DE VRAGEN VAN HAGFRIED

 

Het wijdse Noordland strekt zich oneindig ver uit tussen de bergruggen waarachter reuzen evenals kwaadaardige dwergen huizen, en waar ook de zeeën zijn die slechts de moedigsten durven te bevaren. 

Een eind weg in die zeeën ligt ook nog een eiland.  Het is te voet enkel te bereiken wanneer de wintergoden een ijsbrug over de zeeën leggen.  Die ijsbrug kan enkel worden bereikt door de moedigen die ook de laatste berken in de vlakten achter zich durven te laten. 

Wanneer die ijsbrug er niet is kunnen enkel brandende schepen, bemand door sterke strijders die de reis naar de Gaarden achter de dood maken, het eiland bereiken.

 

De enkele strijders die ooit de lange weg over het ijs ondernamen naar het eiland, vertellen met eerbied over een hoger gelegen plaats op het eiland.  Het eiland zelf omschrijven zij als heilig, als dodengaard ook. 

Zij noemen het meestal Thule, en vertellen dat rondom de hoger gelegen plaats, die zij kortweg "de Hoogte" noemen, een haast ondoordringbaar woud zich uitstrekt.  O ja, ook dit woud heeft een naam, want de strijders noemen het Horst.

 

Rondom de heervuren wordt enkel met achting gesproken over de Hoogte.  Sommige vertellers geven de indruk dat zij slechts vertellen wat anderen meemaakten.  Doch enkele ouderen schijnen uit eigen ervaring meer te weten over het eiland en de Hoogte, want hun blik wordt steeds dromerig wanneer erover gepraat wordt.  Alsof zij zich opnieuw trachten voor te stellen hoe zij de ijsvlakten overwonnen, om Thule, het Horst en de Hoogte te bereiken.  Zij vertellen dan dat zij bij nadering het gevecht konden gadeslaan tussen de laagstaande zon en de nevels van sneeuwregen. 

 

Zoals elke heldenstrijd gekroond wordt, krijgt ook die kamp tussen licht en nevel een bekroning mee.  Boven Thule triomfeert een regenboog, helder en klaar, die de nevels ver overstijgt.  Waarbij het ene einde van de regenboog onzichtbaar in de wolken verdwijnt, terwijl het andere einde de Hoogte lijkt te raken.  De luisteraars vernemen ook, soms na lang aandringen, dat het eiland talloze sterke geesten herbergt.  Het zijn zij die als gewijde helden elke avond rondom hoge vuren verzamelen. 

 

Het ganse eiland wordt evenwel beheerst door één opvallende bewoner die geiten en bokken hoedt.  Van hem vertellen de ouderen dat hij de vuren ontsteekt, en soms ook wel zijn wagen laat voorttrekken door zijn dieren.  Waarbij soms, maar daarover zijn de ouderen het niet altijd eens, de indruk wordt gewekt dat de geitenwagen de regenboog als brug gebruikt om naar de wolken toe te rijden.  Die geiten- en bokkenhoeder wordt Reimar, raadgever genaamd.

 

Aan een van de heervuren zat op een herfstavond ook Hagfried, wiens naam omschrijft dat hij de beschermer van het erf is.  Zijn verhaal, dat de nacht met vele uren leek te verkorten, wil ik hier graag opnieuw vertellen, opdat het niet zou verloren gaan voor de erfgenamen van de strijders. 

 

Hagfried keek de kring rond.  Alle strijders werden verlicht door de laaiende vlammen.  En zelfs de enkelen die iets verder zaten werden toch betrokken in de zichtbare kring, telkens wanneer nieuwe takken in het vuur werden geworpen.

 

"Ja", begon hij nadenkend zijn verhaal, "ja, ik bezocht vele jaren geleden het eiland van de getrouwen, dat jullie kennen als Thule.  De aanleiding voor het bezoek was een gesprek met mijn sibbe-oudste.  Dit gesprek kwam er toen ik terug kwam van een jacht. 

Mijn kinderen kwamen me toendertijd tegemoet gesneld om te melden dat Edigna, mijn vrouw die uit een oud en edel geslacht stamde, dood was.  Zij was gestorven aan een onbekende ziekte die meerdere sibbeleden had geveld.  Tijdens onze afwezigheid hadden vreemde mannen de sibbe bezocht, die zichzelve kooplieden noemden.  Zij wonnen hun voedsel niet door het land te bewerken, of door te jagen, maar door waardevolle zaken te ruilen voor waardeloze. 

Zo stelden zij aan de sibbehoeders voor om huiden die winterwarmte moesten schenken te ruilen voor kleine stukjes metaal, te zacht om wapens uit te smeden, en glanzende stenen.  De sibbe, gastvrij als steeds, behield natuurlijk de huiden maar gaf toch de vreemden onderdak en voedsel gedurende de tijd die zij in de sibbe wilden verblijven.

