die de Geaten ooit hadden gekend, was heengegaan.  Zijn naam zal bewaard blijven door alle geslachten die naar de hoogste levensvervulling streven: de inzet voor anderen, zelfs ten koste van het eigen leven.    Die naam is Beowulf!

 

Enkele aandachtstreepjes tot slot

- Hrothgar is koning, tot hij te zwak wordt om zijn volk te beschermen, waarop Beowulf die taak overneemt als gevolgsman. Nadat hij de monsters overwint wordt hij koning van de Geaten voor vijftig jaar.  Ook hij krijgt dan af te rekenen met een draak, die hem evenwel doodt.  Waarna Wiglaf, een ander sibbelid, de draak verslaat en koning wordt.  De telkens weerkerende les op de achtergrond: Gezag, ook koninklijk gezag, kan enkel aanvaard worden door “onderdanen” indien het gestoeld is op daden en bewezen capaciteiten, en niet op graden of titels of op ronkende familienamen…

- De meeste onderzoekers zijn het erover eens dat Beowulf een Germaanse heidense sage is, met duidelijk heidense personages en achterliggende boodschappen.  Toch beschrijven sommigen Grendel als nazaat van Kaïn, wat duidelijk wijst op de christelijke inspiratie van de latere vertellers, en op de pogingen om het oude verhaal te gebruiken voor kerstenende doeleinden. Zo is er een versie die Unferth laat schelden naar Beowulf, dat hij zijn eigen broer heeft omgebracht.  Met de manifeste bedoeling van de bijschrijvende monikken om het bijbelse Kaïn en Abelverhaal verteerbaar te maken: “zie je wel, ook bij jullie gebeurden broedermoorden”.

- De naam Beowulf kan vrij vertaald worden als “bijenwolf”, zeg maar beer.  Omdat een beer nu eenmaal verzot is op honing en moedig genoeg om de aanvallen van de bijen te trotseren, heeft de naam Beowulf de betekenis van “moedige en krachtige persoonlijkheid”.

Terug naar top van blad          Terug naar startbladzijde