Zelfs toen enkele van de zogenaamde kooplieden ziek werden, kregen zij verzorging van de sibbeleden.  Ook Edigna mijn vrouw, zorgzaam als steeds, verpleegde de vreemden.  Om na een tijdje lelijke vlekken te zien ontstaan op haar blanke huid.  Na enkele dagen en nachten gerild en getrild te hebben als een blad in de lentestormen verloren mijn kinderen hun moeder. 

De vreemden hielpen toen helemaal niet met het vergaren van hout.  Terwijl toch het overgangsvuur moest worden klaargemaakt, van waaruit Edigna naar de Gaarden moest vertrekken.  Nee, zij weenden en treurden met veel misbaar en deden dus niets.  Waar het toch zou aangewezen zijn dat zij, die de ziekte hadden meegebracht, de sprokkelaars zouden helpen."

 

Hagfried zweeg gedurende een hele tijd met gebogen hoofd.  Enkel het knetteren van takken en vochtig hout leek zijn nadenkendheid te willen begeleiden.  Doch ook de stilte van de verzamelden rond het heervuur vormde een eerbetoon aan de moed van Edigna, die de gastvrije waarde van de sibbe hoger achtte dan haar vrees voor de ziekte.  De stilte was tegelijk een blijk van misprijzen voor de vreemden, die luierden en die de overgang van de moedige Edigna niet mee voorbereidden.

 

"Je zou ons ook vertellen van het gesprek met de sibbevader", herinnerde een van de strijders in de kring Hagfried.  Ach, het werd de strijder vergeven dat hij de rustgevende stilte doorbrak.  Hij was nog jong, en gierig naar de lering die uit de verhalen voortvloeide.

 

Hagfried hief opnieuw het hoofd op en bekeek de ganse kring in een alomvattende blik, alvorens verder te vertellen: "Nadat mijn kinderen me bij het lichaam van Edigna hadden gebracht dat tussen berketwijgen in onze woonst lag opgebaard, ging ik inderdaad naar de sibbevader.

Waarom werd mijn vrouw me ontnomen ?

Konden de beschermers hun taak vervullen, en mijn kinderen opvangen tijdens de jachtperiodes ? 

Welke levensraad kon de sibbevader me geven ? 

 

Het was toen dat de sibbevader, die mijn dadendrang kende, me de raad gaf om de vele vragen te stellen aan de bewoner van de Hoogte op het eiland.  Ach, misschien kon ook de sibbevader zelf wel een en ander beantwoorden, maar in zijn wijsheid begreep hij dat de moeilijke reis me zeker tot rust zou doen komen.

Ik nam dus mijn wapens op, groette mijn kinderen en de andere sibbeleden, en vertrok naar Thule.

 

Nadat ik de berkengrens voorbij was getrokken, benutte ik de ijsbrug om het eiland te bereiken.  Het Horst scheen wel een weg vrij te willen laten, want nergens werd ik gehinderd op mijn tocht naar de Hoogte.  Zelfs de woonst van de geitenhoeder leek me welkom te heten, want een wijd geopende deur spotte met de koude die ik speurde ondanks mijn huidenmantel. 

Bij de haard zat een wild uitziende man, die zichzelf voorstelde als Reimar.  Hij vertelde een afstammeling te zijn van Thurs, die in het Asenrijk de poorten beschermde naar vernietiging en daaropvolgende vruchtbaarheid.  Waardoor ook de poort naar leven en dood aan zijn hoede waren toevertrouwd.

Deze Reimar, ontzagwekkend getooid met rode baard en even rode haardos, pookte de haard op, en zegde met een warme stem dat mijn vele vragen enkel een antwoord konden krijgen, indien ik aandachtig luisterde naar zijn woorden.  Wat ik dan ook, tijdvergetend, deed.

 

"Alles is één, en één is ook het Al.  Slechts voor een korte tijdsspanne maken deeltjes van Al de reis naar het Noordland tussen bergen en zeeën.  Alhoewel in Al afstand en tijd onbekend zijn moet ik toch over een korte tijd spreken omdat de Noordlanders het leven indelen in tijd.  Lange en korte tijd zijn echter ook voor wat bestaat niet steeds even duidelijk.  Een mensenleven duurt enkele jaren, terwijl de bergen die Noordland beschermen tegen de reuzen reeds vele mensenlevens lang die taak vervullen.  Het blad aan de boom echter bestaat slechts een deel van een jaar.  Leven, zijn, is dus niet meer waard omdat het langer of korter duurt.  De wijze waarop het leven geleefd is, is heel wat belangrijker.  Bergen beschermen en vervullen daarmee hun levenstaak.  Bladeren voeren regen naar de stam die vele mensenlevens blijft bestaan.  Terwijl deze bladeren ook nog de stam voeden tijdens hun overgang naar de diepere aarde.  Ook mensen hebben in dit ene Al een onvervangbare taak.  Zij behoeden het Noordland voor verval, en maken de gronden vruchtbaarder door hun werk.  Zij jagen wat zwak is, en huldigen wat sterk en strijdbaar blijft.  Zij bouwen de bruggen tussen de Gaarden die overgang mogelijk maken.

 

De Noordse mens zal kinderen beschermen, ouderen beluisteren, en de sibbe met de wapens verdedigen tegen nachtelijke rovers.  Hij zal de trouw aan het heilige woord, wederkeer en waarde van zijn, nooit verraden.

 

Ook Edigna achtte de zorgzame waarde van gastvrijheid hoger dan de vrees en zij verkoos het gevaar boven de lafheid van vluchten.

Uw vrouw moet gij huldigen in de vlammen van het overgangsvuur, opdat zij nooit meer honger en verdriet zou kennen.  Opdat zij, als deel van Algeest, toch zou kunnen waken over haar en uw erfgenamen, kinderen van de trouwe liefde.  Zij zal, net zoals de velen die ooit Noordland bevolkten, de wilde vreugde van Asgaard kunnen zien.  Het is een vreugde die ook gij, Hagfried, gekend hebt en opnieuw zult kennen.  Wanneer ook uw leven volwaardig geleefd is, zonder belang te hechten aan de schijnwaarde van tijd, zult gij vreugdevol kunnen overgaan.  Kinderen huilen bij de geboorte, omdat zij de vreugde van Al verlaten, en Noordlanders sterven vredig omdat zij reeds de rust en toch ook de vreugde van Al kunnen zien.  En de beschermers van uw kinderen, wetende dat ook hun leven slechts waardevol geleefd is, wanneer zij trouw de beschermingsbelofte vervullen; zij zullen zeker uw waardige vervangers zijn tijdens de herfstjacht, en tijdens de lentetijd wanneer gij het land vruchtbaar maakt."

 

"Ja, strijders in deze kring, zo vertelde Reimar de raadgever mij.  Hij slaagde erin om al mijn vragen te beantwoorden, zonder eenmaal nog het vuur aan te poken.  Dat nochtans de ganse tijd hoog bleef oplaaien.  Alsof de Asen meeluisterden en die vlammentaak overnamen van de raadgever.  Trouwens, nadenkend stelde ik vast dat de wilde en eerder ruig uitziende Reimar toch een zeer indrukwekkend relaas had gedaan.  Opnieuw alsof de Asen zich in zijn stem hadden verzameld, en deze haar indrukwekkende klank hadden gegeven.

 

Ik vatte de terugtocht aan, waarbij me dadelijk opviel dat de ijsbrug reeds stilaan begon te smelten, alhoewel ik meende slechts even op het eiland te hebben vertoefd.  Nadat ik opnieuw de berken voorbij was, en na de gastvrijheid van vele andere sibben te hebben genoten tijdens de tocht, bereikte ik de eigen sibbe.  Waar ik moest vaststellen dat mijn reis haast een volledige maanomwenteling had geduurd.  Terwijl de raad van Reimar mij de indruk had gegeven slechts een zeer korte tijd in beslag te hebben genomen.  Tijd was echter onbestaande op de Hoogte van Thule.

 

Onmiddellijk na aankomst ging ik naar de sibbevader en deed mijn relaas.  Deze hoefde niet lang na te denken.  Hij, in zijn wijsheid die een sibbe-oudste moet kenmerken, besloot dat Reimar aandrong op vreugde omwille van de overgang naar Al.  Hij riep dan ook de ganse sibbe samen, teneinde rondom het overgangsvuur een feestmaal in te richten.

 

Waarbij wel opmerkenswaard was dat hij eerst de mannen opriep om de vreemde kooplieden eerder nadrukkelijk te vragen elders te gaan treuren en klagen.  Zij pasten helemaal niet in de kring die voorbehouden werd aan de sibbeleden die alleen het eigen sterke leven leefden.  Mannen, vrouwen, kinderen.  Allen werden rond het vreugdevuur verzameld.  Zij bewaarden slechts de stilte toen even de rook en de vlammen recht naar de hemel schenen te stijgen.  Alsof Edigna bevrijd was van de kluisters die door ziekte worden gevormd, en de overgang in één vreugdige sprong wilde volbrengen.

 

Nog tijdens het feestmaal boden de beschermers aan om mijn kinderen te stutten en te begeleiden naar de taak van dappere strijders voor de eigen sibbe, het eigen erf.  Waardoor ook de laatste belofte van Reimar bewaarheid werd: trouw was gebleken, en enkel trouw maakt een leven levenswaard.  Waarmee ook Edigna scheen in te stemmen door de vlammen een plotse helle gloed te verlenen."

 

De strijders rondom het heervuur bewaarden opnieuw een stilte.  Het verhaal van Hagfried leek hen belangrijker dan enkel een avondverdrijvende vertelling.  Tot dezelfde jonge strijder, opnieuw ongeduldig, een zegelied aanhief.  Een wild en vreugdevol lied, dat onderlijnde dat de kring begreep wat de Hoge raadgever bedoelde: leef uw leven in vreugde, hoed uw trouw in dapperheid, en gebruik al uw zintuigen én het aanvoelen van wat echt is om het heidenrijk waardevol te bewaren.

Terug naar top van blad          Terug naar startbladzijde